Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8194

2026-08-25 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/4777 tot en met 25/4780
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
BRE 25/4777 tot en met 25/4780
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1856

Inhoudsindicatie

De rechtbank laat de correcties van het resultaat uit overige werkzaamheid in stand, die zijn gemaakt vanwege de inkomsten die belanghebbende heeft genoten en zijn betrokkenheid bij het samenwerkingsverband. De rechtbank beoordeelt tevens de opgelegde boetes.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (66.077 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummers: BRE 25/4777 tot en met 25/4780


uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 augustus 2026 in de zaken tussen





[belanghebbende] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. R. Zilver),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 19 juli 2024.



1.1.
De inspecteur heeft over de jaren 2017 en 2018 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen boetes aan hem opgelegd en belastingrente aan hem in rekening gebracht. De inspecteur heeft voor het jaar 2019 een aanslag IB/PVV aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen een boete aan hem opgelegd en belastingrente aan hem in rekening gebracht. Verder heeft de inspecteur voor het jaar 2019 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikking belastingrente aan hem in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:














Zaaknr.




Jaar




Soort




Dagtekening




Aanslagnummer




Belasting




Boete




Rente





24/4777


2017


IB/PVV


03-09-2021



[aanslagnummer] H.77.01


€ 27.841


€ 838


€ 201




24/4778


2018


IB/PVV


03-09-2021



[aanslagnummer] H.87.01


€ 1.348.867


€ 661.448


€ 106.305




24/4779


2019


IB/PVV


03-09-2021



[aanslagnummer] H.96.01


€ 845.139


€ 422.569


€ 35.235




24/4780


2019


Zvw


03-09-2021



[aanslagnummer] W.96.01.4


€ 3.187


-


€ 132








1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de onder 1.1 genoemde (navorderings)aanslagen en beschikkingen ongegrond verklaard.



1.3.
De geheimhoudingskamer van de rechtbank Den Haag – waar de beroepen oorspronkelijk zijn ingesteld – heeft op 12 mei 2025 beslist op het beroep van de inspecteur op (gedeeltelijke) geheimhouding van bepaalde stukken. De geheimhoudingskamer heeft het verzoek om geheimhouding toegewezen. De beslissing van de geheimhoudingskamer is naar partijen verzonden.



1.4.
De zaken van belanghebbende zijn op 16 september 2025 door rechtbank Den Haag overgedragen aan rechtbank Zeeland-West-Brabant.



1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde en namens de inspecteur: mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Een afschrift van het proces-verbaal van deze zitting is aan deze uitspraak gevoegd.




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2019 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld. Ook de boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018 zijn terecht aan belanghebbende opgelegd, maar de boete over 2018 moet worden verminderd in verband met ‘undue delay’. De boete bij de aanslag IB/PVV 2019 is ten onrechte aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten


3. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1979. Belanghebbende had een relatie met [persoon 1] (de ex-partner). Zij hebben samen twee kinderen.



3.1.
De ex-partner en de kinderen van belanghebbende wonen in de onderhavige jaren op het adres [adres 1] in [plaats 1] . Belanghebbende staat sinds 2012 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op een onbekend adres in [plaats 2] (Duitsland). Het laatst bekende verblijfsadres van belanghebbende is het adres [adres 2] in [plaats 3] (Duitsland). Vanaf het jaar 2017 is er geen verblijfsadres van belanghebbende meer bekend.



Start strafrechtelijke onderzoeken




3.2.
De politie eenheid Oost-Brabant is vanaf februari 2017 meerdere opsporingsonderzoeken gestart die onderling met elkaar samenhangen. Het gaat om de onderzoeken Calabrese, Garborone, Sjingan, Abuja, Workington, Maputo, Parmer en Accrington. De paraplubenaming voor deze onderzoeken is Project Noord, later Calabrese. Aan de start van deze strafrechtelijke onderzoeken ligt informatie uit een ander strafrechtelijk onderzoek, genaamd Debussy, ten grondslag. Uit het onderzoek Debussy is bij de politie het vermoeden ontstaan dat belanghebbende en diverse van zijn familieleden en andere personen in georganiseerd verband actief bezig waren met de handel in en/of productie van verdovende middelen (hierna: het samenwerkingsverband).



3.3.
In het Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC) is in 2018 onder de [naam] een casus naar belanghebbende en zijn familieleden gestart wegens het vermoeden van strafbare feiten.



Woonplaatsonderzoeken




3.4.
De inspecteur heeft naar aanleiding van informatie uit de strafrechtelijke onderzoeken over de woonplaats van belanghebbende een eigen onderzoek ingesteld naar de woonplaats van belanghebbende. Op basis van de bevindingen van dit woonplaatsonderzoek heeft de inspecteur met ingang van 19 februari 2018 ambtshalve het woonadres van belanghebbende in de systemen van de Belastingdienst gewijzigd naar [adres 1] in [plaats 1] .



Aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019




3.5.
De inspecteur heeft met brieven geadresseerd aan de [adres 1] in [plaats 1] belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangiften IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019.



3.6.
Belanghebbende heeft geen aangiften IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019 ingediend.



3.7.
De inspecteur heeft voor de jaren 2017 en 2018 vanwege het uitblijven van de aangiften IB/PVV ambtshalve aanslagen IB/PVV opgelegd naar een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.000 voor beide jaren. Bij gelijktijdige beschikkingen zijn verzuimboetes aan belanghebbende opgelegd.



