Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8201

2026-08-25 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/4770 en 25/4771
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
BRE 25/4770 en 25/4771
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1857

Inhoudsindicatie

De rechtbank laat de correcties van het resultaat uit overige werkzaamheid in stand, die zijn gemaakt vanwege de inkomsten die belanghebbende heeft genoten en zijn betrokkenheid bij het samenwerkingsverband. De rechtbank beoordeelt tevens de opgelegde boetes.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (56.773 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummers: BRE 25/4770 en 25/4771


uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 augustus 2026 in de zaken tussen





[belanghebbende] , domicilie kiezende in Rotterdam, belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 15 maart 2024.



1.1.
De inspecteur heeft over de jaren 2018 en 2019 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) aan belanghebbende opgelegd. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur boetes aan belanghebbende opgelegd en belastingrente aan hem in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:














Zaaknr.




Jaar




Soort




Dagtekening




Aanslagnummer




Belasting




Boete




Rente





25/4770


2018


IB/PVV


24-11-2022



[aanslagnummer] H.87.01


€ 137.881


€ 68.131


€ 17.626




25/4771


2019


IB/PVV


21-01-2023



[aanslagnummer] H.97.01


€ 84.234


€ 41.651


€ 7.971








1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 gegrond verklaard en de boete verminderd tot € 20.825 en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.



1.3.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de onder 1.1 genoemde navorderingsaanslagen en beschikkingen ongegrond verklaard.



1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] , ter bijstand vergezeld van mr. [inspecteur 3] . Een afschrift van het proces-verbaal van deze zitting is aan deze uitspraak gevoegd.




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 alsmede de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 en bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld. De boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 zijn ook terecht aan belanghebbende opgelegd, maar moeten worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten


3. Belanghebbende stond in de periode van 20 maart 2018 tot en met 17 augustus 2020 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op adressen in Nederland.



3.1.
Met ingang van 16 april 2018 had belanghebbende een onderneming, [onderhoudsbedrijf] (het klusbedrijf). De aangiften omzetbelasting werden met ingang van het vierde kwartaal van het jaar 2018 verzorgd door de boekhouder van belanghebbende.



3.2.
De omzet van de onderneming bedroeg volgens de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in het jaar 2018 in totaal € 23.296 en over de tijdvakken gelegen in het jaar 2019 in totaal € 20.185.



3.3.
In de jaren 2018 en 2019 hebben 5 auto’s op naam van belanghebbende gestaan.



3.4.
Ultimo 2019 had belanghebbende een belastingschuld van € 3.739 en een hypothecaire lening van € 11.508.



Start strafrechtelijke onderzoeken




3.5.
De politie eenheid Oost-Brabant is vanaf februari 2017 meerdere opsporingsonderzoeken gestart die onderling met elkaar samenhangen. Het gaat om de onderzoeken Calabrese, Garborone, Sjingan, Abuja, Workington, Maputo, Parmer en Accrington. De paraplubenaming voor deze onderzoeken is Project Noord, later Calabrese. Aan de start van deze strafrechtelijke onderzoeken ligt informatie uit een ander strafrechtelijk onderzoek, genaamd Debussy, ten grondslag. Uit het onderzoek Debussy is bij de politie het vermoeden ontstaan dat diverse personen in georganiseerd verband actief bezig waren met de handel in en/of productie van verdovende middelen (hierna: het samenwerkingsverband). Belanghebbende is in het strafrechtelijk onderzoek aangemerkt als een van de personen betrokken bij het samenwerkingsverband.



3.6.
In het Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC) is in 2018 onder de [naam] een casus naar personen binnen het samenwerkingsverband gestart wegens het vermoeden van strafbare feiten.



Aangiften IB/PVV 2018 en 2019




3.7.
De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd en herinnerd om aangiften IB/PVV te doen over de jaren 2018 en 2019. Voor het jaar 2019 is belanghebbende tevens aangemaand. Belanghebbende heeft voor de jaren 2018 en 2019 geen aangiften IB/PVV gedaan.



3.8.
De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019 ambtshalve vastgesteld voor beide jaren naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.000 en – voor het jaar 2019 – naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.



Boekenonderzoek




3.9.
De Belastingdienst heeft in juni 2020 de beschikking gekregen over het digitale strafdossier dat is aangelegd voor belanghebbende om dit dossier te beoordelen op fiscale componenten.



3.10.
De inspecteur heeft op 2 februari 2021 de Officier van Justitie verzocht om aan hem op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gegevens en inlichtingen uit de strafrechtelijk onderzoeken Calabrese te verstrekken met het oog op de beoordeling van de belastingaangiften van belanghebbende (de artikel 55 AWR-verzoeken).



3.11.
De inspecteur heeft bij brief van 25 april 2022 aan belanghebbende aangekondigd een onderzoek te starten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019.



3.12.

De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat bij brief van 24 augustus 2022 aan belanghebbende is gestuurd. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“
3.2.1 Voorbereiding fiscaal onderzoek


(…)


Het strafdossier Calabrese is doorgenomen op activiteiten uitgevoerd door belastingplichtige. Daar vielen voorshands enkele zaken op:


• Belastingplichtige verklaart tegenover [persoon 1] dat hij € 2.500 per maand verdiende.



[persoon 1] : ..OVP.. als 1700 dan niet is dan kan de loods voor 7 en half en euh 1000 euro loods zet maar in het contract neer..OVW.. Hoeveel heb je in de maand?



