Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8477
2026-09-02
Civiel recht; Arbeidsrecht
12018490/CV EXPL 25-6483 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Loonvordering. Werkgever heeft wel een conclusie van antwoord ingediend maar is niet verschenen op de mondelinge behandeling. De vordering van werknemer wordt grotendeels toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.397 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12018490 \ CV EXPL 25-6483
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. O. Lenselink,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [eenmanszaak 1],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
1.1.
[eiser] heeft op basis van een oproepovereenkomst werkzaamheden verricht voor [gedaagde] . [eiser] vordert betaling van achterstallig loon van [gedaagde] . Partijen hebben een geschil over het aantal uren dat [eiser] voor [gedaagde] heeft gewerkt. [eiser] vordert ook betaling van door hemzelf voorgeschoten brandstofkosten. Volgens [gedaagde] is er een tankpas beschikbaar binnen de onderneming, zodat dit niet kan kloppen.
1.2.
De kantonrechter wijst de loonvordering van [eiser] toe. De brandstofkosten worden grotendeels toegewezen. Dit oordeel wordt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ toegelicht. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten en het geschil geschetst. Tot slot volgt de beslissing van de kantonrechter.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 9,
de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7,
de brief van 11 maart 2026 van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, verzonden aan de (toenmalige) advocaten van partijen,
de e-mail van de advocaat van [gedaagde] van 16 juni 2026 waarin zij meldt dat zij zich onttrekt als gemachtigde van [gedaagde] ,
de op 20 augustus 2026 nagezonden productie 10 van [eiser] ,
de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
het door mr. Lenselink naar aanleiding van productie 10 opgestelde overzicht van ritten die [eiser] voor [gedaagde] heeft gereden, zoals tijdens de mondelinge behandeling aan de kantonrechter overhandigd.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[gedaagde] voert in opdracht van onder andere PostNL transportwerkzaamheden uit. Daarvoor beschikt [gedaagde] over eigen bussen en heeft zij werknemers op oproepbasis in dienst.
3.2.
De eenmanszaak van [gedaagde] is gevestigd te [plaats 2] aan [adres]. Op hetzelfde adres is [eenmanszaak 2] gevestigd, met als eigenaresse [persoon].
3.3.
[eiser] is op 5 december 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van een jaar in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van chauffeur. Het betreft een oproepovereenkomst. Het salaris bedraagt volgens de arbeidsovereenkomst € 13,68 bruto per uur, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.
3.4.
Per oproep wordt (ongeveer) 4 uur gewerkt.
3.5.
Bij brief van 31 juli 2025 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht om betaling van achterstallig loon over de periode van 5 december 2024 tot en met 23 maart 2025 van ruim 260 uur, kosten van voorgeschoten benzine (€ 1.000,00), voorgeschoten reparatiekosten (€ 1.000,00), vakantietoeslag en openstaande vakantiedagen. Ook maakte [eiser] aanspraak op de wettelijke verhoging en wettelijke rente.
3.6.
[gedaagde] heeft niet gereageerd op de brief. [eiser] heeft daarom een advocaat ingeschakeld.
3.7.
De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 22 augustus 2025 gesommeerd om over te gaan tot betaling van de verschuldigde bedragen.
3.8.
[gedaagde] heeft in haar reactie daarop van dezelfde datum aangegeven niet tot betaling te zullen overgaan, omdat zij [eiser] niet kent. Zij verzoekt om toezending van bewijs.
3.9.
Na toezending van de arbeidsovereenkomst van [eiser] schrijft [gedaagde] in een e-mail van 1 september 2026 dat [eiser] twee dagen heeft meegelopen met een andere chauffeur, dat hij op de derde (eerste zelfstandige) dag schade heeft veroorzaakt, waarna hij heeft aangegeven niet meer te willen werken. [gedaagde] vindt de beweringen van [eiser] ongeloofwaardig.
3.10.
[gedaagde] heeft de schade die volgens haar door [eiser] is veroorzaakt verrekend met het salaris dat aan [eiser] betaald zou moeten worden over de door hem gewerkte dagen, waarna per saldo volgens [gedaagde] een schuld van [eiser] aan [gedaagde] is ontstaan. [gedaagde] heeft geen aanspraak gemaakt op betaling.
