Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8195

2026-08-25 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/1748 en 25/1749
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
BRE 25/1748 en 25/1749
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1858

Inhoudsindicatie

De rechtbank laat de correcties van het resultaat uit overige werkzaamheid in stand, die zijn gemaakt vanwege de inkomsten die belanghebbende heeft genoten en zijn betrokkenheid bij het samenwerkingsverband. De rechtbank beoordeelt tevens de opgelegde boetes.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (55.316 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummers: BRE 25/1748 en 25/1749


uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 augustus 2026 in de zaken tussen





[belanghebbende] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. R. Zilver),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 11 februari 2025.



1.1.
De inspecteur heeft over de jaren 2018 en 2019 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) aan belanghebbende opgelegd. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur boetes aan belanghebbende opgelegd en belastingrente aan hem in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:














Zaaknr.




Jaar




Soort




Dagtekening




Aanslagnummer




Belasting




Boete




Rente





24/4777


2018


IB/PVV


24-11-2022



[aanslagnummer] H.87.01


€ 127.261


€ 60.463


€ 15.642




24/4778


2019


IB/PVV


24-11-2022



[aanslagnummer] H.97.01


€ 75.829


€ 33.930


€ 6.063








1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de onder 1.1 genoemde navorderingsaanslagen en beschikkingen ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Een afschrift van het proces-verbaal van deze zitting is aan deze uitspraak gevoegd.




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 alsmede de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld. De boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 is ook terecht aan belanghebbende opgelegd, maar moet worden verminderd in verband met ‘undue delay’. De boete voor het jaar 2018 dient te worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten


3. Belanghebbende was tot 21 oktober 2020 woonachtig te [plaats 1] . Vanaf 21 oktober 2020 was belanghebbende, volgens de Basisregistratie Personen, ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 2] (de PI).



3.1.
In het jaar 2018 hebben 3 auto’s op naam van belanghebbende gestaan.



Start strafrechtelijke onderzoeken




3.2.
De politie eenheid Oost-Brabant is vanaf februari 2017 meerdere opsporingsonderzoeken gestart die onderling met elkaar samenhangen. Het gaat om de onderzoeken Calabrese, Garborone, Sjingan, Abuja, Workington, Maputo, Parmer en Accrington. De paraplubenaming voor deze onderzoeken is Project Noord, later Calabrese. Aan de start van deze strafrechtelijke onderzoeken ligt informatie uit een ander strafrechtelijk onderzoek, genaamd Debussy, ten grondslag. Uit het onderzoek Debussy is bij de politie het vermoeden ontstaan dat belanghebbende en diverse andere personen in georganiseerd verband actief bezig waren met de handel in en/of productie van verdovende middelen (hierna: het samenwerkingsverband).



3.3.
In het Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC) is in 2018 onder de [naam] een casus naar belanghebbende en de andere personen gestart wegens het vermoeden van strafbare feiten.



Aangiften IB/PVV 2018 en 2019




3.4.
Op 31 maart 2021 heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV over de jaren 2018 en 2019. De inspecteur heeft een herinnering tot het doen van aangiften IB/PVV 2018 en 2019 verzonden aan belanghebbende. De uitnodigingen en de herinneringen zijn verzonden naar de de PI.



3.5.
De inspecteur heeft belanghebbende aangemaand om voor het jaar 2019 aangifte IB/PVV te doen. De aanmaning eveneens verzonden naar de PI.



3.6.
Tot de gedingstukken behoren verzendrapportages van de uitnodigingen en herinneringen voor de jaren 2018 en 2019 alsmede de aanmaning voor het doen van aangifte voor het jaar 2019.



3.7.
De inspecteur heeft voor de jaren 2018 en 2019 ambtshalve aanslagen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.000 (2018) respectievelijk € 35.000 (2019).



Boekenonderzoek




3.8.
De Belastingdienst heeft in juni 2020 de beschikking gekregen over het digitale strafdossier dat is aangelegd voor belanghebbende om dit dossier te beoordelen op fiscale componenten.



3.9.
De inspecteur heeft op 2 februari 2021 de Officier van Justitie verzocht om aan hem op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gegevens en inlichtingen uit de strafrechtelijk onderzoeken Calabrese te verstrekken met het oog op de beoordeling van de belastingaangiften van belanghebbende (de artikel 55 AWR-verzoeken).



3.10.
De inspecteur heeft bij brief van 29 maart 2022 aan belanghebbende aangekondigd een onderzoek te starten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019.



3.11.

De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat bij brief van 24 augustus 2022 aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“
6 RIEC casus [naam]


(…)




6.2


Calabrese


(…)


Fiscale insteek


Bij de berekening van het nadeel wordt uitgegaan van de inkoopbedragen en investeringen in goederen, producten en diensten door [persoon 1] / het crimineel samenwerkingsverband en niet van de eventuele verdiensten c.q. winsten. Daar waar onduidelijkheid bestaat over de omvang van de goederen en producten en / of de financiële tegenwaarde van deze goederen en producten is gekozen voor de laagst te stellen waarde(n). We gaan dus uit van de minimale positie.