Boekenonderzoek




3.8.
De inspecteur heeft op 13 november 2019 door het persoonlijk achterlaten van een brief op het adres [adres 1] in [plaats 1] aan belanghebbende aangekondigd een onderzoek te starten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2019.



3.9.
De Belastingdienst heeft in juni 2020 de beschikking gekregen over het digitale strafdossier dat is aangelegd voor belanghebbende om dit dossier te beoordelen op fiscale componenten.



3.10.
De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 12 januari 2021 opnieuw aan belanghebbende aangekondigd een onderzoek te starten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2019. Lopende het onderzoek is de reikwijdte van het onderzoek teruggebracht naar de aangiften IB/PVV voor de jaren 2017 tot en met 2019.



3.11.
De inspecteur heeft op 19 januari 2021 en 2 februari 2021 de Officier van Justitie verzocht om aan hem op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gegevens en inlichtingen uit de strafrechtelijk onderzoeken Liber en Calabrese te verstrekken met het oog op de beoordeling van de belastingaangiften van belanghebbende (de artikel 55 AWR-verzoeken).



3.12.
Verder heeft de inspecteur informatie ontvangen door uitwisselingen op basis van het RIEC-convenant en door middel van verschillende derdenonderzoeken op grond van artikel 53 van de AWR.



3.13.

De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat bij brief van 3 september 2021 aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“
6 RIEC casus [naam]


(…)




6.2


Calabrese


(…)


Fiscale insteek


Bij de berekening van het nadeel wordt uitgegaan van de inkoopbedragen en investeringen in goederen, producten en diensten door belastingplichtige / het crimineel samenwerkingsverband en
niet
van de eventuele verdiensten c.q. winsten. Daar waar onduidelijkheid bestaat over de omvang van de goederen en producten en / of de financiële tegenwaarde van deze goederen en producten is gekozen voor de laagst te stellen waarde(n). We gaan dus uit van de minimale positie.





Wij stellen ons op het standpunt dat het csv inkomsten moet hebben gegenereerd om de gemaakte kosten en investeringen te hebben kunnen doen. Deze bedragen worden als correctiebedragen benoemd.





Om bepaalde fiscale nadeelberekeningen te kunnen maken is onderzoek in het strafdossier én in openbare bronnen gedaan om minimale (aankoop) bedragen te duiden. Voor de volgende zaken zijn berekeningen gemaakt:


Eén kilogram cocaïne (document: Berekening inkoopprijs cocaïne.docx)
bijlage 6-01


Eén kilogram apaan (document: Berekening inkoopkosten Apaan.docx)
bijlage 6-02


Eén xtc pil (document: Berekening inkoopprijs xtc-pillen.docx)
bijlage 6-03


Eén kilogram cannabis (document: Berekening inkoopkosten cannabis.docx)
bijlage 6-04


Invoer één container (document: Berekening kosten invoer container uit Zuid


Amerika.docx)
bijlage 6-05





Het strafrechtelijk onderzoek Calabrese omvat de volgende delicten:


(…)




6.3.

Fiscale recapitulatie strafrechtelijke zaakdossiers









NB: De leden van het csv zijn door de politie in bovenstaande strafzaken gehoord. Géén van de leden van het csv heeft een inhoudelijke verklaring afgelegd. Iedereen beroept zich op het zwijgrecht.”




En:

“
7 Fiscaal onderzoek inkomsten en uitgaven csv


In dit hoofdstuk van de rapportage zal een opsomming gegeven worden van fiscaal onderzoek in strafrechtelijke vastleggingen zoals die in meerdere digitale bestanden hebben plaatsgevonden. Deze vergaarde informatie staat dus los van hetgeen reeds in het strafdossier Calabrese aan de orde is geweest in hoofdstuk 6 van dit rapport. Ondergetekenden hebben onderkend dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van dubbeltellingen. Er is bij de inhoudelijke beoordeling gelet op het voorkomen van dubbeltellingen. In voorkomende gevallen is het fiscale nadeel in de fiscale beoordeling van strafdossier Calabrese opgenomen, zie hoofdstuk 6.






Diverse kosten en investeringen

In dit fiscaal onderzoek is ervoor gekozen de
uitgaven
en investeringen van het csv in beeld te brengen. Na bestudering van de hierboven genoemde informatie over inkomsten en uitgaven is besloten om voor de minimale positie te gaan en ons te richten op de gemaakte kosten en investeringen die het csv heeft gedaan. We hebben ten behoeve van de leesbaarheid een splitsing aangebracht tussen kosten en investeringen betrekking hebbend op de core business van het csv en gemaakte ‘bedrijfskosten’. Ook hier geldt dat door het csv inkomsten moeten zijn gegenereerd om de kosten te hebben kunnen maken en investeringen te hebben kunnen doen.




Boekhouding-administratie
Ook hebben we, na gedaan onderzoek, vastgesteld dat het csv op een andere manier duurzaam bedrijfsmatig handelde, namelijk door het voeren van een boekhouding en het uitvoeren van een (administratieve) controle daarop. Om investeringen en kosten te kunnen betalen is het nodig om een voortdurend zicht te hebben op de financiële situatie. Dat geeft aan dat over het voeren van een administratie is nagedacht en een rolverdeling is bepaald met betrekking tot het verzamelen en vastleggen van aan- en verkopen. Dat betekent vervolgens dat het kasgeld geregeld moest worden geteld en een kasadministratie werd bijgehouden. Het feit dat meerdere geldtelmachines zijn aangetroffen draagt hieraan bij.



