Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8286

2026-08-28 Civiel recht; Arbeidsrecht 12196738 AZ VERZ 26-29 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
12196738 AZ VERZ 26-29 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1480; AR-Updates.nl 2026-1480; Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/306

Inhoudsindicatie

Werkgever verleent werknemer ontslag op staande voet vanwege een bedreigende opmerking van werknemer bij het verlaten van het pand, nadat zij op non-actief was gesteld. Voor het ontslag moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Er is niet gebleken dat werkgever de klachten over werknemer met haar heeft gedeeld vóór de non-actiefstelling. De kantonrechter gaat ervan uit dat de non-actiefstelling voor werknemer uit het niets kwam. Invoelbaar is dat dit werknemer raakte en dat zij uit emotie handelde toen zij haar bedreigende opmerking maakte. Ook weegt mee als verzachtende omstandigheid dat de persoon aan wie de bedreiging was gericht, er niet bij was en dat anderen het niet hebben gehoord. Alles afwegende is de opmerking onacceptabel, maar het is invoelbaar dat werknemer uit emotie een keer over de schreef is gegaan. Dat maakt dat de opmerking in het totale beeld bezien niet dermate zwaarwegend is om een dringende reden voor een ontslag op staande voet op te leveren.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.560 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Middelburg



Zaaknummer / rekestnummer: 12196738 \ AZ VERZ 26-29




Beschikking van 28 augustus 2026




in de zaak van





[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. F.J.M. Huismans,



tegen





[werkgever 1] B.V.,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever 1] ,
gemachtigde: mr. R.R. Surquin.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 12;
- het zelfstandig tegenverzoek;
- het verweerschrift met producties 1 en 2;
- de brief van mr. Surquin van 28 juli 2026 met productie 3;
- de mondelinge behandeling van 31 juli 2026.



1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.

[werknemer] is sinds 5 februari 2024 in dienst van [werkgever 1] . Haar laatste functie was die van administratief medewerker financiën, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.



2.2.
Bij e-mail van 26 februari 2026 heeft [werkgever 1] [werknemer] op non-actief gesteld. In de e-mail heeft zij aan [werknemer] gemeld dat de redenen daarvoor zijn: 1. schending geheimhouding en delen van vertrouwelijke informatie, 2. Opzettelijke sabotage en ondermijning van collega’s, 3. pesten, intimidatie en sociale uitsluiting, 4. ernstig disfunctioneren en nalatigheid in de werkzaamheden en 5. overige meldingen. [persoon] , manager Digital and IT operations bij [werkgever 1] , is vervolgens naar [werknemer] werkplek gegaan. Hij heeft de bedrijfsmiddelen die [werknemer] in gebruik had, ingenomen en haar begeleid naar de uitgang van het pand van [werkgever 1] .



2.3.
Later die dag heeft [werkgever 1] bij WhatsAppbericht [werknemer] op staande voet ontslagen. In het bericht staat:



“Beste [werknemer] ,





Hierbij delen wij je mede dat de directie van [werkgever 1] B.V. heeft besloten je met onmiddellijke ingang op staande voet te ontslaan.





Aanleiding: ernstige bedreiging van een collega





Dit ontslag volgt naar aanleiding van een uiterst ernstige en onacceptabele gedraging die zich vandaag, 26 februari 2026, heeft voorgedaan.





Nadat je zojuist het bedrijfspand had verlaten, heb je om 15:41 uur in het bijzijn van een collega door de gang geroepen, nagenoeg letterlijk:





"Als ik haar nu tegenkom dan maak ik haar af, zeg dat maar tegen haar."





Met deze uitlating doelde je expliciet op [collega] , met wie je een lopend conflict hebt.





Deze uitlating kwalificeren wij als een ernstige bedreiging met geweld jegens een collega. Dit gedrag is volstrekt ontoelaatbaar, intimiderend en heeft een grote impact gehad op het gevoel van veiligheid van deze collega en binnen de organisatie.





(…)”







3Het geschil



Het verzoek




3.1.