Wij stellen ons op het standpunt dat het csv inkomsten moet hebben gegenereerd om de gemaakte kosten en investeringen te hebben kunnen doen. Deze bedragen worden als correctiebedragen benoemd.





Om bepaalde fiscale nadeelberekeningen te kunnen maken is onderzoek in het strafdossier én in openbare bronnen gedaan om minimale (aankoop) bedragen te duiden. Voor de volgende zaken zijn berekeningen gemaakt:


Eén kilogram cocaïne (document: Berekening inkoopprijs cocaïne.docx)
bijlage 6-01


Eén kilogram apaan (document: Berekening inkoopkosten Apaan.docx)
bijlage 6-02


Eén xtc pil (document: Berekening inkoopprijs xtc-pillen.docx)
bijlage 6-03


Eén kilogram cannabis (document: Berekening inkoopkosten cannabis.docx)
bijlage 6-04


Invoer één container (document: Berekening kosten invoer container uit Zuid


Amerika.docx)
bijlage 6-05





Het strafrechtelijk onderzoek Calabrese omvat de volgende delicten:


(…)




6.3.

Fiscale recapitulatie strafrechtelijke zaakdossiers









NB: De leden van het csv zijn door de politie in bovenstaande strafzaken gehoord. Géén van de leden van het csv heeft een inhoudelijke verklaring afgelegd. Iedereen beroept zich op het zwijgrecht.”




En:

“
7 Fiscaal onderzoek inkomsten en uitgaven csv


In dit hoofdstuk van de rapportage zal een opsomming gegeven worden van fiscaal onderzoek in strafrechtelijke vastleggingen zoals die in meerdere digitale bestanden hebben plaatsgevonden. Deze vergaarde informatie staat dus los van hetgeen reeds in het strafdossier Calabrese aan de orde is geweest in hoofdstuk 6 van dit rapport. Ondergetekenden hebben onderkend dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van dubbeltellingen. Er is bij de inhoudelijke beoordeling gelet op het voorkomen van dubbeltellingen. In voorkomende gevallen is het fiscale nadeel in de fiscale beoordeling van strafdossier Calabrese opgenomen, zie hoofdstuk 6.






Diverse kosten en investeringen

In dit fiscaal onderzoek is ervoor gekozen de
uitgaven
en investeringen van het csv in beeld te brengen. Na bestudering van de hierboven genoemde informatie over inkomsten en uitgaven is besloten om voor de minimale positie te gaan en ons te richten op de gemaakte kosten en investeringen die het csv heeft gedaan. We hebben ten behoeve van de leesbaarheid een splitsing aangebracht tussen kosten en investeringen betrekking hebbend op de core business van het csv en gemaakte ‘bedrijfskosten’. Ook hier geldt dat door het csv inkomsten moeten zijn gegenereerd om de kosten te hebben kunnen maken en investeringen te hebben kunnen doen.




Boekhouding-administratie
Ook hebben we, na gedaan onderzoek, vastgesteld dat het csv op een andere manier duurzaam bedrijfsmatig handelde, namelijk door het voeren van een boekhouding en het uitvoeren van een (administratieve) controle daarop. Om investeringen en kosten te kunnen betalen is het nodig om een voortdurend zicht te hebben op de financiële situatie. Dat geeft aan dat over het voeren van een administratie is nagedacht en een rolverdeling is bepaald met betrekking tot het verzamelen en vastleggen van aan- en verkopen. Dat betekent vervolgens dat het kasgeld geregeld moest worden geteld en een kasadministratie werd bijgehouden. Het feit dat meerdere geldtelmachines zijn aangetroffen draagt hieraan bij.



Een definitie van boekhouden is het bijhouden van een financiële administratie en dat is wat binnen het csv is vastgesteld aan de hand van gesprekken en aangetroffen primaire bescheiden. Er is géén volledige boekhouding aangetroffen.





Gegenereerde inkomsten
Dat er verdiensten zijn geweest is evident omdat er doorlopend, overtuigend bedrijfsmatig, wordt geïnvesteerd in aankoop van goederen, met name verdovende middelen en uitgaven die met productie van, met name synthetisch drugs en handel in vuurwapens, te maken hebben. Om een beeld te schetsen van de verdiensten geven we in dit hoofdstuk een aantal voorbeelden van gegenereerde inkomsten zoals deze blijken uit vastgelegde informatie, informatie uit pgp telefoons en processen-verbaal van het TCI. Bedrijfseconomisch gezien moeten er verdiensten zijn geweest om vervolgens weer kosten te kunnen betalen of nieuwe investeringen te kunnen doen.



Totaaltelling
Tenslotte is een totaaltelling gemaakt van de uitgaven en gedane investeringen aan de hand van bovengenoemde fiscale onderzoekshandelingen per belastingjaar van de onderzoeksperiode.



NB: Informatie uit ovc-gesprekken


Zoals aangegeven bestaat de voornaamste bron van informatie uit zogenaamde ovc-gesprekken. Dat betekent dat microfoons geplaatst zijn in woningen en werkruimten. De opgenomen en uitgeluisterde gesprekken zijn in processen-verbaal of in mutaties in politie-systemen verwerkt. Deze processen-verbaal en mutaties zijn vervolgens weer de basis voor het uitgevoerde fiscale onderzoek.