[belanghebbende] : tweeënhalve rug”




En:

“3
.3 Verklaringen en vaststellingen uit inleidend gesprek


(…)


Belastingplichtige heeft ons in het inleidend gesprek (…) onder andere het volgende verteld over zijn onderneming:


• binnen de onderneming verricht hij allerlei voorkomende werkzaamheden in de bouw zoals metselen, timmeren, opperen maar ook het aansturen van mensen, voornamelijk van buitenlandse afkomst die de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn;


• hij werkt met name voor [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ) en in mindere mate voor [bedrijf 2] ;


• doorgaans werd gewerkt tegen een uurtarief van € 25;


• door belastingplichtige werd geen administratie bijgehouden anders dan de door hem opgemaakte verkoopfacturen. Hij werkte doorgaans 8 uur per dag gedurende een volle werkweek;


• hij had nauwelijks kosten omdat hij vrijwel geen werk voor eigen rekening verrichtte;


• hij heeft een aantal losse klussen verricht voor mensen van [onderneming] in [plaats 1] , te weten het maken van een fundering, het plaatsen van een hek, timmerwerk en elektra aangelegd. Daarnaast heeft hij timmerwerk voor de sishalounge gedaan. Totaal ging het om ongeveer € 4.500. (…).


• hij vervoerde zich meestal met auto’s die op naam stonden van [bedrijf 1] .”




En:

“
6 RIEC casus [naam]


(…)




6.2


Calabrese


(…)


Fiscale insteek


Bij de berekening van het nadeel wordt uitgegaan van de inkoopbedragen en investeringen in goederen, producten en diensten door het crimineel samenwerkingsverband en niet van de eventuele verdiensten c.q. winsten. Daar waar onduidelijkheid bestaat over de omvang van de goederen en producten en / of de financiële tegenwaarde van deze goederen en producten is gekozen voor de laagst te stellen waarde(n). We gaan dus uit van de minimale positie.





Wij stellen ons op het standpunt dat het csv inkomsten moet hebben gegenereerd om de gemaakte kosten en investeringen te hebben kunnen doen. Deze bedragen worden als correctiebedragen benoemd.





Om bepaalde fiscale nadeelberekeningen te kunnen maken is onderzoek in het strafdossier én in openbare bronnen gedaan om minimale (aankoop) bedragen te duiden. Voor de volgende zaken zijn berekeningen gemaakt:


Eén kilogram cocaïne (document: Berekening inkoopprijs cocaïne.docx)
bijlage 6-01


Eén kilogram apaan (document: Berekening inkoopkosten Apaan.docx)
bijlage 6-02


Eén xtc pil (document: Berekening inkoopprijs xtc-pillen.docx)
bijlage 6-03


Eén kilogram cannabis (document: Berekening inkoopkosten cannabis.docx)
bijlage 6-04


Invoer één container (document: Berekening kosten invoer container uit Zuid


Amerika.docx)
bijlage 6-05





Het strafrechtelijk onderzoek Calabrese omvat de volgende delicten:


(…)




6.3.

Fiscale recapitulatie strafrechtelijke zaakdossiers









NB: De leden van het csv zijn door de politie in bovenstaande strafzaken gehoord. Géén van de leden van het csv heeft een inhoudelijke verklaring afgelegd. Iedereen beroept zich op het zwijgrecht.”




En:

“
7 Fiscaal onderzoek inkomsten en uitgaven csv


In dit hoofdstuk van de rapportage zal een opsomming gegeven worden van fiscaal onderzoek in strafrechtelijke vastleggingen zoals die in meerdere digitale bestanden hebben plaatsgevonden. Deze vergaarde informatie staat dus los van hetgeen reeds in het strafdossier Calabrese aan de orde is geweest in hoofdstuk 6 van dit rapport. Ondergetekenden hebben onderkend dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van dubbeltellingen. Er is bij de inhoudelijke beoordeling gelet op het voorkomen van dubbeltellingen. In voorkomende gevallen is het fiscale nadeel in de fiscale beoordeling van strafdossier Calabrese opgenomen, zie hoofdstuk 6.






Diverse kosten en investeringen

In dit fiscaal onderzoek is ervoor gekozen de
uitgaven
en investeringen van het csv in beeld te brengen. Na bestudering van de hierboven genoemde informatie over inkomsten en uitgaven is besloten om voor de minimale positie te gaan en ons te richten op de gemaakte kosten en investeringen die het csv heeft gedaan. We hebben ten behoeve van de leesbaarheid een splitsing aangebracht tussen kosten en investeringen betrekking hebbend op de core business van het csv en gemaakte ‘bedrijfskosten’. Ook hier geldt dat door het csv inkomsten moeten zijn gegenereerd om de kosten te hebben kunnen maken en investeringen te hebben kunnen doen.




Boekhouding-administratie
Ook hebben we, na gedaan onderzoek, vastgesteld dat het csv op een andere manier duurzaam bedrijfsmatig handelde, namelijk door het voeren van een boekhouding en het uitvoeren van een (administratieve) controle daarop. Om investeringen en kosten te kunnen betalen is het nodig om een voortdurend zicht te hebben op de financiële situatie. Dat geeft aan dat over het voeren van een administratie is nagedacht en een rolverdeling is bepaald met betrekking tot het verzamelen en vastleggen van aan- en verkopen. Dat betekent vervolgens dat het kasgeld geregeld moest worden geteld en een kasadministratie werd bijgehouden. Het feit dat meerdere geldtelmachines zijn aangetroffen draagt hieraan bij.