Een definitie van boekhouden is het bijhouden van een financiële administratie en dat is wat binnen het csv is vastgesteld aan de hand van gesprekken en aangetroffen primaire bescheiden. Er is géén volledige boekhouding aangetroffen.





Gegenereerde inkomsten
Dat er verdiensten zijn geweest is evident omdat er doorlopend, overtuigend bedrijfsmatig, wordt geïnvesteerd in aankoop van goederen, met name verdovende middelen en uitgaven die met productie van, met name synthetisch drugs en handel in vuurwapens, te maken hebben. Om een beeld te schetsen van de verdiensten geven we in dit hoofdstuk een aantal voorbeelden van gegenereerde inkomsten zoals deze blijken uit vastgelegde informatie, informatie uit pgp telefoons en processen-verbaal van het TCI. Bedrijfseconomisch gezien moeten er verdiensten zijn geweest om vervolgens weer kosten te kunnen betalen of nieuwe investeringen te kunnen doen.



Totaaltelling
Tenslotte is een totaaltelling gemaakt van de uitgaven en gedane investeringen aan de hand van bovengenoemde fiscale onderzoekshandelingen per belastingjaar van de onderzoeksperiode.



NB: Informatie uit ovc-gesprekken


Zoals aangegeven bestaat de voornaamste bron van informatie uit zogenaamde ovc-gesprekken. Dat betekent dat microfoons geplaatst zijn in woningen en werkruimten. De opgenomen en uitgeluisterde gesprekken zijn in processen-verbaal of in mutaties in politie-systemen verwerkt. Deze processen-verbaal en mutaties zijn vervolgens weer de basis voor het uitgevoerde fiscale onderzoek.


(…)



7.6


Recapitulatie kosten en investeringen 2017-2019


Uit de hierboven genoemde informatiebronnen zijn de volgende kosten en investeringen


gedistilleerd.


(…)









(…)









(…)







”




En:

“
9 Crimineel samenwerkingsverband


(…)




9.2


Theoretisch kader


(…)


Wij richten ons primair op de familiaire band en dan nog alleen tussen personen die regelmatig met elkaar activiteiten ontplooien. De overige scharen wij onder medewerkers. Van de resterende 10% nemen wij aan dat deze verdeeld wordt onder medewerkers van de organisatie. Hierop komen wij in specifieke rapportages van deze medewerkers terug.





Fiscaal gezien gaan wij uit van een samenwerkingsverband dat bestaat uit de volgende mensen; [persoon 2] , [persoon 3] (1960), [persoon 4] (1964), [belanghebbende] (1979) en [persoon 5] .





Daarnaast stellen wij ons op het standpunt dat binnen het door ons aangenomen


samenwerkingsverband sprake is van de volgende verdeling van de “opbrengst”;



[persoon 2] 50%



[persoon 3] (1960) 10%



[persoon 4] (1964) 10%



[belanghebbende] (1979) 10%



[persoon 5] 10%





De resterende 10% wordt verdeeld onder medewerkers van de organisatie. Hierop komen wij in specifieke rapportages van deze medewerkers terug.”




En:

“

[belanghebbende] (1979)


Belastingplichtige is de zoon van [persoon 6] (1960) Hij kan worden geduid als meewerkend voorman binnen de criminele organisatie. Hij gaf (mede) vorm aan de plannen van aanpak van de door belastingplichtige geïnitieerde criminele activiteiten, coördineerde de uitvoering, was zelf actief in de uitvoering en voerde zelfstandig deelprojecten uit. Hij regelde of was betrokken bij het organiseren van zaken van facilitaire aard, zoals het op naam van een katvanger laten zetten van een bij de criminele organisatie in gebruik zijnde trekker, het regelen van een stallingsplaats voor de genoemde trekker, het laten huren door een katvanger van een bij de criminele organisatie in gebruik zijnde bedrijfslocatie op de [locatie] te [plaats 4] en de aankoop van een bij de criminele organisatie in gebruik zijnde Chrysler Voyager.


(…)


Uit meerdere passages die hierboven zijn aangehaald blijkt dat belastingplichtige gezien kan worden als een actief lid van het samenwerkingsverband. Bij vrijwel alle feiten waarvan de groepering verdacht wordt is hij betrokken geweest. Per verdenking zal hieronder aangegeven worden welke rol belastingplichtige toebedeeld kan worden.”




En:

“
10 Berekening correcties zaakdossiers en fiscaal onderzoek


In dit hoofdstuk worden de fiscale correcties van het strafdossier Calabrese, zie hoofdstuk 6.3, en het fiscale onderzoek, zie hoofdstuk 7.6, samengevoegd.










10.1


Berekening voor [belanghebbende] naar aandeel in CSV


De fiscale correcties dienen omgeslagen te worden naar het aandeel in het samenwerkingsverband. Voor de onderbouwing verwijzen wij naar hoofdstuk 9 van dit rapport.









”




3.14.

De inspecteur heeft een kasopstelling gemaakt voor de jaren 2017 tot en met 2019 en geconstateerd dat sprake is van een negatief kassaldo over de voornoemde jaren. Het betreft de volgende bedragen.
2017: € 28.164,50
2018: € 67.785,50
2019: € 23.726,35




3.15.
Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2017 en 2018 aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.015 (2017) respectievelijk € 2.612.782 (2018), volledig bestaande uit een correctie resultaat uit overige werkzaamheid (ROW-correctie).