(…)



7.6


Recapitulatie kosten en investeringen 2017-2019


Uit de hierboven genoemde informatiebronnen zijn de volgende kosten en investeringen


gedistilleerd.


(…)









(…)









(…)







”




En:

“
9 Crimineel samenwerkingsverband


(…)




9.2


Theoretisch kader


(…)


Wij richten ons primair op de familiaire band en dan nog alleen tussen personen die geregeld met elkaar criminele activiteiten ontplooien. De overige scharen wij onder deelnemers.





Fiscaal gezien gaan wij uit van een samenwerkingsverband dat bestaat uit de volgende mensen; [persoon 1] , [persoon 2] (1960), [persoon 3] (1964), [persoon 4 ] (1979) en [persoon 5] (1993).





Daarnaast stellen wij ons op het standpunt dat binnen het door ons aangenomen


samenwerkingsverband sprake is van de volgende verdeling van de “opbrengst”;



[persoon 1] 50%



[persoon 2] (1960) 10%



[persoon 3] (1964) 10%



[persoon 4 ] (1979) 10%



[persoon 5]
10%


Totaal 90%





De resterende 10% wordt over de deelnemers, zijnde de overige leden van het csv, verdeeld.”




En:

“
9.2 Rol belastingplichtige


Het csv bestond naast een leider uit een viertal familieleden. Daarnaast werd, op afroep, de hulp ingeroepen van een tiental helpers, die hen afhankelijk van de vraag, bijstonden. Als één van die helpers kan belastingplichtige geduid worden. Uit het strafrechtelijk dossier leiden wij af dat belastingplichtige wordt verdacht van deelneming aan een criminele organisatie, witwassen en handel in en/of het voorhanden hebben van vuurwapens. In het strafrechtdossier wordt de rol van belastingplichtige als volgt omschreven:


“Verdachte [belanghebbende] is de schoonzoon van [persoon 1] en wordt verdacht van deelneming aan een criminele organisatie, afleveren/aanwezig hebben van verdovende middelen (MDMA) en het handelen in of in het bezit hebben van vuurwapens en munitie. Uit de onderzoeksbevindingen was gebleken dat [belanghebbende] vrijwel dagelijks aanwezig was in de schuur, ontmoetingsruimte, aan de [adres 2] in [plaats 3] . Tevens bleek, dat als op sommige momenten [persoon 1] niet aanwezig was, dat [belanghebbende] dan kort de “honneurs” waarnam en uit naam van [persoon 1] beslissingen nam.


Verdachte [belanghebbende] was onder andere betrokken bij de levering van een partij “M” (MDMA) op 21 februari 2019 en bij de levering van een partij MDMA-kristallen op 15 april 2019. Verdachte [belanghebbende] was op 1 april 2019 behulpzaam bij het uit elkaar halen van een partij schroot. Deze partij schroot was afkomstig uit een container waarvan het CSV het vermoeden had dat in het schroot een partij cocaïne was verstopt. Door de douane in België was in deze container een partij van 315,7 kilo cocaïne ontdekt en in beslaggenomen. Vervolgens werd de container bij een opslagbedrijf in België geplaatst en later met trekker en oplegger door het CSV weggenomen.”


Bron: Strafdossier Calabrese.”




En:

“
10 Berekening correcties zaakdossiers en fiscaal onderzoek


In dit hoofdstuk worden de fiscale correcties van het strafdossier Calabrese, zie hoofdstuk 6.3, en het fiscale onderzoek, zie hoofdstuk 7.6, samengevoegd.










10.1


Berekening voor [belanghebbende] naar aandeel in CSV


De fiscale correcties dienen omgeslagen te worden naar het aandeel in het samenwerkingsverband. Voor de onderbouwing verwijzen wij naar hoofdstuk 9 van dit rapport.










Belastingplichtige wordt 1/10 toegerekend, dat betekent:





”




3.12.

De inspecteur heeft een vermogensvergelijking gemaakt voor de jaren 2018 en 2019 en geconstateerd dat sprake is van een negatief kassaldo over de voornoemde jaren. Het betreft de volgende bedragen.
2018: € 38.476
2019: € 21.108




3.13.
Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2018 en 2019 aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 261.278 (2018) respectievelijk € 165.177 (2019), volledig bestaande uit een correctie resultaat uit overige werkzaamheid (ROW-correctie).



Veroordelingen




3.14.
Belanghebbende is bij arrest van 9 november 2023 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar vanwege – kort gezegd – deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven heeft en diverse delicten die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen het arrest van het hof met toepassing van artikel 81 RO verworpen.



3.15.

In het voornoemde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

“Aan de verdachte is zowel het deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr tenlastegelegd als het deelnemen aan een criminele organisatie in de zin van art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr).”




En:

“Het hof is op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel gekomen dat er in de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 sprake is geweest van een organisatie in de hierboven bedoelde zin.”