[werknemer] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen en om [werkgever 1] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Ook verzoekt zij om [werkgever 1] te veroordelen tot betaling van een saldo aan tijd-voor-tijd uren, wettelijke rente, incassokosten en tot verstrekking van een eindafrekening, op straffe van een dwangsom. Tot slot verzoekt zij om [werkgever 1] te veroordelen in de proceskosten en om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.

[werknemer] heeft het volgende ten grondslag gelegd aan haar verzoeken. Zij stelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven omdat de dringende reden daarvoor ontbreekt. Zij maakt aanspraak op vergoedingen die verband houden met het niet-rechtsgeldige ontslag. Verder stelt zij dat [werkgever 1] heeft nagelaten om een saldo aan tijd-voor-tijd uren te betalen.



3.3.

[werkgever 1] voert verweer.



Het tegenverzoek





3.4.

[werkgever 1] verzoekt de kantonrechter om [werknemer] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de wettelijke rente. Daarnaast verzoekt zij om [werknemer] te veroordelen in de proceskosten en om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.5.

[werkgever 1] heeft aan haar verzoeken ten grondslag gelegd dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, zodat [werknemer] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd is.



3.6.

[werknemer] voert verweer.



Het verzoek en het tegenverzoek





3.7.
Op de standpunten van partijen zal – voor zover van belang – onder de beoordeling worden ingegaan.





4De beoordeling



Het verzoek en het tegenverzoek





Productie 3 van [werkgever 1]



4.1.

[werknemer] heeft bezwaar gemaakt tegen de indiening van productie 3 door [werkgever 1] . Zij stelt dat de indiening van productie 3 in strijd is met de goede procesorde, omdat die te laat is ingediend.



4.2.
De kantonrechter verwerpt dit bezwaar. Op grond van artikel 3.3.6 van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter (versie 1 juli 2025) moeten nadere stukken uiterlijk vijf kalenderdagen voor de dag van de mondelinge behandeling worden ingediend, met gelijktijdige toezending van een afschrift aan de andere partij. De kantonrechter kan stukken die na deze termijn worden ingediend, buiten beschouwing laten. In deze zaak heeft [werkgever 1] productie 3 op 28 juli 2026 ingediend voor de mondelinge behandeling op 31 juli 2026. Dat is na de termijn van vijf dagen vóór de mondelinge behandeling. De kantonrechter zal productie 3 toch betrekken bij de beoordeling van de zaak. Het gaat om drie foto’s: één foto met [werknemer] bij een auto met een open portier in een parkeervak, en twee foto’s van diezelfde auto in een parkeervak. [werknemer] heeft voldoende gelegenheid gehad vanaf 28 juli 2026 om de foto’s te beoordelen en daarop te reageren op de mondelinge behandeling. Zij heeft die gelegenheid ook benut op de mondelinge behandeling. Zo heeft zij toegelicht dat zij bij de [werkgever 2] heeft geparkeerd omdat zij er werkte. [werknemer] is niet benadeeld in haar belangen door het indienen van productie 3 door [werkgever 1] na de termijn van vijf dagen. Er is op dit onderdeel geen strijd met de goede procesorde.






Het verzoek





Ontslag op staande voet




4.3.
Een ontslag op staande voet is een uiterst middel om een arbeidsovereenkomst te beëindigen gelet op de grote (financiële) gevolgen daarvan voor de werknemer. Een ontslag op staande voet is daarom alleen geldig als daarvoor een dringende reden aanwezig is en het ontslag onverwijld is gegeven onder onverwijlde mededeling van de dringende reden aan de wederpartij (artikel 7:677 lid 1 BW).



4.4.
Voor de werkgever wordt als dringende reden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BW). In de wet staan een aantal voorbeelden die een dringende reden kunnen opleveren, waaronder wanneer de werknemer de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt (artikel 7:678 lid 2 aanhef en sub e BW).



Dringende reden




4.5.

[werkgever 1] heeft de dringende reden bij het ontslag gegrond op een ernstig dreigement van [werknemer] aan haar [collega] bij het verlaten van het pand op 26 februari 2026 in de vorm van de opmerking of een vergelijkbare opmerking:



"Als ik haar nu tegenkom dan maak ik haar af, zeg dat maar tegen haar."





