Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8514
2026-09-04
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 25/2412
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting, ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2633 Gerechtshof Den Haag 23-10-2024
- ECLI:NL:HR:2020:639 Hoge Raad 10-04-2020
- ECLI:NL:HR:2024:1535 Hoge Raad 25-10-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.790 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2412
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 april 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd (de naheffingsaanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen waren niet aanwezig.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 22 juli 2026 afgemeld voor de zitting.
1.5.
Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Belanghebbende is via het systeem Digitale Toegang op 9 juni 2026 om 13.44 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd, zodat deze doorgang kon vinden.
Feiten
2. De auto met kenteken [kenteken] stond op 6 augustus 2024 omstreeks 09:02 uur geparkeerd aan [locatie] te [plaats] . Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is door middel van een scanauto geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 63,95 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,30 en € 61,65 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag heeft opgelegd. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
3.2.
In geschil is of bij het opleggen van de naheffingsaanslag is gehandeld in strijd met artikel 6 en 8 van het Europese Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zodat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.
3.3.
Belanghebbende voert aan dat het gebruik van scanauto’s bij het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting in strijd is met artikel 8 EVRM, zodat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Het gebruik van scanauto’s heeft nauwelijks een wettelijke basis en bovendien is dit niet noodzakelijk en proportioneel, aldus belanghebbende. Daarnaast voert belanghebbende aan dat de Wet Mulder strijdig is met artikel 6 EVRM.
3.4.
De heffingsambtenaar stelt dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. De beroepsgronden van belanghebbende met betrekking tot artikel 6 en 8 EVRM en de Wet Mulder raken niet aan de rechtsgeldigheid van de naheffingsaanslag, aldus de heffingsambtenaar.
3.5.
De rechtbank overweegt als volgt. De gemeente Breda hanteert een kentekenparkeersysteem. Dit systeem houdt in dat voor de betaling van parkeerbelasting het kenteken dient te worden ingevoerd en dat voor de controle op de voldoening van parkeerbelasting gebruik wordt gemaakt van scanauto’s die de kentekens van geparkeerde auto’s scannen. Deze kentekengegevens worden tijdelijk bewaard om te controleren of de verschuldigde parkeerbelasting is betaald, dan wel is geparkeerd met een geldige vergunning. Is dit niet het geval dan wordt een naheffingsaanslag opgelegd.
3.6.
De rechtbank is in navolging van het Hof en de Hoge Raad van oordeel dat het gebruik van scanauto’s en het kentekenparkeersysteem door de heffingsambtenaar niet in strijd is met artikel 8 EVRM. In haar arrest van 10 april 2020 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het gebruik van het kentekenparkeersysteem bij het opleggen van de naheffingsaanslag een inmenging door de gemeente in het recht van een belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM oplevert. Deze inmenging dient bij wet te zijn voorzien. In artikel 1.3.1 onder a van het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen Breda 2023 (het Aanwijzingsbesluit), is opgenomen dat voldoening van parkeerbelasting wordt voldaan door middel van het invoeren van het kenteken. Gelet op de voormelde bepaling in het Aanwijzingsbesluit, die ook gold ten tijde van het belastbare feit, in samenhang met de artikelen 225 en 234, tweede lid, van de Gemeentewet, was ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag ten aanzien van de eis van opgave van het kenteken van het te parkeren voertuig voldaan aan de eis “bij wet voorzien” als bedoeld in artikel 8 EVRM.
3.7.
Nu belanghebbende niet heeft weersproken dat de auto op genoemde datum en tijdstip stond geparkeerd zonder de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting te betalen en er evenmin is geparkeerd met een geldige vergunning, is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd.
Wet Mulder
3.8.
De rechtbank merkt op dat, anders dan belanghebbende aanvoert, de Wet Mulder in dit geval niet van toepassing is. De auto van belanghebbende stond geparkeerd op een fiscale parkeerplaats. Het is toegestaan om hier (tegen voldoening van parkeerbelasting) te parkeren. Dit maakt dat geen sprake is van een Wet Mulder feit. De gronden die belanghebbende hieromtrent aanvoert treffen daarom geen doel.
3.9.
Daarnaast merkt de rechtbank op dat een naheffingsaanslag parkeerbelasting, anders dan belanghebbende veronderstelt, geen boete is in de zin van artikel 6 EVRM. De beroepsgrond van belanghebbende dat sprake is van een criminal charge als bedoeld in artikel 6 EVRM, faalt. Er is geen sprake van een boete in de zin van artikel 6 EVRM, maar van een objectieve belasting waarbij opzet en schuld geen rol spelen.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hof Den Haag 23 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2633.