En:

“Als markant kenmerk van de samenwerking tussen genoemde personen ziet het hof het gebruik van de schuur achter het pand [adres 2] te [plaats 3] , zijnde de woning van [persoon 3] (1964) en [persoon 6] . Gedurende de onderzoeksperiode van 20 maart 2018 tot en met 13 november 2019 werd vastgesteld dat de deelnemers vrijwel dagelijks in wisselende samenstellingen bijeenkwamen op deze locatie en in de schuur, In deze schuur, die onder meer werd gebruikt voor opslag van materialen, bevond zich een afzonderlijke door middel van een deur afsluitbare ruimte.


(…)


Door [persoon 1] , [persoon 7] , [persoon 8] , [persoon 3] (1964), [persoon 5] en [persoon 9] werd die ruimte dan ook wel aangeduid als het "kantoor".


(…)


Naast de schuur met daarin het kantoor zijn er nog enkele andere locaties die op meerdere momenten terugkomen in meerdere zaakdossiers en kennelijk in gebruik waren bij de CSV- deelnemers.”




En:

“Gelaagdheid en taakverdeling binnen de organisatie


Naast het gebruik van "het kantoor" als het van de buitenwereld afgezonderde centrum van waaruit overleg plaatsvond; draagt eveneens de uit de bewijsmiddelen op te maken gelaagdheid binnen de organisatie bij aan het bewijs van het bestaan van een georganiseerde samenwerking met zekere structuur.



[persoon 1] werd als baas binnen de organisatie gezien.


(…)


Naast een duidelijke rol van [persoon 1] als leider van het CSV blijkt uit de bewijsmiddelen dat er een vorm van taakverdeling was op een aantal specifieke soorten van werkzaamheden. [persoon 6] beheerde in haar woning aan de [adres 2] het contante geld; door CSV-deelnemers "de pot" genoemd. Zij maakte in dat kader notities van geldbedragen, van kostenposten en van gedane uitgiften aan personen onder wie CSV- deelnemers en zorgde op die wijze voor een soort van administratie. Zij had daarover overleg met [persoon 1] . Ook anderen waren van die administratie op de hoogte, zoals [persoon 4 ] (1979) en [persoon 10] die een deel van de pot claimden en welke laatste verdachte in een OVC-gesprek met [persoon 3] (1964) verzocht om verstrekking van die notities met betrekking tot de pot ("waar we voor geleefd hebben en gesjouwd en gehaald") ter controle van gedane uitgaven. Het beheer van de pot en de boekhouding deed [persoon 6] samen met haar man, [persoon 3] (1964). Zo controleerden zij samen de boekhouding, telden zij samen het geld en werd de pot in hun gemeenschappelijke woning bewaard c.q. verborgen. In ZD06, dat in het bijzonder betrekking heeft op deze rol van [persoon 6] en [persoon 3] (1964), is te lezen dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachten aan de [adres 2] te [plaats 3] op 14 november 2019 in totaal € 263.525,38 en 77.200,- aan Deense Kronen zijn gevonden. [persoon 1] noemde [persoon 3] (1964) ook wel de kassier aan wie geld (in verband met gesloten transacties) afgedragen kon worden. Andere deelnemers waren eveneens op de hoogte van die geldpot, getuige het feit dat zij blijkens aangetroffen notities en blijkens OVC-gesprekken daaruit via [persoon 6] betaald kregen of al dan niet op verzoek van [persoon 1] daaruit zelf geldbedragen haalden. Naast deze financiële taak stelden [persoon 3] (1964) en [persoon 6] de tot hun woning aan de [adres 2] behorende schuur - gelet op de inrichting ervan - structureel ter beschikking om als "kantoor" te dienen.”




En:

“Het bestaan van een organisatie


Op grond van de hiervoor weergegeven, uit de bewijsmiddelen afgeleide verschijningsvormen van de samenwerking tussen de CSV-deelnemers acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van een gestructureerde en duurzame organisatie waartoe verdachte en de medeverdachten behoorden. Het duurzame karakter blijkt tevens uit de lange periode waarover zich de samenwerking uitstrekte en de intensiteit waarmee men zich — in wisselende samenstellingen – bezig hield met illegale activiteiten en de voorbereiding daarvan. (…) Een aantal van de leden van de criminele organisatie lijkt zich uitsluitend bezig te houden met criminele activiteiten en hier hun “beroep” van te hebben gemaakt.”




En:

“Bijdrage verdachte en wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie


Dat [belanghebbende] tezamen en in vereniging met de overige CSV-deelnemers ook daadwerkelijk deelnam aan die organisatie blijkt uit de overige hem tenlastegelegde - hiervoor besproken - strafbare feiten waaruit, voor zover bewezenverklaard, blijkt van een betekenisvolle bijdrage in de uitvoering van die delicten. [belanghebbende] hield zich in het kader van de criminele organisatie zowel met drugs als met wapens bezig en onderhield nauwe contacten met [persoon 1] . Het feit dat de eerste OVC in het dossier waarop ook de verdachte te horen is, pas van 22 december 2018 dateert, doet niet af aan het feit dat uit het onderzoek is gebleken dat de criminele organisatie in ieder geval sinds 20 maart 2018 al actief was en [belanghebbende] een actieve deelnemer was van die organisatie in de tenlastegelegde periode. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen over de verschijningsvorm van de organisatie en de betrokkenheid van [belanghebbende] daarbij concludeert het hof dat [belanghebbende] minst genomen in zijn algemeenheid wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat daarom zijn bijdrage aan de uitvoering van delicten tevens een opzettelijke bijdrage aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie was.”