4Het geschil
4.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 3.841,43 aan achterstallig loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, € 550,00 aan brandstofkosten en € 667,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Ook vordert [eiser] afgifte van loonstroken over de maanden december 2024 tot en met maart 2025, op straffe van een dwangsom. Tot slot vordert [eiser] een veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer bij conclusie van antwoord. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in (primair) de feitelijke kosten van deze procedure of (subsidiair) de proceskosten conform het liquidatietarief.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
[gedaagde] is zonder bericht niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling. De kantonrechter heeft geconstateerd dat [gedaagde] bij brief van 11 maart 2026 geïnformeerd is over de datum, tijd en locatie van de mondelinge behandeling. Deze brief is aan haar toenmalige advocaat toegezonden. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [gedaagde] ervoor gekozen heeft om niet op de mondelinge behandeling te verschijnen. De kantonrechter beoordeelt de vorderingen van [eiser] met inachtneming van het verweer zoals gevoerd in de conclusie van antwoord en dat wat tijdens de mondelinge behandeling door [eiser] naar voren is gebracht.
Achterstallig loon
5.2.
[eiser] stelt dat hij in de periode van 5 december 2024 tot en met 23 maart 2025 in totaal minimaal 260 uur voor [gedaagde] heeft gewerkt. Na 23 maart 2025 heeft [eiser] geen werkzaamheden meer verricht voor [gedaagde] , omdat hij ondanks herhaalde verzoeken geen betaling voor zijn werkzaamheden ontving. [gedaagde] voert bij conclusie van antwoord aan dat [eiser] in totaal slechts vier diensten heeft gewerkt, in totaal 16 uur: op 9 en 16 december 2024 met een andere chauffeur samen en op 23 en 30 december 2024 zelfstandig. Verder heeft hij kennelijk werkzaamheden verricht voor [eenmanszaak 2] van [persoon] (‘[persoon]’), waar de onderneming van [gedaagde] iets mee te maken heeft.
5.3.
[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering verschillende WhatsAppberichten uit een groepsapp ingediend. De leden van deze groepsapp waren [eiser] , [gedaagde] en [persoon]. [persoon] is volgens [eiser] de moeder van [gedaagde] . De berichten beginnen op 4 december 2024 en eindigen op 23 maart 2025. In de berichten worden nummers van routes en begin- en eindtijden gedeeld. Ook worden foto’s van een scanapparaat voor ritten en kassabonnen van tankstations verzonden. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de oproepen om werkzaamheden te verrichten zowel telefonisch als per WhatsApp werden gedaan door zowel [gedaagde] als [persoon]. Volgens [eiser] reed hij ook vaste routes, en werd hij gebeld door [gedaagde] of [persoon] als daarin iets veranderde. [eiser] was niet op de hoogte van het feit dat [persoon] kennelijk ook over een transportonderneming beschikt.
5.4.
De kantonrechter wijst de loonvordering toe. [eiser] heeft met de ingebrachte berichten voldoende gemotiveerd onderbouwd dat hij in de gestelde periode werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] . Vast staat dat per oproep ongeveer 4 uur werd gewerkt. Gelet op het aantal gereden ritten dat uit de WhatsApp berichten volgt, zoals opgelijnd door de advocaat van [eiser] , is de omvang van de loonvordering ook voldoende onderbouwd.
5.5.
Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] slechts vier diensten voor haar heeft gewerkt, wordt gelet op het voorgaande gepasseerd. Ook het verweer dat [eiser] werkzaamheden moet hebben verricht voor de transportonderneming van [persoon] slaagt niet: als onbesproken staat vast dat [eiser] een arbeidsovereenkomst had met [gedaagde] en zijn opdrachten kreeg via een gezamenlijke WhatsApp groep met zowel [gedaagde] als [persoon]. Nergens blijkt uit dat [eiser] ritten voor de onderneming van [persoon] heeft gereden.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
5.6.
De door [eiser] gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente over het achterstallige loon worden gewezen. Vast staat dat het loon geheel niet en dus niet tijdig is betaald, zodat voldaan wordt aan de voorwaarden voor toewijzing. Bovendien heeft [gedaagde] de vorderingen niet weersproken.
5.7.
De kantonrechter wijst een bedrag van € 1.920,72 bruto aan een wettelijke verhoging toe. In het petitum van de dagvaarding wordt weliswaar een bedrag van € 1.620,00 bruto genoemd, maar uit randnummer 21 van de dagvaarding blijkt duidelijk dat [eiser] daarbij een rekenfout heeft gemaakt en dat hij bedoelt 50% van het achterstallige loon te vorderen. Dit is ook het percentage dat uit de wet volgt.
Salarisspecificaties
5.8.
De vordering tot afgifte van salarisspecificaties over de maanden december 2024 en januari 2025 tot en met maart 2025 wordt toegewezen. Op grond van artikel 7:626 BW is de werkgever verplicht om een schriftelijke specificatie van het uitbetaalde loon te verstrekken.