3.16.
Verder heeft de inspecteur naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 (zie 1.1) ambtshalve vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.651.765, volledig bestaande uit een ROW-correctie. De aanslag Zvw 2019 (zie 1.1) is door de inspecteur vastgesteld naar een maximaal bijdrage-inkomen.



Veroordelingen




3.17.
Belanghebbende is bij arrest van 9 november 2023 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar en acht maanden vanwege – kort gezegd – deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven heeft en diverse delicten die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen het arrest van het hof met toepassing van artikel 81 RO verworpen.



3.18.

In het voornoemde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

“Aan de verdachte is zowel het deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr tenlastegelegd als het deelnemen aan een criminele organisatie in de zin van art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr).”




En:

“Het hof is op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel gekomen dat er in de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 sprake is geweest van een organisatie in de hierboven bedoelde zin.”




En:

“Als markant kenmerk van de samenwerking tussen genoemde personen ziet het hof het gebruik van de schuur achter het pand [adres 3] te [plaats 4] , zijnde de woning van [persoon 4] (1964) en [persoon 7] . Gedurende de onderzoeksperiode van 20 maart 2018 tot en met 13 november 2019 werd vastgesteld dat de deelnemers vrijwel dagelijks in wisselende samenstellingen bijeenkwamen op deze locatie en in de schuur, In deze schuur, die onder meer werd gebruikt voor opslag van materialen, bevond zich een afzonderlijke door middel van een deur afsluitbare ruimte.


(…)


Door [persoon 2] , [persoon 8] , [persoon 9] , [persoon 4] (1964), [belanghebbende] en [persoon 10] werd die ruimte dan ook wel aangeduid als het "kantoor".


(…)


Naast de schuur met daarin het kantoor zijn er nog enkele andere locaties die op meerdere momenten terugkomen in meerdere zaakdossiers en kennelijk in gebruik waren bij de CSV- deelnemers.”




En:

“Gelaagdheid en taakverdeling binnen de organisatie


Naast het gebruik van "het kantoor" als het van de buitenwereld afgezonderde centrum van waaruit overleg plaatsvond; draagt eveneens de uit de bewijsmiddelen op te maken gelaagdheid binnen de organisatie bij aan het bewijs van het bestaan van een georganiseerde samenwerking met zekere structuur.



[persoon 2] werd als baas binnen de organisatie gezien.


(…)


Naast een duidelijke rol van [persoon 2] als leider van het CSV blijkt uit de bewijsmiddelen dat er een vorm van taakverdeling was op een aantal specifieke soorten van werkzaamheden. [persoon 7] beheerde in haar woning aan de [adres 3] het contante geld; door CSV-deelnemers "de pot" genoemd. Zij maakte in dat kader notities van geldbedragen, van kostenposten en van gedane uitgiften aan personen onder wie CSV- deelnemers en zorgde op die wijze voor een soort van administratie. Zij had daarover overleg met [persoon 2] . Ook anderen waren van die administratie op de hoogte, zoals [belanghebbende] (1979) en [persoon 11] die een deel van de pot claimden en welke laatste verdachte in een OVC-gesprek met [persoon 4] (1964) verzocht om verstrekking van die notities met betrekking tot de pot ("waar we voor geleefd hebben en gesjouwd en gehaald") ter controle van gedane uitgaven. Het beheer van de pot en de boekhouding deed [persoon 7] samen met haar man, [persoon 4] (1964). Zo controleerden zij samen de boekhouding, telden zij samen het geld en werd de pot in hun gemeenschappelijke woning bewaard c.q. verborgen. In ZD06, dat in het bijzonder betrekking heeft op deze rol van [persoon 7] en [persoon 4] (1964), is te lezen dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachten aan de [adres 3] te [plaats 4] op 14 november 2019 in totaal € 263.525,38 en 77.200,- aan Deense Kronen zijn gevonden. [persoon 2] noemde [persoon 4] (1964) ook wel de kassier aan wie geld (in verband met gesloten transacties) afgedragen kon worden. Andere deelnemers waren eveneens op de hoogte van die geldpot, getuige het feit dat zij blijkens aangetroffen notities en blijkens OVC-gesprekken daaruit via [persoon 7] betaald kregen of al dan niet op verzoek van [persoon 2] daaruit zelf geldbedragen haalden. Naast deze financiële taak stelden [persoon 4] (1964) en [persoon 7] de tot hun woning aan de [adres 3] behorende schuur - gelet op de inrichting ervan - structureel ter beschikking om als "kantoor" te dienen.”




En:

“Het bestaan van een organisatie


Op grond van de hiervoor weergegeven, uit de bewijsmiddelen afgeleide verschijningsvormen van de samenwerking tussen de CSV-deelnemers acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van een gestructureerde en duurzame organisatie waartoe verdachte en de medeverdachten behoorden. Het duurzame karakter blijkt tevens uit de lange periode waarover zich de samenwerking uitstrekte en de intensiteit waarmee men zich — in wisselende samenstellingen – bezig hield met illegale activiteiten en de voorbereiding daarvan. (…) Een aantal van de leden van de criminele organisatie lijkt zich uitsluitend bezig te houden met criminele activiteiten en hier hun “beroep” van te hebben gemaakt.”