En:

“De criminele organisatie werd gekenmerkt door het familiaire karakter. Van de in totaal vijftien geïdentificeerde leden hebben twaalf leden een familierelatie. De organisatie opereerde vanuit het zogenaamde ‘kantoor’, gesitueerd in een schuur. Dit kantoor werd gebruikt als vergader- en ontmoetingsruimte ter bespreking van illegale activiteiten, de ontvangst van criminele contacten en het beslechten van verboden transacties. Ook werden in deze ruimte diverse harddrugs bewerkt en verwerkt en allerhande (automatische) vuurwapens getoond en uitgeprobeerd. Het hof beschouwt het kantoor, net als de rechtbank, als het epicentrum van de organisatie. Het familiaire karakter en het afgeschermde epicentrum hebben ervoor gezorgd dat de organisatie langdurig, afgezonderd en in een vertrouwelijke sfeer heeft kunnen opereren. Het hof is van oordeel dat uit de in het kantoor opgenomen OVC-gesprekken een verontrustend beeld rijst van een organisatie die zich continu en intensief met het beramen en plegen van genoemde misdrijven bezig heeft gehouden.


De verdachte, schoonzoon van de leider van de organisatie, is bij diverse drugs- en wapendelicten concreet betrokken geweest en heeft ten behoeve van de organisatie uiteenlopende uitvoerende werkzaamheden verricht en heeft [persoon 1] soms waargenomen wanneer hij er niet was. Zo heeft hij meermalen illegale transacties (drugs, wapens) zelfstandig afgehandeld. Het hof beschouwt de verdachte, net als de rechtbank, als


een prominent en zeer actief lid van de organisatie. (…)





Bij de doorzoekingen in oktober en november 2019 zijn op de diverse opslaglocaties van de organisatie, waaronder een ondergrondse ruimte gelegen in het bosperceel achter het woonwagenkamp, honderden kilo’s aan drugs en vele stoffen en goederen bestemd voor de productie van synthetische drugs alsmede tientallen (automatische) vuurwapens, onderdelen daarvan, honderden kogels en enkele explosieven aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke hoeveelheid drugs en vuurwapens een enorme (handels)waarde vertegenwoordigen en het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs en vuurwapens - voor het overgrote deel - bestemd waren voor de lucratieve handel.





De beoogde drugsdelicten, soms met een internationaal karakter, besloegen nagenoeg het gehele spectrum van de in de Opiumwet opgesomde verboden gedragingen, zoals: internationale transporten, het bewerken en verwerken, het vervoeren, het verkopen, de productie/fabricage en het aanwezig hebben van harddrugs alsmede voorbereidingshandelingen daartoe. Het ging daarbij om uiteenlopende soorten harddrugs: MDMA, metamfetamine, amfetamine, heroïne en cocaïne. De organisatie deinsde er ook niet voor terug om containers waarvan men - al dan niet na bekomen informatie van corrupte handlangers - dacht dat daarin (mogelijk) drugs waren verstopt, op brutale wijze te stelen.





De verdachte is als lid van de criminele organisatie specifiek betrokken geweest bij meerdere ernstige drugsdelicten: een transport van 99,4 kilo MDMA, de verwerking van


MDMA en/of metamfetamine en de bewerking en verwerking van cocaïne.


(…)


Naast genoemde druggerelateerde delicten hield de organisatie zich ook op grote schaal


bezig met de handel in (automatische) vuurwapens en munitie. De verdachte heeft daar actief aan bijgedragen door zich schuldig te maken aan het voorhanden hebben van een groot aantal vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie en het op (tenminste) 2 dagen verhandelen van vuurwapens.


(…)


Voorts hield de organisatie zich bezig met het witwassen van crimineel geld. [persoon 3] (1964) en diens echtgenote [persoon 6] , de broer en schoonzuster van de leider van de organisatie, beheerden en voerden de administratie van de financiële ‘pot’ en bewaarden ook de contante gelden van de organisatie, ten tijde van de doorzoekingen in november 2019 bestaande uit ruim € 250.000. De verdachte was van het bestaan van de gezamenlijke ‘pot’ op de hoogte en heeft hieruit zelf actief uitbetalingen aan leden van de organisatie


gedaan.


(…)


Kort gezegd: het bestaan van deze criminele organisatie heeft op allerlei fronten een zeer ontwrichtende werking op de samenleving gehad. De verdachte heeft zich van alle hiervoor genoemde negatieve gevolgen niets aangetrokken en gehandeld uit puur financieel eigenbelang. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld


zoals bewezen is verklaard.”






Motivering



Vooraf; aanwezigheid belanghebbende ter zitting

4. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij de rechtbank voorafgaand aan de zitting een bericht heeft gestuurd met het verzoek het vervoer van belanghebbende naar de rechtbank te regelen. De rechtbank heeft dit na afloop van de zitting (nogmaals) gecontroleerd en geconstateerd dat zij een dergelijk bericht in deze zaken niet heeft ontvangen en daarom ook geen vervoer voor belanghebbende heeft verzorgd.