4.6.

[werknemer] voert aan dat zij heeft gezegd:



“Ik moet haar niet tegen komen want ik maak haar af, zeg dat maar.”




Zij betwist dat haar opmerking was gericht aan [collega] of aan een ander specifiek persoon.




4.7.
De kantonrechter oordeelt dat zowel de opmerking volgens [werkgever 1] als die volgens [werknemer] bedreigend is. Wie van partijen gelijk heeft ten aanzien van wat er exact is gezegd, kan daarom in het midden blijven. [werknemer] voert aan dat haar opmerking niet was gericht aan een specifiek persoon. Daarin wordt zij niet gevolgd. Het had op [werknemer] weg gelegen toe te lichten wat zij dan wel met haar opmerking bedoelde en wie zij met “haar” bedoelde. Dat duidt op een specifiek persoon. Een toereikende toelichting van [werknemer] ontbreekt. De kantonrechter gaat ervan uit dat [werknemer] met haar opmerking [collega] bedoelde. Namens [werknemer] is op de mondelinge behandeling erkend dat zij eerder een confrontatie had met [collega] over roddelen (zie randnummer 6 van de spreekaantekeningen van mr. Huismans). Confrontaties of conflicten met andere collega’s waren er niet, volgens [werknemer] .



4.8.
De bedreigende opmerking van [werknemer] is onacceptabel, zowel op de werkvloer als daarbuiten. In beginsel kan zo’n opmerking een dringende reden voor een ontslag op staande voet opleveren volgens de voorbeelden in de wet (zie punt 4.4.). Voor een ontslag op staande voet moet evenwel rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het is van belang dat de opmerking van [werknemer] in het juiste licht wordt bezien.



4.9.
In dat verband voert [werknemer] aan zij door de non-actief stelling op 26 februari 2026 werd verrast omdat zij tot dat moment niet bekend was met klachten over haar, en zij daardoor uit emotie haar opmerking maakte. Daartegenover voert [werkgever 1] aan dat de opmerking van [werknemer] niet op zichzelf staat, maar de druppel was die de emmer deed overlopen. [werkgever 1] licht toe dat zij vóór 26 februari 2026 regelmatig klachten van diverse collega’s en klanten ontving over de samenwerking met [werknemer] , dat zij die klachten ook heeft besproken met [werknemer] en dat dit in e-mails is vastgelegd.



4.10.
De kantonrechter oordeelt dat uit de door [werkgever 1] overgelegde verklaringen volgt dat diverse collega’s negatief zijn over de samenwerking met [werknemer] (productie 1 van [werkgever 1] ). Echter in geen van die verklaringen staat of [werkgever 1] de klachten ook met [werknemer] heeft besproken vóór 26 februari 2026. [werkgever 1] heeft de beweerdelijke e-mails van vóór 26 februari 2026 over gesprekken met [werknemer] naar aanleiding van klachten ook niet overgelegd. Evenmin heeft zij een toelichting gegeven op de beweerdelijke gesprekken met [werknemer] door te concretiseren op welke momenten zij dan met [werknemer] heeft gesproken en wat toen is besproken. Zij stelt onvoldoende over e-mails aan [werknemer] en gesprekken met [werknemer] over de samenwerking van vóór 26 februari 2026. Aan het bewijsaanbod van [werkgever 1] op dit onderdeel wordt daarom niet toegekomen. Dat de klachten over de samenwerking vóór 26 februari 2026 zijn besproken of gedeeld door [werkgever 1] met [werknemer] , is dus niet komen vast te staan. De kantonrechter gaat ervan uit dat de non-actiefstelling daarom uit het niets kwam voor [werknemer] . Invoelbaar is dat dit [werknemer] raakte en dat zij uit emotie handelde toen zij haar dreigende opmerking over [collega] maakte. Daarbij weegt nog mee als verzachtende omstandigheid dat [werknemer] de opmerking tegen [persoon] maakte toen zij samen met hem naar de uitgang van het pand liep. Daar was niemand anders bij. Dat hoefde dus niet tot angst bij [collega] of andere collega’s te leiden. Anders dan [werkgever 1] heeft vermeld in het ontslagbericht, blijkt uit de camerabeelden dat [werknemer] haar opmerking niet heeft geroepen maar dat zij praatte op een normaal volume met [persoon] (productie 9 van [werknemer] ).