En:

“Bijdrage verdachte en wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie


Dat [belanghebbende] (1979) tezamen en in vereniging met de overige CSV-deelnemers ook daadwerkelijk deelnam aan die organisatie blijkt uit de overige hem tenlastegelegde en hiervoor besproken strafbare feiten waaruit — voor zover bewezenverklaard — blijkt van een betekenisvolle bijdrage in de uitvoering van die delicten. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen over de verschijningsvorm van de organisatie en de betrokkenheid van [belanghebbende] (1979) daarbij concludeert het hof dat [belanghebbende] (1979) minst genomen in zijn algemeenheid wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat daarom zijn bijdrage aan de uitvoering van delicten tevens een opzettelijke bijdrage aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie was.”




En:

“De criminele organisatie werd gekenmerkt door het familiaire karakter. Van de in totaal vijftien geïdentificeerde leden hebben twaalf leden een familierelatie. De organisatie opereerde vanuit het zogenaamde ‘kantoor’, gesitueerd in een schuur. Dit kantoor werd gebruikt als vergader- en ontmoetingsruimte ter bespreking van illegale activiteiten, de ontvangst van criminele contacten en het beslechten van verboden transacties. Ook werden in deze ruimte diverse harddrugs bewerkt en verwerkt en allerhande (automatische) vuurwapens getoond en uitgeprobeerd. Het hof beschouwt het kantoor, net als de rechtbank, als het epicentrum van de organisatie. Het familiaire karakter en het afgeschermde epicentrum hebben ervoor gezorgd dat de organisatie langdurig, afgezonderd en in een vertrouwelijke sfeer heeft kunnen opereren. Het hof is van oordeel dat uit de in het kantoor opgenomen OVC-gesprekken een verontrustend beeld rijst van een organisatie die zich continu en intensief met het beramen en plegen van genoemde misdrijven bezig heeft gehouden.


De verdachte is kort gezegd bij zes drugsdelicten betrokken geweest en had een vuurwapen voorhanden. Hoewel [persoon 2] de onbetwiste leider was van de organisatie heeft ook de verdachte ten aanzien van bepaalde strafbare feiten een min of meer vrije, zelfstandige en


belangrijke rol gehad, zoals bij het amfetaminelaboratorium te [plaats 5] . Het hof beschouwt de verdachte als een prominent en zeer actief lid van de organisatie. De onder 5, 6 en 7 bewezenverklaarde feiten zijn bovendien gepleegd nadat in november de


doorzoekingen hadden plaatsgevonden en diverse leden van het CSV, waaronder de leider [persoon 2] , waren aangehouden. Kennelijk vormde zelfs dit voor de verdachte geen belemmering om strafbare feiten te plegen.


(…)


Bij de doorzoekingen in oktober en november 2019 zijn op de diverse opslaglocaties van de organisatie, waaronder een ondergrondse ruimte gelegen in het bosperceel achter het woonwagenkamp, honderden kilo’s aan drugs en vele stoffen en goederen bestemd voor de productie van synthetische drugs alsmede tientallen (automatische) vuurwapens, onderdelen daarvan, honderden kogels en enkele explosieven aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke hoeveelheid drugs en vuurwapens een enorme (handels)waarde vertegenwoordigen en het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs en vuurwapens - voor het overgrote deel - bestemd waren voor de lucratieve handel.





De beoogde drugsdelicten, soms met een internationaal karakter, besloegen nagenoeg het gehele spectrum van de in de Opiumwet opgesomde verboden gedragingen, zoals: internationale transporten, het bewerken en verwerken, het vervoeren, het verkopen, de productie/fabricage en het aanwezig hebben van harddrugs alsmede voorbereidingshandelingen daartoe. Het ging daarbij om uiteenlopende soorten harddrugs: MDMA, metamfetamine, amfetamine, heroïne en cocaïne. De organisatie deinsde er ook niet voor terug om containers waarvan men - al dan niet na bekomen informatie van corrupte handlangers - dacht dat daarin (mogelijk) drugs waren verstopt, op brutale wijze te stelen.





De verdachte heeft als lid van de criminele organisatie voorbereidingshandelingen getroffen met betrekking tot de import van een container waarin oorspronkelijk 315 kilogram cocaïne zat. Met betrekking tot deze voorbereidingshandelingen betrekt het hof bij de strafoplegging dat, hoewel na de inbeslagname door de douane van de container in de haven te Antwerpen nog slechts 400 gram cocaïne in de container bleek te zitten en alle voorbereidingshandelingen die daarna plaatsvonden om de cocaïne veilig te stellen dus daadwerkelijk slechts zagen op 400 gram cocaïne, het plan van de invoer en het vervoer van de container met cocaïne was gericht op 315 kilo.





Verder is de verdachte betrokken geweest bij de verwerking van MDMA en/of metamfetamine, heeft hij voorbereidingshandelingen gepleegd voor de productie in een drugslaboratorium van amfetamine en was hij ook daadwerkelijk betrokken bij de productie van de amfetamine. Daarnaast zijn bij de aanhouding van verdachte op 18 mei 2020 niet alleen 38 XTC-pillen (MDMA) en 475,2 gram ‘Ice-kristallen’ (metamfetamine) aangetroffen, maar ook een bestelbus vol met chemicaliën, welke kennelijk bestemd ware voor de productie van (nog meer) synthetische drugs in opdracht van verdachte.