Navorderingsaanslag IB/PVV 2018



4.1.
Partijen zijn het erover eens dat de bewijslast voor het jaar 2018 niet kan worden omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende niet is aangemaand voor het doen van aangifte. De rechtbank zal daarom aan de hand van de normale bewijslastverdeling beoordelen of de navorderingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.



4.2.
De inspecteur heeft de ROW-correctie voor het jaar 2018 gebaseerd op bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek Calabrese en op een aanvullend fiscaal onderzoek (zie 3.11). Daarbij is de inspecteur aangesloten bij de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband, waartoe belanghebbende volgens de inspecteur behoort, zoals die uit het strafdossier en het fiscale onderzoek naar voren komen. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het samenwerkingsverband inkomsten moet hebben gegenereerd om deze uitgaven en investeringen te kunnen doen. De aldus berekende bedragen vormen de basis van de aangebrachte ROW-correcties. Volgens de inspecteur kan een aandeel van 1% in deze inkomsten aan belanghebbende worden toegerekend vanwege zijn actieve rol in het samenwerkingsverband.



4.3.
Belanghebbende bestrijdt dat hij onderdeel was van het samenwerkingsverband. De omvang van de door de inspecteur berekende uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband heeft belanghebbende als zodanig niet bestreden. Hij bestrijdt wel dat daaruit kan worden afgeleid dat het samenwerkingsverband inkomsten heeft genoten tot dezelfde bedragen. Volgens hem maakt de inspecteur niet aannemelijk of, wanneer en door wie dergelijke inkomsten zouden zijn verdiend. Daarnaast betwist belanghebbende het aandeel dat de inspecteur hem daarin toerekent.



4.4.
De rechtbank acht het gelet op het strafrechtelijk vonnis buiten redelijke twijfel dat sprake was van een samenwerkingsverband waarvan belanghebbende deel uitmaakte en waaruit hij aanzienlijke inkomsten genoot (zie 3.15). Voor het jaar 2018 sluit de rechtbank aan bij het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op dit punt.



4.5.
Niet in geschil is dat het samenwerkingsverband in de onderhavige jaren uitgaven heeft gedaan en investeringen heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daaruit mogen afleiden dat tegenover deze uitgaven en investeringen inkomsten moeten hebben gestaan. Uitgaven en investeringen kunnen immers alleen worden gedaan indien daarvoor middelen beschikbaar zijn. De rechtbank acht aannemelijk dat het samenwerkingsverband deze inkomsten in de onderhavige jaren heeft verdiend. Uit de vele tapgesprekken en hetgeen tijdens de doorzoekingen is aangetroffen, volgt dat het samenwerkingsverband zich in de onderhavige jaren onder meer actief bezighield met zeer lucratieve handel waar veel geld in omging. Het is een feit dat dergelijke activiteiten in hoofdzaak worden ontplooid met het doel financieel voordeel te behalen. De rechtbank acht in dit verband niet van belang door wie en in welke mate dit voordeel precies is verdiend; het voordeel is behaald binnen het samenwerkingsverband en wordt daarbinnen verdeeld. De inspecteur dient aannemelijk te maken dat belanghebbende het gestelde inkomen heeft genoten. Uit het strafdossier blijkt dat het samenwerkingsverband slechts één gezamenlijke geldpot aanhield waarin opbrengsten werden samengebracht en waaruit vervolgens de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband werden gefinancierd (zie ook 3.15). De door de inspecteur gestelde opbrengst van het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk. De vraag of de inspecteur aannemelijk maakt dat een aandeel van 1% uit deze pot aan belanghebbende kan worden toegerekend, komt hierna aan de orde.



4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat ten minste 1% van de door het samenwerkingsverband verdiende inkomsten aan belanghebbende zijn toegekomen. Voor dit oordeel sluit de rechtbank aan bij de overwegingen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de rol van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband (zie 3.15). Belanghebbende was een zeer actief lid van dit samenwerkingsverband. Daarnaast volgt uit het strafvonnis dat belanghebbende een min of meer zelfstandige positie innam bij een aantal strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld. Gelet op deze rol binnen het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende niet alleen heeft bijgedragen aan de activiteiten van het samenwerkingsverband, maar ook aanzienlijk heeft gedeeld in de daarmee behaalde opbrengsten. De rechtbank kan niet vaststellen welk aandeel belanghebbende precies had in de pot, wat ook logisch is want belanghebbende en de overige deelnemers van het samenwerkingsverband hebben geen enkel inzicht gegeven in de wijze waarop de opbrengsten binnen het samenwerkingsverband werden verdeeld. Gelet op de hiervoor beschreven rol van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband en gelet op de rollen van de overige deelnemers van het samenwerkingsverband, zoals die volgen uit het strafdossier en het strafvonnis, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende ten minste een aandeel van 1% in de pot toekwam.



4.7.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de inspecteur op basis van een normale bewijslastverdeling erin geslaagd acht om de ROW-correctie voor het jaar 2018 aannemelijk te maken. Dat betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 niet te hoog is vastgesteld. Deze aanslag blijft daarom in stand.