5.9.
[eiser] heeft gevorderd om een dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van € 2.500,00 te verbinden aan deze veroordeling. De kantonrechter wijst deze vordering toe, nu gelet op de proceshouding van [gedaagde] getwijfeld kan worden aan vrijwillige nakoming.
Brandstofkosten
5.10.
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 550,00 aan brandstofkosten. Hij stelt dat hij de kosten van brandstof voor de bedrijfsbus heeft moeten voorschieten. Hij legt ter onderbouwing als productie 8 bij dagvaarding 20 kassabonnen over. [gedaagde] voert bij conclusie van antwoord aan dat de optelsom van de in het geding gebrachte kassabonnen leidt tot een totaal bedrag van € 511,96. [gedaagde] betwist dat deze kosten in het kader van werkzaamheden voor haar onderneming zijn gemaakt, nu de onderneming van [gedaagde] werkt met tankpassen. Zij legt als productie 7 bij conclusie van antwoord ter onderbouwing een declaratie van deze tankpassen over.
5.11.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat er slechts één tankpas beschikbaar was voor alle werknemers van [gedaagde] . [eiser] kreeg deze pas niet mee. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] tegen hem gezegd dat hij zelf moest betalen voor het tanken, en dat zij hem terug zou betalen.
5.12.
De kantonrechter wijst een bedrag van € 511,96 toe. [eiser] heeft met de ingebrachte kassabonnen (waarvan foto’s via WhatsApp zijn gestuurd naar [gedaagde] ) voldoende onderbouwd dat hij brandstofkosten heeft gemaakt. Met de toelichting tijdens de mondelinge behandeling ten aanzien van de tankpas heeft [eiser] het verweer van [gedaagde] voldoende weersproken. [eiser] heeft niet gereageerd op de betwisting van de hoogte van het gevorderde bedrag. Daarom wordt een bedrag van € 511,96 toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.13.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De vordering is ook niet weersproken door [gedaagde] . Het gevorderde bedrag van € 667,00 wordt toegewezen.
Proceskosten
5.14.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
954,00
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.841,43 bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 23 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW van € € 1.920,72 bruto,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eiser] van salarisspecificaties van de maanden december 2024, januari 2025, februari 2025 en maart 2025 binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.500,00,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 667,00 aan buitengerechtelijke kosten tegen behoorlijk bewijs van kwijting,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12018490 \ CV EXPL 25-6483
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. O. Lenselink,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [eenmanszaak 1],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
1.1.
[eiser] heeft op basis van een oproepovereenkomst werkzaamheden verricht voor [gedaagde] . [eiser] vordert betaling van achterstallig loon van [gedaagde] . Partijen hebben een geschil over het aantal uren dat [eiser] voor [gedaagde] heeft gewerkt. [eiser] vordert ook betaling van door hemzelf voorgeschoten brandstofkosten. Volgens [gedaagde] is er een tankpas beschikbaar binnen de onderneming, zodat dit niet kan kloppen.
1.2.
De kantonrechter wijst de loonvordering van [eiser] toe. De brandstofkosten worden grotendeels toegewezen. Dit oordeel wordt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ toegelicht. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten en het geschil geschetst. Tot slot volgt de beslissing van de kantonrechter.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 9,
de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7,
de brief van 11 maart 2026 van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, verzonden aan de (toenmalige) advocaten van partijen,
de e-mail van de advocaat van [gedaagde] van 16 juni 2026 waarin zij meldt dat zij zich onttrekt als gemachtigde van [gedaagde] ,
de op 20 augustus 2026 nagezonden productie 10 van [eiser] ,
de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
het door mr. Lenselink naar aanleiding van productie 10 opgestelde overzicht van ritten die [eiser] voor [gedaagde] heeft gereden, zoals tijdens de mondelinge behandeling aan de kantonrechter overhandigd.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[gedaagde] voert in opdracht van onder andere PostNL transportwerkzaamheden uit. Daarvoor beschikt [gedaagde] over eigen bussen en heeft zij werknemers op oproepbasis in dienst.
3.2.
De eenmanszaak van [gedaagde] is gevestigd te [plaats 2] aan [adres]. Op hetzelfde adres is [eenmanszaak 2] gevestigd, met als eigenaresse [persoon].
3.3.
[eiser] is op 5 december 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van een jaar in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van chauffeur. Het betreft een oproepovereenkomst. Het salaris bedraagt volgens de arbeidsovereenkomst € 13,68 bruto per uur, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.
3.4.