4.11.
De opmerking van [werknemer] blijft evengoed onacceptabel, maar het is invoelbaar dat zij uit emotie een keer over de schreef is gegaan. Dat maakt dat de opmerking in het totale beeld bezien niet dermate zwaarwegend is om een dringende reden te vormen voor een ontslag op staande voet. Dat is het uiterste middel in het arbeidsrecht. Een minder vergaande sanctie was op zijn plaats geweest.



4.12.
Of de klachten van de collega’s over de samenwerking met [werknemer] terecht zijn, kan verder in het midden blijven. [werkgever 1] heeft de samenwerking met collega’s namelijk niet ten grondslag gelegd aan het ontslag in het bericht van 26 februari 2026. Volgens vaste rechtspraak bepalen de bij het ontslag aangevoerde gronden het debat bij de rechter (Hoge Raad 2 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1953). Het moet bij het ontslag direct duidelijk zijn wat een partij als dringende reden voor het ontslag aanmerkt en waartegen de andere partij zich dient te verweren.



4.13.
Omdat een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbreekt, is het ontslag niet rechtsgeldig gegeven.



Onregelmatige opzegging




4.14.
Omdat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven, is het een onregelmatige opzegging. [werkgever 1] is daarvoor aan [werknemer] een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd, gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren (artikel 7:672 lid 11 BW). Bij regelmatige opzegging – met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van een maand, tegen het einde van de maand (artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst (productie 3 van [werknemer] ) en artikel 7:672 lid 2 aanhef en sub a BW) – had de arbeidsovereenkomst voortgeduurd tot en met 31 maart 2026. [werknemer] heeft de gefixeerde schadevergoeding – onweersproken – berekend op € 4.304,57 bruto. Dat bedrag zal worden toegewezen.



Transitievergoeding




4.15.

Vanwege de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is [werkgever 1] een transitievergoeding verschuldigd, aan de hand van het – onweersproken – loon van
€ 3.888,00 bruto per maand en een dienstverband dat bij een regelmatige opzegging op 1 april 2026 zou eindigen. De door [werknemer] verzochte transitievergoeding van € 2.684,32 bruto komt de kantonrechter juist voor. Dat bedrag zal worden toegewezen.




Billijke vergoeding




4.16.
Omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, is [werkgever 1] in beginsel een billijke vergoeding verschuldigd (artikel 7:681 lid 1 sub a BW). Het geven van een niet-rechtsgeldig ontslag is als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever aan te merken. Voor de billijke vergoeding gaat het erom dat [werknemer] wordt gecompenseerd voor het verlies van de waarde van de arbeidsovereenkomst.



4.17.
Daarvoor stelt [werknemer] dat zij inkomsten mist, berekend op 29 maanden haar loon van € 3.888,00 bruto, waarop in mindering strekt een WW-uitkering van 2 maanden 75% van het laatste loon en daarna 22 maanden 70% van het loon, hetgeen uitkomt op een inkomensverlies van € 47.044,80 bruto. Daarin wordt zij niet gevolgd. [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij al drie weken ander werk heeft, namelijk bij [werkgever 2]. De kantonrechter gaat ervan uit dat [werknemer] bij [werkgever 2] niet minder loon ontvangt dan bij [werkgever 1] . Een toelichting dat dit anders is, heeft [werknemer] niet gegeven. Het gemiste loon loopt dus vanaf het ontslag op 26 februari 2026 tot drie weken vóór de mondelinge behandeling op 31 juli 2026, derhalve tot 10 juli 2026. Echter [werknemer] komt al een gefixeerde schadevergoeding toe vanwege de onregelmatige opzegging, gelijk aan het loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging op 1 april 2026 (zie punt 4.14.). Het inkomensverlies is dus al voor een deel gedekt door die gefixeerde schadevergoeding. De gemiste inkomsten zien op de periode van 1 april 2026 tot 10 juli 2026. Dat komt neer op € 12.918,19 bruto ((3 maanden * € 3.888,00 bruto) + (10/31 maand * € 3.888,00 bruto)). Daarop strekt in mindering de WW-uitkering voor die periode waarop [werknemer] recht heeft volgens haar berekening. Aan de hand van die berekening komt de WW-uitkering uit op € 9.431,54 bruto ((2 maanden * 0,75 * € 3.888,00 bruto) + (1 maand * 0,70 * € 3.888,00 bruto) + (10/31 maand * 0,70 * € 3.888,00 bruto)). Het inkomensverlies komt uit op € 3.486,65 bruto (€ 12.918,19 - € 9.431,54).