(…)


Naast genoemde druggerelateerde delicten hield de organisatie zich ook op grote schaal


bezig met de handel in (automatische) vuurwapens en munitie.


(…)


Hoewel dit feit niet afzonderlijk bij de verdachte ten laste is gelegd, blijkt onder meer uit ZD05 dat hij binnen de criminele organisatie ook actief betrokken was bij vuurwapens. Uit de camerabeelden blijkt dat hij geregeld in de schuur was als daar wapens waren of over wapens werd gesproken en uit de OVC-gesprekken blijkt dat hij zelf ook actief deelnam aan die gesprekken (bijv. op 24 en 25 juli 2019). En voorts wordt de verdachte veroordeeld ter zake van het voorhanden hebben van een Beretta vuurwapen.





Voorts hield de organisatie zich bezig met het witwassen van crimineel geld. [persoon 4] (1964) en diens echtgenote [persoon 7] , de oom en tante van verdachte en tevens de broer respectievelijk schoonzuster van de leider van de organisatie, beheerden en voerden de administratie van de financiële ‘pot’ en bewaarden ook de contante gelden van de organisatie, ten tijde van de doorzoekingen in november 2019 bestaande uit ruim € 250.000.


De verdachte was van het bestaan van de gezamenlijke ‘pot’ op de hoogte en ontving zelf


ook geld uit de ‘pot’.


(…)


Kort gezegd: het bestaan van deze criminele organisatie heeft op allerlei fronten een zeer ontwrichtende werking op de samenleving gehad. De verdachte heeft zich van alle hiervoor genoemde negatieve gevolgen niets aangetrokken en gehandeld uit puur (financieel) eigenbelang. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld


zoals bewezen is verklaard.”






Motivering


4. Omwille van de proceseconomie zal de rechtbank eerst beoordelen of de inspecteur bij een reguliere bewijslastverdeling voldoet aan de op hem rustende bewijslast.




Binnenlandse belastingplicht



4.1.
Partijen houdt verdeeld of belanghebbende in de jaren 2017, 2018 en 2019 op basis van artikel 4 van de AWR en voor de toepassing van de belastingverdragen van Nederland met Duitsland respectievelijk Bulgarije (de Verdragen) inwoner was van Nederland, zoals de inspecteur stelt en belanghebbende bestrijdt. Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat hij vanaf 2012 in Duitsland woonde, rond 2014 enige tijd heeft geprobeerd de relatie met zijn ex-partner te herpakken en vanaf 2017 of 2018 in Bulgarije woonde, aldaar bij een gemeente stond ingeschreven en aldaar beschikte over ondernemingen en bankrekeningen waarop loon werd gestort.



4.2.
Een binnenlandse belastingplichtige wordt in Nederland in de belastingheffing betrokken naar zijn wereldinkomen. Op basis van het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) wordt als binnenlands belastingplichtige aangemerkt een natuurlijk persoon die in Nederland woont.



4.3.
Waar iemand woont wordt op grond van artikel 4, eerste lid, van de AWR naar omstandigheden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.



4.4.
De bewijslast van het fiscaal inwonerschap in Nederland rust op de inspecteur. De inspecteur heeft over het fiscaal inwonerschap onder meer – kort en zakelijk weergegeven – de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:


de ex-partner, kinderen en ouders van belanghebbende woonden in de onderhavige jaren in Nederland;


belanghebbende was op 29 mei 2017, de dag van de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] in [plaats 1] , aanwezig in de woning;


tijdens de doorzoeking van de woning op 29 mei 2017 zijn kledingstukken en gebruiksgoederen van een man aangetroffen;


tijdens de doorzoeking van de woning op 29 mei 2017 zijn facturen en andere brieven op naam van belanghebbende aangetroffen;


tijdens de doorzoeking van de woning op 29 mei 2017 is een boete aangetroffen voor een verkeersovertreding in Nederland met daarbij een foto waaruit blijkt dat belanghebbende de auto bestuurde;


belanghebbende heeft tijdens de doorzoeking van de woning op 29 mei 2017 aan de rechter-commissaris verklaard dat hij zich de volgende dag wil inschrijven in Nederland en dat hij recent met de verhuizing was begonnen;


de zwager van belanghebbende heeft in 2017 in een klaagschrift tegen de inbeslagname van zijn auto verklaard dat de auto was gestald in de garage van de woning van belanghebbende en zijn ex-partner aan de [adres 1] in [plaats 1] ;


belanghebbende heeft op 13 maart 2018 met de telefoon van zijn ex-partner een autohandelaar gebeld;


uit afschriften van tapgesprekken blijkt dat belanghebbende refereert naar de woning aan de [adres 1] in [plaats 1] als thuis;


tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] in [plaats 1] op 19 mei 2019 zijn opnieuw facturen en andere brieven op naam van belanghebbende aangetroffen;


belanghebbende is in 2019 eigenaar geworden van een chalet in Friesland;


tijdens de doorzoeking van het chalet op 21 november 2019 hebben de eigenaren van de camping verklaard dat een persoon uit Brabant sinds februari/maart 2019 een eigen chalet had laten plaatsen.


de politie heeft belanghebbende en de op zijn naam geregistreerde auto’s in de jaren 2017, 2018 en 2019 een groot aantal keren in Nederland waargenomen.