Een definitie van boekhouden is het bijhouden van een financiële administratie en dat is wat binnen het csv is vastgesteld aan de hand van gesprekken en aangetroffen primaire bescheiden. Er is géén volledige boekhouding aangetroffen.





Gegenereerde inkomsten
Dat er verdiensten zijn geweest is evident omdat er doorlopend, overtuigend bedrijfsmatig, wordt geïnvesteerd in aankoop van goederen, met name verdovende middelen en uitgaven die met productie van, met name synthetisch drugs en handel in vuurwapens, te maken hebben. Om een beeld te schetsen van de verdiensten geven we in dit hoofdstuk een aantal voorbeelden van gegenereerde inkomsten zoals deze blijken uit vastgelegde informatie, informatie uit pgp telefoons en processen-verbaal van het TCI. Bedrijfseconomisch gezien moeten er verdiensten zijn geweest om vervolgens weer kosten te kunnen betalen of nieuwe investeringen te kunnen doen.



Totaaltelling
Tenslotte is een totaaltelling gemaakt van de uitgaven en gedane investeringen aan de hand van bovengenoemde fiscale onderzoekshandelingen per belastingjaar van de onderzoeksperiode.



NB: Informatie uit ovc-gesprekken


Zoals aangegeven bestaat de voornaamste bron van informatie uit zogenaamde ovc-gesprekken. Dat betekent dat microfoons geplaatst zijn in woningen en werkruimten. De opgenomen en uitgeluisterde gesprekken zijn in processen-verbaal of in mutaties in politie-systemen verwerkt. Deze processen-verbaal en mutaties zijn vervolgens weer de basis voor het uitgevoerde fiscale onderzoek.


(…)



7.6


Recapitulatie kosten en investeringen 2017-2019


Uit de hierboven genoemde informatiebronnen zijn de volgende kosten en investeringen


gedistilleerd.


(…)









(…)









(…)







”




En:

“
9 Crimineel samenwerkingsverband


(…)


Theoretisch kader


(…)


Wij richten ons primair op de familiaire band en dan nog alleen tussen personen die geregeld met elkaar criminele activiteiten ontplooien. De overige scharen wij onder deelnemers.





Fiscaal gezien gaan wij uit van een samenwerkingsverband dat bestaat uit de volgende mensen; [persoon 1] , [persoon 2] (1960), [persoon 3 ] (1964), [persoon 4 ] (1979) en [persoon 5] (1993).





Daarnaast stellen wij ons op het standpunt dat binnen het door ons aangenomen


samenwerkingsverband sprake is van de volgende verdeling van de “opbrengst”;



[persoon 1] 50%



[persoon 2] (1960) 10%



[persoon 3 ] (1964) 10%



[persoon 4 ] (1979) 10%



[persoon 5]
10%


Totaal 90%





De resterende 10% wordt over de deelnemers, zijnde de overige leden van het csv, verdeeld.”




En:

“
Rol belastingplichtige


Het csv bestond naast een leider uit een viertal familieleden en 10 deelnemers. Deze deelnemers konden op afroep, werkzaamheden verrichten afhankelijk van de vraag en expertise. Als één van deze deelnemers kan belastingplichtige geduid worden.





Uit de onderzoeksbevindingen van de politie is gebleken dat, onder andere belastingplichtige, regelmatig bezoeker van de ontmoetingsruimte aan de [adres 1] te [plaats 1] was en contacten onderhield met onder andere [persoon 1] . Daarbij werd onder andere gesproken over verdovende middelen zoals cocaïne en synthetische drugs. Ook werden synthetische drugs verhandeld (‘M’ - MDMA) en werden vuurwapens verhandeld en afgeleverd. Daarnaast was belastingplichtige betrokken bij het wegbrengen van contant geld (rond de € 700.000,) naar Bulgarije. Dit geld kwam later via constructies terug naar Nederland en hiermee werd een woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats 2] aangeschaft. Uit het strafrechtelijk dossier Calabrese leiden wij af dat belastingplichtige wordt verdacht van:


• overtreding van de Opiumwet (zaaksdossier 4);


• het voorhanden hebben van vuurwapens (zaaksdossier 5);


• deelneming aan een criminele organisatie (zaaksdossier 7);


• handel in / productie van synthetische drugs (zaaksdossier 8);


• witwassen (zaaksdossier 13).”




En:

“
10 Berekening correcties zaakdossiers en fiscaal onderzoek


In dit hoofdstuk worden de fiscale correcties van het strafdossier Calabrese, zie hoofdstuk 6.3, en het fiscale onderzoek, zie hoofdstuk 7.6, samengevoegd.










10.1


Berekening voor [belanghebbende] naar aandeel in CSV


De fiscale correcties dienen omgeslagen te worden naar het aandeel in het samenwerkingsverband. Voor de onderbouwing verwijzen wij naar hoofdstuk 9 van dit rapport.










Belastingplichtige wordt 1/10 toegerekend, dat betekent:





”




3.13.