Per oproep wordt (ongeveer) 4 uur gewerkt.
3.5.
Bij brief van 31 juli 2025 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht om betaling van achterstallig loon over de periode van 5 december 2024 tot en met 23 maart 2025 van ruim 260 uur, kosten van voorgeschoten benzine (€ 1.000,00), voorgeschoten reparatiekosten (€ 1.000,00), vakantietoeslag en openstaande vakantiedagen. Ook maakte [eiser] aanspraak op de wettelijke verhoging en wettelijke rente.
3.6.
[gedaagde] heeft niet gereageerd op de brief. [eiser] heeft daarom een advocaat ingeschakeld.
3.7.
De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 22 augustus 2025 gesommeerd om over te gaan tot betaling van de verschuldigde bedragen.
3.8.
[gedaagde] heeft in haar reactie daarop van dezelfde datum aangegeven niet tot betaling te zullen overgaan, omdat zij [eiser] niet kent. Zij verzoekt om toezending van bewijs.
3.9.
Na toezending van de arbeidsovereenkomst van [eiser] schrijft [gedaagde] in een e-mail van 1 september 2026 dat [eiser] twee dagen heeft meegelopen met een andere chauffeur, dat hij op de derde (eerste zelfstandige) dag schade heeft veroorzaakt, waarna hij heeft aangegeven niet meer te willen werken. [gedaagde] vindt de beweringen van [eiser] ongeloofwaardig.
3.10.
[gedaagde] heeft de schade die volgens haar door [eiser] is veroorzaakt verrekend met het salaris dat aan [eiser] betaald zou moeten worden over de door hem gewerkte dagen, waarna per saldo volgens [gedaagde] een schuld van [eiser] aan [gedaagde] is ontstaan. [gedaagde] heeft geen aanspraak gemaakt op betaling.
4Het geschil
4.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 3.841,43 aan achterstallig loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, € 550,00 aan brandstofkosten en € 667,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Ook vordert [eiser] afgifte van loonstroken over de maanden december 2024 tot en met maart 2025, op straffe van een dwangsom. Tot slot vordert [eiser] een veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer bij conclusie van antwoord. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in (primair) de feitelijke kosten van deze procedure of (subsidiair) de proceskosten conform het liquidatietarief.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
[gedaagde] is zonder bericht niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling. De kantonrechter heeft geconstateerd dat [gedaagde] bij brief van 11 maart 2026 geïnformeerd is over de datum, tijd en locatie van de mondelinge behandeling. Deze brief is aan haar toenmalige advocaat toegezonden. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [gedaagde] ervoor gekozen heeft om niet op de mondelinge behandeling te verschijnen. De kantonrechter beoordeelt de vorderingen van [eiser] met inachtneming van het verweer zoals gevoerd in de conclusie van antwoord en dat wat tijdens de mondelinge behandeling door [eiser] naar voren is gebracht.
Achterstallig loon
5.2.
[eiser] stelt dat hij in de periode van 5 december 2024 tot en met 23 maart 2025 in totaal minimaal 260 uur voor [gedaagde] heeft gewerkt. Na 23 maart 2025 heeft [eiser] geen werkzaamheden meer verricht voor [gedaagde] , omdat hij ondanks herhaalde verzoeken geen betaling voor zijn werkzaamheden ontving. [gedaagde] voert bij conclusie van antwoord aan dat [eiser] in totaal slechts vier diensten heeft gewerkt, in totaal 16 uur: op 9 en 16 december 2024 met een andere chauffeur samen en op 23 en 30 december 2024 zelfstandig. Verder heeft hij kennelijk werkzaamheden verricht voor [eenmanszaak 2] van [persoon] (‘[persoon]’), waar de onderneming van [gedaagde] iets mee te maken heeft.
5.3.
[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering verschillende WhatsAppberichten uit een groepsapp ingediend. De leden van deze groepsapp waren [eiser] , [gedaagde] en [persoon]. [persoon] is volgens [eiser] de moeder van [gedaagde] . De berichten beginnen op 4 december 2024 en eindigen op 23 maart 2025. In de berichten worden nummers van routes en begin- en eindtijden gedeeld. Ook worden foto’s van een scanapparaat voor ritten en kassabonnen van tankstations verzonden. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de oproepen om werkzaamheden te verrichten zowel telefonisch als per WhatsApp werden gedaan door zowel [gedaagde] als [persoon]. Volgens [eiser] reed hij ook vaste routes, en werd hij gebeld door [gedaagde] of [persoon] als daarin iets veranderde. [eiser] was niet op de hoogte van het feit dat [persoon] kennelijk ook over een transportonderneming beschikt.