4.5.
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de inspecteur heeft aangevoerd in onderlinge samenhang bezien van voldoende gewicht om het oordeel te rechtvaardigen dat tussen belanghebbende en Nederland in de jaren 2017, 2018 en 2019 een duurzame band van persoonlijke aard heeft bestaan in de in 4.3 bedoelde zin. Belanghebbende heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de door de inspecteur overgelegde lijsten met waarnemingen van belanghebbende in Nederland en van de op zijn naam geregistreerde auto’s, dubbeltellingen en onjuiste conclusies bevatten en dat hetgeen de rechter-commissaris heeft opgetekend niet juist is. Ook indien rekening zou worden gehouden met de gestelde ‘dubbeltellingen’, behouden de door de inspecteur aangedragen feiten en omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewicht om voormeld oordeel te dragen. Het voorgaande oordeel sluit overigens niet uit, zoals hiervoor ook overwogen, dat eveneens een band van persoonlijke aard met Duitsland of Bulgarije kan bestaan.



4.6.
Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat belanghebbende in het onderhavige jaar in Nederland woonde in de zin van artikel 4 van de AWR.



4.7.
Voor dat geval heeft belanghebbende een beroep op de Verdragen gedaan. Op basis van artikel 4, eerste lid, van beide Verdragen, betekent de uitdrukking “inwoner van een van de (verdragsluitende) Staten”, voor zover het Nederland en Duitsland betreft en voor zover van belang, iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van Nederland respectievelijk Duitsland, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats. Voor zover het Bulgarije betreft en voor zover hier van belang, betekent voornoemde uitdrukking iedere natuurlijke persoon die, ingevolge de wetgeving van Bulgarije, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn nationaliteit en die geen inwoner is van een derde Staat.



4.8.
Belanghebbende is in Nederland ingevolge de Nederlandse wetgeving aan belasting onderworpen op grond van zijn woonplaats (zie 4.6). Dat betekent dat belanghebbende voor verdragstoepassing als uitgangspunt als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij onder de Verdragen kwalificeert als inwoner van Duitsland of Bulgarije. Dat betekent dat belanghebbende voor verdragstoepassing niet als inwoner van Duitsland of Bulgarije kan worden aangemerkt.



4.9.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur belanghebbende voor de jaren 2017, 2018 en 2019 terecht in Nederland in de belastingheffing heeft betrokken naar zijn wereldinkomen.



(Navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019




4.10.
De inspecteur dient – in het kader van de normale bewijslastverdeling – aannemelijk te maken dat de ROW-correcties voor de jaren 2017, 2018 en 2019 (zie 3.15 en 3.16) terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.



4.11.
De inspecteur heeft de ROW-correcties gebaseerd op bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek Calabrese en op een aanvullend fiscaal onderzoek (zie 3.13). Daarbij is de inspecteur aangesloten bij de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband, waartoe belanghebbende volgens de inspecteur behoort, zoals die uit het strafdossier en het fiscale onderzoek naar voren komen. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het samenwerkingsverband inkomsten moet hebben gegenereerd om deze uitgaven en investeringen te kunnen doen. De aldus berekende bedragen vormen de basis van de aangebrachte ROW-correcties. Volgens de inspecteur kan een aandeel van 10% in deze inkomsten aan belanghebbende worden toegerekend vanwege zijn prominente rol in het samenwerkingsverband.



4.12.
Belanghebbende bestrijdt dat hij onderdeel was van een samenwerkingsverband. De omvang van de door de inspecteur berekende uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband heeft belanghebbende als zodanig niet bestreden. Hij bestrijdt wel dat daaruit kan worden afgeleid dat het samenwerkingsverband inkomsten heeft genoten tot dezelfde bedragen. Volgens hem maakt de inspecteur niet aannemelijk of, wanneer en door wie dergelijke inkomsten zouden zijn verdiend. Daarnaast betwist belanghebbende het aandeel dat de inspecteur hem daarin toerekent.



4.13.
De rechtbank acht het gelet op het strafrechtelijk vonnis buiten redelijke twijfel dat sprake was van een samenwerkingsverband waarvan belanghebbende deel uitmaakte en waaruit hij aanzienlijke inkomsten genoot (zie 3.18). Voor de jaren 2018 en 2019 sluit de rechtbank aan bij het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op dit punt. Voor het jaar 2017 is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat bij het controlerapport, die het oordeel rechtvaardigen dat belanghebbende in dat jaar activiteiten ontplooide waarmee aanzienlijk inkomen werd gegenereerd, welke niet zijn opgegeven aan de Belastingdienst.



4.14.
Niet in geschil is dat het samenwerkingsverband in de onderhavige jaren uitgaven heeft gedaan en investeringen heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daaruit mogen afleiden dat tegenover deze uitgaven en investeringen inkomsten moeten hebben gestaan. Uitgaven en investeringen kunnen immers alleen worden gedaan indien daarvoor middelen beschikbaar zijn. De rechtbank acht aannemelijk dat het samenwerkingsverband deze inkomsten in de onderhavige jaren heeft verdiend. Uit de vele tapgesprekken en hetgeen tijdens de doorzoekingen is aangetroffen, volgt dat het samenwerkingsverband zich in de onderhavige jaren onder meer actief bezighield met zeer lucratieve handel waar veel geld in omging. Het is een feit dat dergelijke activiteiten in hoofdzaak worden ontplooid met het doel financieel voordeel te behalen. De rechtbank acht in dit verband niet van belang door wie en in welke mate dit voordeel precies is verdiend; het voordeel is behaald binnen het samenwerkingsverband en wordt daarbinnen verdeeld. De inspecteur dient aannemelijk te maken dat belanghebbende het gestelde inkomen heeft genoten. Uit het strafdossier blijkt dat het samenwerkingsverband slechts één gezamenlijke geldpot aanhield waarin opbrengsten werden samengebracht en waaruit vervolgens de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband werden gefinancierd (zie ook 3.18). De door de inspecteur gestelde opbrengst van het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk. De vraag of de inspecteur aannemelijk maakt dat een aandeel van 10% uit deze pot aan belanghebbende kan worden toegerekend, komt hierna aan de orde.