De inspecteur heeft een vermogensvergelijking gemaakt voor de jaren 2018 en 2019 en geconstateerd dat sprake is van een negatief kassaldo over de voornoemde jaren. Het betreft de volgende bedragen.
2018: € 1.272
2019: € 1.538




3.14.
Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2018 en 2019 aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 285.691 (2018) respectievelijk € 181.417 (2019) en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6 (2019). De inspecteur heeft een resultaat uit overige werkzaamheid (ROW-correctie) van € 261.278 (2018) respectievelijk € 165.177 (2019) in aanmerking genomen als inkomen uit het samenwerkingsverband en een ROW-correctie van € 24.413 (2018) respectievelijk € 16.240 (2019) als inkomen uit het klusbedrijf.



Veroordelingen




3.15.
Belanghebbende is bij arrest van 9 november 2023 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar vanwege – kort gezegd – deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven heeft en diverse delicten die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet en de Wet wapens en munitie.



3.16.

In het voornoemde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

“Aan de verdachte is zowel het deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr tenlastegelegd als het deelnemen aan een criminele organisatie in de zin van art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr).”




En:

“Het hof is op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel gekomen dat er in de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 sprake is geweest van een organisatie in de hierboven bedoelde zin.”




En:

“Als markant kenmerk van de samenwerking tussen genoemde personen ziet het hof het gebruik van de schuur achter het pand [adres 1] te [plaats 1] , zijnde de woning van [persoon 3 ] (1964) en [persoon 6] . Gedurende de onderzoeksperiode van 20 maart 2018 tot en met 13 november 2019 werd vastgesteld dat de deelnemers vrijwel dagelijks in wisselende samenstellingen bijeenkwamen op deze locatie en in de schuur, In deze schuur, die onder meer werd gebruikt voor opslag van materialen, bevond zich een afzonderlijke door middel van een deur afsluitbare ruimte.


(…)


Door [persoon 1] , [persoon 7] , [persoon 8] , [persoon 3 ] (1964), [persoon 5] en [persoon 9] werd die ruimte dan ook wel aangeduid als het "kantoor".


(…)


Naast de schuur met daarin het kantoor zijn er nog enkele andere locaties die op meerdere momenten terugkomen in meerdere zaakdossiers en kennelijk in gebruik waren bij de CSV- deelnemers.”




En:

“Gelaagdheid en taakverdeling binnen de organisatie


Naast het gebruik van "het kantoor" als het van de buitenwereld afgezonderde centrum van waaruit overleg plaatsvond; draagt eveneens de uit de bewijsmiddelen op te maken gelaagdheid binnen de organisatie bij aan het bewijs van het bestaan van een georganiseerde samenwerking met zekere structuur.



[persoon 1] werd als baas binnen de organisatie gezien.


(…)


Naast een duidelijke rol van [persoon 1] als leider van het CSV blijkt uit de bewijsmiddelen dat er een vorm van taakverdeling was op een aantal specifieke soorten van werkzaamheden. [persoon 6] beheerde in haar woning aan de [adres 1] het contante geld; door CSV-deelnemers "de pot" genoemd. Zij maakte in dat kader notities van geldbedragen, van kostenposten en van gedane uitgiften aan personen onder wie CSV- deelnemers en zorgde op die wijze voor een soort van administratie. Zij had daarover overleg met [persoon 1] . (…) Andere deelnemers waren eveneens op de hoogte van die geldpot, getuige het feit dat zij blijkens aangetroffen notities en blijkens OVC-gesprekken daaruit via [persoon 6] betaald kregen of al dan niet op verzoek van [persoon 1] daaruit zelf geldbedragen haalden. Naast deze financiële taak stelden [persoon 3 ] (1964) en [persoon 6] de tot hun woning aan de [adres 1] behorende schuur - gelet op de inrichting ervan - structureel ter beschikking om als "kantoor" te dienen.”




En:

“Het bestaan van een organisatie


Op grond van de hiervoor weergegeven, uit de bewijsmiddelen afgeleide verschijningsvormen van de samenwerking tussen de CSV-deelnemers acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van een gestructureerde en duurzame organisatie waartoe verdachte en de medeverdachten behoorden. Het duurzame karakter blijkt tevens uit de lange periode waarover zich de samenwerking uitstrekte en de intensiteit waarmee men zich — in wisselende samenstellingen – bezig hield met illegale activiteiten en de voorbereiding daarvan. (…) Een aantal van de leden van de criminele organisatie lijkt zich uitsluitend bezig te houden met criminele activiteiten en hier hun “beroep” van te hebben gemaakt.”




En:

“Bijdrage verdachte en wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie


Dat [belanghebbende] tezamen en in vereniging met de overige CSV-deelnemers ook daadwerkelijk deelnam aan die organisatie blijkt uit de overige hem tenlastegelegde en hiervoor besproken strafbare feiten, waaruit - voor zover bewezenverklaard - blijkt van een betekenisvolle bijdrage in de uitvoering van die delicten. [belanghebbende] hield zich in het kader van de criminele organisatie zowel met drugs als met wapens bezig en onderhield al lange tijd nauwe contacten met [persoon 1] . Ook heeft hij het pand aan de [adres 2] te [plaats 2] ten behoeve van [persoon 1] witgewassen. Het feit dat de eerste observatie in het dossier waarop ook de verdachte te zien is, pas van 29 augustus 2018 zou zijn, doet niet af aan het feit dat uit het onderzoek is gebleken dat de criminele organisatie in ieder geval sinds 20 maart 2018 al actief was en [belanghebbende] daar een actief deelnemer van was. In een OVC- gesprek van 15 april 2019, welk gesprek plaatsvindt na de aanhouding van [belanghebbende] in de Chrysler Voyager met daarin 99,4 kg MDMA, wordt door [persoon 1] in dit verband opgemerkt dat verdachte een ‘senior’ is en al 30, 35 jaar ‘meedraait’, het hof begrijpt dat daarmee wordt bedoeld dat hij op het gebied van criminaliteit geen onbekende is. Dat de verdachte naast zijn contact met [persoon 1] en zijn bezoeken aan het kamp een relatie kreeg met een bewoonster van het kamp doet aan al het voorgaande niet af. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen over de verschijningsvorm van de organisatie en de betrokkenheid van [belanghebbende] daarbij concludeert het hof dat [belanghebbende] minst genomen in zijn algemeenheid wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat daarom zijn bijdrage aan de uitvoering van delicten tevens een opzettelijke bijdrage aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie


was.”




En:

“De criminele organisatie werd gekenmerkt door het familiaire karakter. Van de in totaal vijftien geïdentificeerde leden hebben twaalf leden een familierelatie. De organisatie opereerde vanuit het zogenaamde ‘kantoor’, gesitueerd in een schuur. Dit kantoor werd gebruikt als vergader- en ontmoetingsruimte ter bespreking van illegale activiteiten, de ontvangst van criminele contacten en het beslechten van verboden transacties. Ook werden in deze ruimte diverse harddrugs bewerkt en verwerkt en allerhande (automatische) vuurwapens getoond en uitgeprobeerd. Het hof beschouwt het kantoor, net als de rechtbank, als het epicentrum van de organisatie. Het familiaire karakter en het afgeschermde epicentrum hebben ervoor gezorgd dat de organisatie langdurig, afgezonderd en in een vertrouwelijke sfeer heeft kunnen opereren. Het hof is van oordeel dat uit de in het kantoor opgenomen OVC-gesprekken een verontrustend beeld rijst van een organisatie die zich continu en intensief met het beramen en plegen van genoemde misdrijven bezig heeft gehouden.


Voor wat betreft de betrokkenheid van de verdachte overweegt het hof dat zijn naam, ten opzichte van sommige andere verdachten, minder vaak en prominent in het dossier voorkomt, maar dat hij wel geregeld aanwezig was, dan vrijelijk in en uit de schuur bewoog en contact had met diverse leden van de criminele organisatie (over strafbare feiten), en op meerdere momenten concreet betrokken is geweest bij strafbare feiten gepleegd door het CSV, zoals drugs, vuurwapens en witwassen. Met andere woorden: het hof kwalificeert de rol van de verdachte, anders dan de rechtbank, niet als van ondergeschikte betekenis, maar is wel van oordeel dat deze beperkter is dan van sommige andere verdachten.


(…)


Bij de doorzoekingen in oktober en november 2019 zijn op de diverse opslaglocaties van de organisatie, waaronder een ondergrondse ruimte gelegen in het bosperceel achter het woonwagenkamp, honderden kilo’s aan drugs en vele stoffen en goederen bestemd voor de productie van synthetische drugs alsmede tientallen (automatische) vuurwapens, onderdelen daarvan, honderden kogels en enkele explosieven aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke hoeveelheid drugs en vuurwapens een enorme (handels)waarde vertegenwoordigen en het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs en vuurwapens - voor het overgrote deel - bestemd waren voor de lucratieve handel.





De beoogde drugsdelicten, soms met een internationaal karakter, besloegen nagenoeg het gehele spectrum van de in de Opiumwet opgesomde verboden gedragingen, zoals: internationale transporten, het bewerken en verwerken, het vervoeren, het verkopen, de productie/fabricage en het aanwezig hebben van harddrugs alsmede voorbereidingshandelingen daartoe. Het ging daarbij om uiteenlopende soorten harddrugs: MDMA, metamfetamine, amfetamine, heroïne en cocaïne. De organisatie deinsde er ook niet voor terug om containers waarvan men - al dan niet na bekomen informatie van corrupte handlangers - dacht dat daarin (mogelijk) drugs waren verstopt, op brutale wijze te stelen.





Verdachte is zelf specifiek betrokken geweest bij een transport van 99,4 kilo MDMA, het aanwezig hebben van amfetamine in een laboratorium in [plaats 3] en hij heeft


voorbereidingshandelingen gepleegd ten behoeve van de productie van amfetamine.


(…)


Naast genoemde druggerelateerde delicten hield de organisatie zich ook op grote schaal


bezig met de handel in (automatische) vuurwapens en munitie. De verdachte heeft daar actief aan bijgedragen door zich schuldig te maken aan het voorhanden hebben van een groot aantal vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie en het op (tenminste) 2 dagen verhandelen van vuurwapens.


(…)


Voorts hield de organisatie zich bezig met het witwassen van crimineel geld. [persoon 3 ] (1964) en diens echtgenote [persoon 6] , de broer en schoonzuster van de leider van de organisatie, beheerden en voerden de administratie van de financiële ‘pot’ en bewaarden ook de contante gelden van de organisatie, ten tijde van de doorzoekingen in november 2019 bestaande uit ruim € 250.000. De verdachte kreeg daar ook uit betaald. [persoon 1] heeft met een mede door hem opgezette witwasconstructie een woning in [plaats 2] aangekocht. Met dat doel zijn andere leden van de organisatie met€ 700.000,- aan contanten naar Bulgarije afgereisd. De verdachte heeft uiteindelijk samen met anderen verhuld wie de rechthebbende van die woning was.