Hoge raad 10 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:639.
Hoge Raad 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2412
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 april 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd (de naheffingsaanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen waren niet aanwezig.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 22 juli 2026 afgemeld voor de zitting.
1.5.
Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Belanghebbende is via het systeem Digitale Toegang op 9 juni 2026 om 13.44 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd, zodat deze doorgang kon vinden.
Feiten
2. De auto met kenteken [kenteken] stond op 6 augustus 2024 omstreeks 09:02 uur geparkeerd aan [locatie] te [plaats] . Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is door middel van een scanauto geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 63,95 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,30 en € 61,65 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag heeft opgelegd. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
3.2.
In geschil is of bij het opleggen van de naheffingsaanslag is gehandeld in strijd met artikel 6 en 8 van het Europese Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zodat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.
3.3.
Belanghebbende voert aan dat het gebruik van scanauto’s bij het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting in strijd is met artikel 8 EVRM, zodat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Het gebruik van scanauto’s heeft nauwelijks een wettelijke basis en bovendien is dit niet noodzakelijk en proportioneel, aldus belanghebbende. Daarnaast voert belanghebbende aan dat de Wet Mulder strijdig is met artikel 6 EVRM.
3.4.
De heffingsambtenaar stelt dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. De beroepsgronden van belanghebbende met betrekking tot artikel 6 en 8 EVRM en de Wet Mulder raken niet aan de rechtsgeldigheid van de naheffingsaanslag, aldus de heffingsambtenaar.
3.5.
De rechtbank overweegt als volgt. De gemeente Breda hanteert een kentekenparkeersysteem. Dit systeem houdt in dat voor de betaling van parkeerbelasting het kenteken dient te worden ingevoerd en dat voor de controle op de voldoening van parkeerbelasting gebruik wordt gemaakt van scanauto’s die de kentekens van geparkeerde auto’s scannen. Deze kentekengegevens worden tijdelijk bewaard om te controleren of de verschuldigde parkeerbelasting is betaald, dan wel is geparkeerd met een geldige vergunning. Is dit niet het geval dan wordt een naheffingsaanslag opgelegd.
3.6.
De rechtbank is in navolging van het Hof en de Hoge Raad van oordeel dat het gebruik van scanauto’s en het kentekenparkeersysteem door de heffingsambtenaar niet in strijd is met artikel 8 EVRM. In haar arrest van 10 april 2020 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het gebruik van het kentekenparkeersysteem bij het opleggen van de naheffingsaanslag een inmenging door de gemeente in het recht van een belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM oplevert. Deze inmenging dient bij wet te zijn voorzien. In artikel 1.3.1 onder a van het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen Breda 2023 (het Aanwijzingsbesluit), is opgenomen dat voldoening van parkeerbelasting wordt voldaan door middel van het invoeren van het kenteken. Gelet op de voormelde bepaling in het Aanwijzingsbesluit, die ook gold ten tijde van het belastbare feit, in samenhang met de artikelen 225 en 234, tweede lid, van de Gemeentewet, was ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag ten aanzien van de eis van opgave van het kenteken van het te parkeren voertuig voldaan aan de eis “bij wet voorzien” als bedoeld in artikel 8 EVRM.
3.7.
Nu belanghebbende niet heeft weersproken dat de auto op genoemde datum en tijdstip stond geparkeerd zonder de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting te betalen en er evenmin is geparkeerd met een geldige vergunning, is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd.
Wet Mulder
3.8.
De rechtbank merkt op dat, anders dan belanghebbende aanvoert, de Wet Mulder in dit geval niet van toepassing is. De auto van belanghebbende stond geparkeerd op een fiscale parkeerplaats. Het is toegestaan om hier (tegen voldoening van parkeerbelasting) te parkeren. Dit maakt dat geen sprake is van een Wet Mulder feit. De gronden die belanghebbende hieromtrent aanvoert treffen daarom geen doel.
3.9.
Daarnaast merkt de rechtbank op dat een naheffingsaanslag parkeerbelasting, anders dan belanghebbende veronderstelt, geen boete is in de zin van artikel 6 EVRM. De beroepsgrond van belanghebbende dat sprake is van een criminal charge als bedoeld in artikel 6 EVRM, faalt. Er is geen sprake van een boete in de zin van artikel 6 EVRM, maar van een objectieve belasting waarbij opzet en schuld geen rol spelen.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hof Den Haag 23 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2633.
Hoge raad 10 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:639.
Hoge Raad 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535.