Navorderingsaanslag IB/PVV 2019




4.8.
De inspecteur stelt dat belanghebbende voor het jaar 2019 niet de vereiste aangifte IB/PVV heeft gedaan, nu belanghebbende voor het jaar 2019 geen aangifte heeft ingediend terwijl hij daartoe wel is uitgenodigd en aangemaand. Ter ondersteuning van het vermoeden dat belanghebbende in 2019 inkomsten heeft genoten, heeft de inspecteur een kasopstelling gemaakt waaruit een negatief netto privé blijkt (zie 3.12). Belanghebbende betwist – zakelijk weergegeven – dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Belanghebbende voert daartoe aan dat 1) de uitnodiging en de aanmaning niet heeft ontvangen en 2) dat hij geen inkomsten heeft genoten, zodat om beide redenen geen sprake kan zijn van omkering en verzwaring van de bewijslast.



4.9.
De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en ook geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, derde lid, van de AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn.



4.10.
Vast staat dat belanghebbende geen aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 heeft ingediend vóór de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2019. Belanghebbende ontkent dat hij daartoe op juiste wijze is uitgenodigd en aangemaand. Het ligt op de weg van de inspecteur om verzending van die stukken naar het juiste adres aannemelijk te maken. Uit de gedingstukken is af te leiden dat de brieven zijn geadresseerd aan de PI en dat belanghebbende ten tijde van de verzending aldaar ingeschreven stond. De inspecteur mag als uitgangspunt uitgaan van het adres in de BRP. Dat is ook gebeurd. Daarnaast heeft de inspecteur verzendrapportages overgelegd van de verzending van de brieven. De inspecteur is geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Belanghebbende heeft niet binnen de gestelde aanmaningstermijn aangifte gedaan. Dit brengt mee dat de vereiste aangifte voor het jaar 2019 niet is gedaan, zodat de bewijslast reeds om die reden dient te worden omgekeerd en verzwaard. Belanghebbendes stelling dat hij in 2019 geen inkomsten heeft genoten, baat hem hier niet. Het ligt immers op de weg van belanghebbende, nu hij is uitgenodigd tot het doen van aangifte, om vóór vaststelling van de aanslag IB/PVV 2019 uitdrukkelijk te kennen te geven waarom hij geen belasting verschuldigd zou zijn. Hij had dit bijvoorbeeld kunnen doen door een zogenoemde nihilaangifte te doen. Er is daarom sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast.



4.11.
Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 onjuist is.



4.12.
De rechtbank acht de schatting van de inspecteur redelijk. De inspecteur heeft de ROW-correctie ook voor het jaar 2019 gebaseerd op bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek Calabrese en op een aanvullend fiscaal onderzoek (zie 3.11). Daarbij is de inspecteur ervan uitgegaan dat belanghebbende deel uitmaakte van het samenwerkingsverband, welke deelname gelet op het strafrechtelijk vonnis buiten redelijk twijfel is (zie 3.15).



4.13.
De inspecteur is voor de hoogte van de schatting aangesloten bij de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband. Uit de vele tapgesprekken en hetgeen tijdens de doorzoekingen is aangetroffen, volgt dat het samenwerkingsverband zich onder meer bezighield met drugs- en wapenhandel waarvan het algemeen bekend is dat het zeer lucratief kan zijn. De inspecteur gaat er ook voor het jaar 2019 van uit dat het samenwerkingsverband inkomsten moet hebben gegenereerd uit deze activiteiten, om de zeer aanzienlijke uitgaven en investeringen voor de activiteiten te kunnen doen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een logische redenatie.



4.14.
De aldus berekende bedragen vormen ook de basis van de aangebrachte ROW-correctie. Volgens de inspecteur kan een aandeel van 1% van de gegeneerde inkomsten van het samenwerkingsverband aan belanghebbende worden toegerekend vanwege zijn rol in het samenwerkingsverband. Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk en niet willekeurig dat de inspecteur als uitgangspunt heeft gehanteerd dat belanghebbende 1% van de inkomsten van het samenwerkingsverband heeft genoten. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet overtuigend aangetoond dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 te hoog is vastgesteld.


4.15.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correctie voor het jaar 2019 terecht heeft aangebracht. De navorderingsaanslag IB/PVV 2019 blijft dus in stand.



4.16.
De rechtbank merkt daarbij gelet op de discussie tussen partijen op dat zij gelet op de strafrechtelijke veroordeling en de concrete, gemotiveerde onderbouwing van de inspecteur, ook op grond van een normale bewijslastverdeling tot dit oordeel zou zijn gekomen.



Belastingrentebeschikkingen




4.17.
Omdat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 niet te hoog is vastgesteld, betekent dit dat ook de belastingrentebeschikkingen niet te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de belastingrentebeschikkingen ook geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het beroep met betrekking tot de belastingrentebeschikkingen is daarom ook ongegrond.



Boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018




4.18.
De inspecteur heeft ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te kennen gegeven dat de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 moet worden vernietigd. De rechtbank sluit daar bij aan. Dat betekent dat de rechtbank de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 zal vernietigen.



Boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019




4.19.
Aan belanghebbende is bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft het (voorwaardelijk) opzettelijk dan wel grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid dat de aanslag IB/PVV 2019 tot een te laag bedrag is vastgesteld.