(…)


Kort gezegd: het bestaan van deze criminele organisatie heeft op allerlei fronten een zeer ontwrichtende werking op de samenleving gehad. De verdachte heeft zich van alle hiervoor genoemde negatieve gevolgen niets aangetrokken en gehandeld uit puur financieel eigenbelang. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld


zoals bewezen is verklaard.”






Motivering



Vooraf; griffierecht

4. Belanghebbende heeft ter zake van het te betalen griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan. Dat beroep is door de griffier voorlopig toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te beslissen. Dit betekent dat belanghebbende geen griffierecht voor het instellen van de beroepen hoeft te voldoen.




Geen schending motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel



4.1.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de inspecteur – kort gezegd – onvoldoende op zijn standpunten heeft gereageerd. De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt voldoende op welke gronden de inspecteur de navorderingsaanslagen heeft gehandhaafd. Dat de inspecteur niet afzonderlijk op ieder argument van belanghebbende is ingegaan, maakt niet dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd of onzorgvuldig tot stand is gekomen.



Navorderingsaanslag IB/PVV 2018




4.2.
Partijen zijn het erover eens dat de bewijslast voor het jaar 2018 niet kan worden omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende niet is aangemaand voor het doen van aangifte. De rechtbank zal daarom aan de hand van de normale bewijslastverdeling beoordelen of de navorderingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.



4.3.
De ROW-correctie voor het jaar 2018 bestaat uit twee delen. Een deel ziet op inkomsten uit het klusbedrijf van belanghebbende en een deel op inkomsten uit een samenwerkingsverband waartoe belanghebbende volgens de inspecteur behoorde. Dit laatste deel is gebaseerd op bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek Calabrese en op een aanvullend fiscaal onderzoek (zie 3.12). Daarbij is de inspecteur aangesloten bij de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband, waartoe belanghebbende volgens de inspecteur behoort, zoals die uit het strafdossier en het fiscale onderzoek naar voren komen. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het samenwerkingsverband inkomsten moet hebben gegenereerd om deze uitgaven en investeringen te kunnen doen. De aldus berekende bedragen vormen de basis van de voor dit deel van de aangebrachte ROW-correctie. Volgens de inspecteur kan een aandeel van 1% in deze inkomsten aan belanghebbende worden toegerekend vanwege zijn actieve rol in het samenwerkingsverband.



4.4.
Belanghebbende bestrijdt dat hij onderdeel was van een samenwerkingsverband. Belanghebbende wijst er daarbij op dat geen enkel dossierstuk ziet op 2018, maar slechts op 2019, hij in 2018 niet is te horen op de OVC-gesprekken en dat hij voor het eerst op 21 februari 2019 te zien is op de camerabeelden. Mogelijk volgt uit het vonnis van het gerechtshof dat het samenwerkingsverband al op 20 maart 2018 actief was, maar niet dat belanghebbende daarbij betrokken was. De omvang van de door de inspecteur berekende uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband heeft belanghebbende als zodanig niet bestreden. Voor zover de ROW-correctie ziet op inkomsten uit het klusbedrijf, is de correctie door belanghebbende niet bestreden.



4.5.
De rechtbank acht het gelet op het strafrechtelijk vonnis buiten redelijke twijfel dat sprake was van een samenwerkingsverband waarvan belanghebbende deel uitmaakte en waaruit hij aanzienlijke inkomsten genoot (zie 3.16). Voor het jaar 2018 sluit de rechtbank aan bij het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op dit punt. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd, geen reden om daarvan af te wijken. Het gerechtshof heeft die punten ook in ogenschouw genomen en desondanks geoordeeld dat ook voor 2018 buiten redelijke twijfel vaststaat dat belanghebbende een actief deelnemer was van het samenwerkingsverband.



4.6.
De inspecteur dient aannemelijk te maken dat belanghebbende het gestelde inkomen heeft genoten. Uit het strafdossier blijkt dat het samenwerkingsverband slechts één gezamenlijke geldpot aanhield waarin opbrengsten werden samengebracht en waaruit vervolgens de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband werden gefinancierd (zie ook 3.16). De door de inspecteur gestelde opbrengst van het samenwerkingsverband berekend aan de hand van de door het samenwerkingsverband gedane uitgaven en investeringen is door belanghebbende niet bestreden. De rechtbank neemt deze berekening als uitgangpunt. De vraag of de inspecteur aannemelijk maakt dat een aandeel van 1% uit deze pot aan belanghebbende kan worden toegerekend, komt hierna aan de orde.



4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat ten minste 1% van de door het samenwerkingsverband verdiende inkomsten aan belanghebbende zijn toegekomen. Voor dit oordeel sluit de rechtbank aan bij de overwegingen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de rol van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband (zie 3.16). Daaruit volgt dat belanghebbende een actief lid was van dit samenwerkingsverband. Gelet op deze rol binnen het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende niet alleen heeft bijgedragen aan de activiteiten van het samenwerkingsverband, maar ook aanzienlijk heeft gedeeld in de daarmee behaalde opbrengsten. De rechtbank kan niet vaststellen welk aandeel belanghebbende precies had in de pot, wat ook logisch is want belanghebbende en de overige deelnemers van het samenwerkingsverband geven geen enkel inzicht gegeven in de wijze waarop de opbrengsten binnen het samenwerkingsverband werden verdeeld. Gelet op de hiervoor beschreven rol van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband en gelet op de rollen van de overige deelnemers van het samenwerkingsverband, zoals die volgen uit het strafdossier en het strafvonnis, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende ten minste een aandeel van 1% in de pot toekwam.