5.4.
De kantonrechter wijst de loonvordering toe. [eiser] heeft met de ingebrachte berichten voldoende gemotiveerd onderbouwd dat hij in de gestelde periode werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] . Vast staat dat per oproep ongeveer 4 uur werd gewerkt. Gelet op het aantal gereden ritten dat uit de WhatsApp berichten volgt, zoals opgelijnd door de advocaat van [eiser] , is de omvang van de loonvordering ook voldoende onderbouwd.
5.5.
Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] slechts vier diensten voor haar heeft gewerkt, wordt gelet op het voorgaande gepasseerd. Ook het verweer dat [eiser] werkzaamheden moet hebben verricht voor de transportonderneming van [persoon] slaagt niet: als onbesproken staat vast dat [eiser] een arbeidsovereenkomst had met [gedaagde] en zijn opdrachten kreeg via een gezamenlijke WhatsApp groep met zowel [gedaagde] als [persoon]. Nergens blijkt uit dat [eiser] ritten voor de onderneming van [persoon] heeft gereden.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
5.6.
De door [eiser] gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente over het achterstallige loon worden gewezen. Vast staat dat het loon geheel niet en dus niet tijdig is betaald, zodat voldaan wordt aan de voorwaarden voor toewijzing. Bovendien heeft [gedaagde] de vorderingen niet weersproken.
5.7.
De kantonrechter wijst een bedrag van € 1.920,72 bruto aan een wettelijke verhoging toe. In het petitum van de dagvaarding wordt weliswaar een bedrag van € 1.620,00 bruto genoemd, maar uit randnummer 21 van de dagvaarding blijkt duidelijk dat [eiser] daarbij een rekenfout heeft gemaakt en dat hij bedoelt 50% van het achterstallige loon te vorderen. Dit is ook het percentage dat uit de wet volgt.
Salarisspecificaties
5.8.
De vordering tot afgifte van salarisspecificaties over de maanden december 2024 en januari 2025 tot en met maart 2025 wordt toegewezen. Op grond van artikel 7:626 BW is de werkgever verplicht om een schriftelijke specificatie van het uitbetaalde loon te verstrekken.
5.9.
[eiser] heeft gevorderd om een dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van € 2.500,00 te verbinden aan deze veroordeling. De kantonrechter wijst deze vordering toe, nu gelet op de proceshouding van [gedaagde] getwijfeld kan worden aan vrijwillige nakoming.
Brandstofkosten
5.10.
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 550,00 aan brandstofkosten. Hij stelt dat hij de kosten van brandstof voor de bedrijfsbus heeft moeten voorschieten. Hij legt ter onderbouwing als productie 8 bij dagvaarding 20 kassabonnen over. [gedaagde] voert bij conclusie van antwoord aan dat de optelsom van de in het geding gebrachte kassabonnen leidt tot een totaal bedrag van € 511,96. [gedaagde] betwist dat deze kosten in het kader van werkzaamheden voor haar onderneming zijn gemaakt, nu de onderneming van [gedaagde] werkt met tankpassen. Zij legt als productie 7 bij conclusie van antwoord ter onderbouwing een declaratie van deze tankpassen over.
5.11.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat er slechts één tankpas beschikbaar was voor alle werknemers van [gedaagde] . [eiser] kreeg deze pas niet mee. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] tegen hem gezegd dat hij zelf moest betalen voor het tanken, en dat zij hem terug zou betalen.
5.12.
De kantonrechter wijst een bedrag van € 511,96 toe. [eiser] heeft met de ingebrachte kassabonnen (waarvan foto’s via WhatsApp zijn gestuurd naar [gedaagde] ) voldoende onderbouwd dat hij brandstofkosten heeft gemaakt. Met de toelichting tijdens de mondelinge behandeling ten aanzien van de tankpas heeft [eiser] het verweer van [gedaagde] voldoende weersproken. [eiser] heeft niet gereageerd op de betwisting van de hoogte van het gevorderde bedrag. Daarom wordt een bedrag van € 511,96 toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.13.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De vordering is ook niet weersproken door [gedaagde] . Het gevorderde bedrag van € 667,00 wordt toegewezen.
Proceskosten
5.14.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
954,00
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.841,43 bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 23 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW van € € 1.920,72 bruto,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eiser] van salarisspecificaties van de maanden december 2024, januari 2025, februari 2025 en maart 2025 binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.500,00,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 667,00 aan buitengerechtelijke kosten tegen behoorlijk bewijs van kwijting,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.