4.18.
Omdat het bij de billijke vergoeding gaat om een schatting en het naar haar aard in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, rondt de kantonrechter met inachtneming van het bovenstaande de billijke vergoeding af op een bedrag van € 3.500,00 bruto.



Tijd-voor-tijd uren




4.19.
Het verzoek tot betaling van een saldo van 10,5 tijd-voor-tijd uren ad € 218,09 bruto is niet weersproken. Die zal worden toegewezen.



Buitengerechtelijke incassokosten




4.20.

De verzochte vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is niet weersproken. Die zal worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. Ingevolge de aanbevelingen in het rapport BGK-Integraal 2013 zal berekend over een hoofdsom van
€ 10.706,98 en conform de staffel in artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassowerkzaamheden een redelijk bedrag van € 1.067,30 aan incassokosten worden toegewezen.




Rente




4.21.
Het verzoek tot betaling van rente zal worden toegewezen. Bij gebreke van een onderbouwing zal de rente worden toegewezen vanaf veertien dagen na aanschrijving tot betaling van de toegewezen bedragen.



Eindafrekening




4.22.
Vanwege het beëindigen van de arbeidsovereenkomst heeft [werknemer] recht op een eindafrekening. Het verzoek daartoe zal worden toegewezen.



4.23.
De daaraan verbonden dwangsom zal worden afgewezen. [werknemer] heeft geen onderbouwing gegeven waarom [werkgever 1] niet zal meewerken aan een veroordeling tot het verstrekken van een eindafrekening. [werknemer] stelt op dit onderdeel onvoldoende.



Proceskosten




4.24.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever 1] , omdat [werkgever 1] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.



Het tegenverzoek





4.25.
Zoals hierboven is geoordeeld, heeft [werkgever 1] het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven. Haar verzoeken zullen worden afgewezen.



4.26.
De proceskosten voor het tegenverzoek komen voor rekening van [werkgever 1] , omdat [werkgever 1] ongelijk krijgt. De proceskosten voor het tegenverzoek aan de zijde van [werknemer] worden vastgesteld op nihil, omdat niet is gebleken van meer kosten voor [werknemer] voor de behandeling van het tegenverzoek.





5De beslissing


De kantonrechter




Het verzoek




5.1.

veroordeelt [werkgever 1] tot betaling aan [werknemer] van een billijke vergoeding van
€ 3.500,00 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe,




5.2.

veroordeelt [werkgever 1] tot betaling aan [werknemer] van een transitievergoeding van
€ 2.684,32 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe,




5.3.
veroordeelt [werkgever 1] tot betaling aan [werknemer] van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 4.304,57 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe,



5.4.
veroordeelt [werkgever 1] tot betaling aan [werknemer] van een saldo van 10,5 tijd-voor-tijd uren ad € 218,09 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe,



5.5.
veroordeelt [werkgever 1] binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan [werknemer] een deugdelijke specificatie van de eindafrekening te verstrekken,



5.6.
veroordeelt [werkgever 1] tot betaling aan [werknemer] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.067,30, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe,



5.7.
veroordeelt [werkgever 1] in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



5.8.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.9.
wijst het meer of anders verzochte af,



Het tegenverzoek





5.10.
wijst de verzoeken af,



5.11.
veroordeelt [werkgever 1] in de proceskosten van nihil.









Deze beschikking is gegeven door mr. Van Spronssen en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.