4.8.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de inspecteur op basis van een normale bewijslastverdeling erin geslaagd acht om de volledige ROW-correctie voor het jaar 2018 aannemelijk te maken. Dat betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 niet te hoog is vastgesteld. Deze aanslag blijft daarom in stand.



Navorderingsaanslag IB/PVV 2019




4.9.
De inspecteur stelt dat belanghebbende voor het jaar 2019 niet de vereiste aangifte IB/PVV heeft gedaan, nu belanghebbende voor het jaar 2019 geen aangifte heeft ingediend terwijl hij daartoe wel is uitgenodigd en aangemaand. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en ook geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, derde lid, van de AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn.



4.10.
Vast staat dat belanghebbende geen aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 heeft ingediend vóór de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2019, terwijl hij daartoe wel op juiste wijze is uitgenodigd en aangemaand. Hij heeft dan niet de vereiste aangifte gedaan. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij ervan uitging dat zijn boekhouder de aangifte voor hem zou indienen. Belanghebbende heeft echter zelf zowel de uitnodiging tot het doen van aangifte als de aanmaning ontvangen. Desgevraagd ter zitting heeft de gemachtigde niet kunnen onderbouwen waarom belanghebbende er desondanks van mocht uitgaan dat zijn boekhouder de aangifte (tijdig) zou indienen. De rechtbank passeert deze stelling daarom als onvoldoende gemotiveerd. Er is dus sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast.



4.11.
Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 onjuist is.



4.12.
De rechtbank acht de schatting van de inspecteur redelijk. De ROW-correctie voor het jaar 2019 bestaat uit twee delen. Een deel ziet op inkomsten uit het klusbedrijf van belanghebbende, welk deel niet is bestreden, en een deel op inkomsten uit een samenwerkingsverband waartoe belanghebbende volgens de inspecteur behoorde. De inspecteur heeft de tweede ROW-correctie ook voor het jaar 2019 gebaseerd op bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek Calabrese en op een aanvullend fiscaal onderzoek (zie 3.11). Daarbij is de inspecteur ervan uitgegaan dat belanghebbende deel uitmaakte van het samenwerkingsverband, welke deelname gelet op het strafrechtelijk vonnis buiten redelijk twijfel is (zie 3.16). Het is ook niet onredelijk om ervan uit te gaan dat belanghebbende inkomsten uit het samenwerkingsverband heeft genoten. Uit het vonnis van het gerechtshof volgt niet dat belanghebbende alleen als klusjesman beperkt betrokken zou zijn geweest bij het samenwerkingsverband en op de hoogte was van de activiteiten daarbinnen, maar dat belanghebbende een actieve bijdrage had als deelnemer van het samenwerkingsverband.



4.13.
De inspecteur is voor de hoogte van de schatting aangesloten bij de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband. Uit de vele tapgesprekken en hetgeen tijdens de doorzoekingen is aangetroffen, volgt dat het samenwerkingsverband zich onder meer bezighield met drugs- en wapenhandel waarvan het algemeen bekend is dat het zeer lucratief kan zijn. De inspecteur gaat ervan uit, net als voor het jaar 2018, dat het samenwerkingsverband inkomsten moet hebben gegenereerd uit deze activiteiten om de zeer aanzienlijke uitgaven en investeringen voor de activiteiten te kunnen doen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een logische redenatie.



4.14.
De aldus berekende bedragen vormen ook de basis van de aangebrachte ROW-correctie. Volgens de inspecteur kan een aandeel van 1% van de gegeneerde inkomsten van het samenwerkingsverband aan belanghebbende worden toegerekend vanwege zijn rol in het samenwerkingsverband. Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk en niet willekeurig dat de inspecteur als uitgangspunt heeft gehanteerd dat belanghebbende 1% van de inkomsten van het samenwerkingsverband heeft genoten. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet overtuigend aangetoond dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 te hoog is vastgesteld.



4.15.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correctie voor het jaar 2019 terecht heeft aangebracht. De navorderingsaanslag IB/PVV 2019 blijft dus in stand.



Belastingrentebeschikkingen




4.16.
Omdat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 niet te hoog is vastgesteld, betekent dit dat ook de belastingrentebeschikkingen niet te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de belastingrentebeschikkingen ook geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het beroep met betrekking tot de belastingrentebeschikkingen is daarom ook ongegrond.



Boetes bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en 2019




4.17.
Aan belanghebbende zijn bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 vergrijpboetes opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. De inspecteur is daarbij aanvankelijk uitgegaan van (voorwaardelijk) opzet. Op de aanslagbiljetten is als kwalificatie echter alleen ‘grove schuld’ vermeld. De inspecteur heeft de boete voor het jaar 2019 om die reden bij uitspraak op bezwaar verminderd tot 25%. In beroep stelt de inspecteur zich voor beide jaren op het standpunt dat grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid heeft dat de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 tot te lage bedragen zijn vastgesteld en ook de boete over 2018 moet worden verminderd tot 25%.



4.18.
Vast staat dat belanghebbende voor het jaar 2018 niet is aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV. Deze omstandigheid staat aan het opleggen van een vergrijpboete op grond van artikel 67e van de AWR echter niet in de weg. Het aangemaand zijn tot het doen van aangifte maakt geen onderdeel uit van de in die bepaling omschreven beboetbare gedraging.