4.20.
De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslag IB/PVV 2019 tot een te laag bedrag is vastgesteld.



4.21.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).



4.22.
De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het (minst genomen) aan het voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de aanslag IB/PVV 2019 tot een te laag bedrag is vastgesteld. Belanghebbende heeft in 2019 veel meer geld uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden (zie 3.12) en heeft daarvoor geen verklaring gegeven. De rechtbank concludeert daarom dat belanghebbende bewust significant inkomen buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden om hierover geen belasting te betalen. Gelet op de actieve rol die belanghebbende vervulde binnen het samenwerkingsverband (zie 3.15), is de rechtbank er ook van overtuigd dat belanghebbende minst genomen een significant deel van dit financiële voordeel toekwam, welke gelden belanghebbende bewust buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dat hij buiten het zicht van justitie wilde blijven, maar niet de intentie had om de inkomsten – voor zover hier sprake van zou zijn – buiten het zicht van de inspecteur te houden. Ook al zou belanghebbende de inkomsten buiten het zicht van de inspecteur hebben gehouden, alleen zodat justitie niet op de hoogte zou geraken van de inkomsten, dan nog is dit een bewuste handeling geweest om inkomsten niet te vermelden waardoor te weinig belasting is geheven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.



4.23.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 33.930 als uitgangspunt passend en geboden. Aan de oplegging van die boete staat niet in de weg dat de grondslag van deze boete tot stand is gekomen aan de hand van inschattingen en er beperkt zicht is op wat er daadwerkelijk is verdiend. Dat is inherent aan het feit dat belanghebbende geen openheid heeft gegeven over zijn genoten inkomsten. Bovendien heeft de inspecteur op een aantal punten conservatief gerekend en heeft belanghebbende de omvang van de inkomsten van het samenwerkingsverband niet betwist. De rechtbank ziet, in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van het ontbreken van draagkracht, geen aanleiding om de boete te matigen.



4.24.
De rechtbank ziet wel aanleiding om de boete te verminderen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’), zoals belanghebbende heeft verzocht. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn op de uitspraakdatum (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan. De boetes moeten daarom als uitgangspunt gematigd met 10%. Omdat de matiging in dat geval meer bedraagt dan € 2.500, wordt de matiging voor deze boetes gemaximeerd op € 2.500. Dat betekent dat de rechtbank de boete vermindert tot € 31.430.



Schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn




4.25.
Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.



4.26.
Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan.



4.27.
Mede gelet op de beroepsgronden, hebben de zaken van belanghebbende over de jaren 2018 en 2019 in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken samen waren betrokken in hetzelfde boekenonderzoek en in de bezwaar- en beroepsfase (nagenoeg) gezamenlijk zijn behandeld, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Dat betekent dat belanghebbende in dit geval wat betreft de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 recht heeft op een immateriëleschadevergoeding van in totaal € 1.000.



4.28.
Omdat de bezwaarfase afgerond 26 maanden heeft geduurd en daarmee – na correctie, waarover partijen het eens zijn – twaalf maanden te lang, komt de volledige vergoeding voor rekening van de inspecteur.



4.29.
Wat betreft de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 geldt dat vanwege de vernietiging van de boete compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet kan worden verleend door vermindering van die boete. Aangezien de boete meer dan € 1.000 bedroeg en belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade, kan compensatie voor deze verdragsschending met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb worden verleend in de vorm van een vergoeding van immateriële schade op eenzelfde wijze als voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019, dus van € 1.000. De vergoeding komt, overeenkomstig het hiervoor onder 4.28 overwogene, volledig voor rekening van de inspecteur.




Conclusie en gevolgen


5. De beroepen die betrekking hebben op de boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 zijn gegrond. Dat betekent dat de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 wordt vernietigd en de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 wordt verminderd tot € 31.430. De beroepen zijn voor het overige ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven.



5.1.
Omdat de beroepen die betrekking hebben op de boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 gegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht van in totaal € 53 terug. Wat betreft een eventuele proceskostenvergoeding is ter zitting gesteld dat de gemachtigde op grond van door de overheid gefinancierde bijstand – een toevoeging – deze procedure voert en belanghebbende daarom voor deze procedure afziet van het verzoek tot proceskostenvergoeding voor de verleende rechtsbijstand.




Beslissing
De rechtbank:


verklaart de beroepen die betrekking hebben op de uitspraken op bezwaar over de boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 gegrond;


verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;


vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019;


vernietigt de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018;


vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 tot € 31.430;


veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 2.000;


bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzitter, en mr. drs. J.H. Bogert en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, leden, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier. De uitspraak is ondertekend door de jongste rechter, omdat de voorzitter verhinderd is de uitspraak te ondertekenen.












griffier


mr. drs. S.J. Willems-Ruesink







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.



Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2023, parketnummer 20-002239-21.


Zie voor een deel van die overwegingen onderdeel 3.15 van deze uitspraak.


Hoge Raad 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1500, r.o. 5.4.


Vgl. Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:30.


Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.


Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.


Vgl. Hoge Raad 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216.