4.19.
De rechtbank overweegt verder dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan grofschuldig handelen van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 tot te lage bedragen zijn vastgesteld.



4.20.
Onder grove schuld wordt verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en grove onachtzaamheid. Een belastingplichtige had in dat geval redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven. De bewijslast rust op de inspecteur om aan te tonen dat sprake is van grove schuld.



4.21.
De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het (minst genomen) aan de grove schuld van belanghebbende te wijten is dat de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Niet in geschil is dat belanghebbende in 2018 en 2019 aanzienlijke inkomsten heeft gegenereerd met zijn klusbedrijf en deze inkomsten niet heeft aangegeven in aangiften IB/PVV. Belanghebbende heeft de omzet van zijn klusbedrijf wel (gedeeltelijk) verantwoord in zijn aangiften omzetbelasting. De rechtbank acht daarom buiten redelijke twijfel dat belanghebbende zich bewust was van deze inkomsten. Door deze inkomsten vervolgens niet in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019 te verantwoorden, heeft belanghebbende dermate lichtvaardig gehandeld dat hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt.



4.22.
Verder vervulde belanghebbende een actieve rol als deelnemer van het samenwerkingsverband. De rechtbank acht bewezen dat belanghebbende aanzienlijke inkomsten uit het samenwerkingsverband heeft genoten en dat bewust buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden. Ook in zoverre is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid. De stelling van belanghebbende dat hij ervan uitging dat zijn boekhouder de aangiften zou indienen, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij daarvoor onder 4.10 heeft overwogen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de inspecteur de boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 terecht aan belanghebbende heeft opgelegd.



4.23.
De inspecteur heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat ook de boete voor het jaar 2018 moet worden verminderd tot 25% van de verschuldigde belasting, om dezelfde reden als waarom de boete voor het jaar 2019 bij uitspraak op bezwaar is verminderd tot 25% (zie 4.17). De rechtbank zal de inspecteur hierin volgen en de boete in elk geval matigen tot € 34.065.



4.24.
Belanghebbende stelt dat de boetes ook na vermindering tot 25% van de verschuldigde belasting, te hoog zijn en in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling van de hoogte van de boetes dient de rechtbank te beoordelen of deze, gelet op alle omstandigheden van het geval, passend en geboden zijn. Daarin ligt ook een beoordeling van de evenredigheid van de boetes besloten. De rechtbank zal het beroep op het evenredigheidsbeginsel daarom bij de beoordeling van de hoogte van de boetes betrekken.



4.25.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boetes van € 34.065 (2018) en € 20.825 (2019) als uitgangspunt passend en geboden. Aan de oplegging van de boetes staat niet in de weg dat de grondslag van deze boete tot stand is gekomen aan de hand van inschattingen en er beperkt zicht is op wat er daadwerkelijk is verdiend. Dat is inherent aan het feit dat belanghebbende geen openheid heeft gegeven over zijn genoten inkomsten. Bovendien heeft de inspecteur op een aantal punten conservatief gerekend en heeft belanghebbende de omvang van de inkomsten van het samenwerkingsverband niet betwist. De rechtbank ziet, in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van het ontbreken van draagkracht, geen aanleiding om de boetes te matigen.



4.26.
De rechtbank ziet wel aanleiding om de boetes ambtshalve te verminderen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 24 augustus 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op dat moment het voornemen om vergrijpboetes op te leggen voor het eerst is aangekondigd. De rechtbank doet uitspraak op 25 augustus 2026. Sinds de aankondiging van de boetes zijn dan (afgerond) 4 jaar en 1 maand verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar daarmee is overschreden met twee jaar en 1 maand. De boetes moeten daarom worden gematigd met 20%. Dat betekent dat de rechtbank de boetes vermindert tot € 27.252 (2018) en € 16.660 (2019).




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep dat betrekking heeft op de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 is gegrond. Dat betekent dat de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 wordt verminderd tot € 27.252. De beroepen zijn voor het overige ongegrond. De boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 wordt wel verminderd tot € 16.660. De navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen blijven in stand.



5.1.
Omdat het beroep dat betrekking heeft op de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 gegrond is, krijgt belanghebbende een vergoeding van zijn proceskosten in de beroepsfase. De vergoeding van de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op de voet van het Besluit vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid ter zitting, met een waarde per punt van € 934; en een factor 1 voor samenhang en een wegingsfactor 1). De kosten van de bezwaarfase komen alleen voor vergoeding in aanmerking als daarom in de bezwaarfase ook is verzocht. Dat is niet gebeurd. Overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn niet gesteld.




Beslissing
De rechtbank:


verklaart het beroep dat betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar over de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 gegrond;


verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;


vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019;


vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 tot € 27.252;


vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 tot € 16.660;


bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 52 aan belanghebbende moet vergoeden;


veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende.




Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. drs. J.H. Bogert en mr. V.A. Burgers, rechters, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier.












griffier


voorzitter







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.



Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2023, parketnummer 20-002240-21.


Zie voor een deel van die overwegingen onderdeel 3.16 van deze uitspraak.


Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.


Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.


Ambtshalve vermindering van de boete in verband met ‘undue delay’ leidt niet tot een gegrond beroep (vgl. Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).


Artikel 7:15 van de Awb.