4.15.
Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat ten minste 10% van de door het samenwerkingsverband verdiende inkomsten aan belanghebbende zijn toegekomen. Voor dit oordeel sluit de rechtbank aan bij de overwegingen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de rol van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband (zie 3.18). Belanghebbende was een prominent en zeer actief lid van dit samenwerkingsverband. Daarnaast volgt uit het strafvonnis dat belanghebbende een min of meer vrije en zelfstandige positie innam bij een aantal strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld. Gelet op deze rol binnen het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende niet alleen heeft bijgedragen aan de activiteiten van het samenwerkingsverband, maar ook aanzienlijk heeft gedeeld in de daarmee behaalde opbrengsten. De rechtbank kan niet vaststellen welk aandeel belanghebbende precies had in de pot, wat ook logisch is want belanghebbende en de overige deelnemers van het samenwerkingsverband geven geen enkel inzicht gegeven in de wijze waarop de opbrengsten binnen het samenwerkingsverband werden verdeeld. Gelet op de hiervoor beschreven rol van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband en gelet op de rollen van de overige deelnemers van het samenwerkingsverband, zoals die volgen uit het strafdossier en het strafvonnis, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende ten minste een aandeel van 10% in de pot toekwam.



4.16.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de inspecteur op basis van een normale bewijslastverdeling erin geslaagd acht om de ROW-correcties aannemelijk te maken. Dat betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 niet te hoog is vastgesteld. Deze aanslagen blijven daarom in stand.



Aanslag Zvw 2019 en belastingrentebeschikkingen




4.17.
Omdat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 niet te hoog is vastgesteld, betekent dit dat ook het bijdrage-inkomen voor de aanslag Zvw 2019 en de belastingrentebeschikkingen niet te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de aanslag Zvw 2019 en de belastingrentebeschikkingen ook geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het beroep met betrekking tot de aanslag Zvw 2019 en de belastingrentebeschikkingen is daarom ook ongegrond.



Boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018




4.18.
Aan belanghebbende zijn bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018 vergrijpboetes opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft het (voorwaardelijk) opzettelijk dan wel grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid dat de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 tot te lage bedragen zijn vastgesteld.



4.19.
De rechtbank stelt voorop dat het beboetbare feit dat op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan leiden tot een vergrijpboete bij navordering, niet is beperkt tot een bepaald handelen of nalaten met betrekking tot de aangifte. Deze vergrijpboete kan worden opgelegd indien het met betrekking tot een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of dat anderszins te weinig belasting is geheven. Door deze andere, ruimere omschrijving van het beboetbare feit, waarbij slechts de gevolgen van het handelen of nalaten van de belastingplichtige worden genoemd, bestaat de mogelijkheid tot het opleggen van een vergrijpboete op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR ook in gevallen waarin de belastingplichtige niet correct is uitgenodigd en aangemaand tot het doen van aangifte, zoals hier aan de orde.



4.20.
De rechtbank overweegt verder dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 tot te lage bedragen zijn vastgesteld.



4.21.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).



4.22.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De inspecteur heeft overtuigend aangetoond dat belanghebbende in de onderhavige jaren deel uitmaakte van een zeer lucratief samenwerkingsverband (zie 3.13) waaruit belanghebbende omvangrijke inkomsten genoot. De rechtbank acht het voorts buiten redelijke twijfel dat het samenwerkingsverband ook in 2017 al lucratieve activiteiten ontplooide. Het is een feit van algemene bekendheid dat over het daarmee door belanghebbende behaalde financiële voordeel inkomstenbelasting is verschuldigd. Onder meer gelet op het karakter van de activiteiten die door het samenwerkingsverband werden ontplooid, acht de rechtbank het buiten redelijke twijfel dat belanghebbende dit voordeel bewust buiten het zicht van de Belastingdienst heeft willen houden, waardoor hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 tot te lage bedragen zouden worden vastgesteld. De inspecteur heeft de boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018 dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.



4.23.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank boetes van € 838 (2017) en € 661.448 (2018) als uitgangspunt passend en geboden. Aan de oplegging van die boetes staat niet in de weg dat de grondslag van deze boetes tot stand is gekomen aan de hand van inschattingen en er beperkt zicht op wat er daadwerkelijk is verdiend. Dat is inherent aan het feit dat belanghebbende geen openheid heeft gegeven over zijn genoten inkomsten. Bovendien heeft de inspecteur op een aantal punten conservatief gerekend en heeft belanghebbende de omvang van de inkomsten van het samenwerkingsverband niet betwist. De rechtbank ziet, in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van het ontbreken van draagkracht, geen aanleiding om de boetes te matigen.



4.24.
De rechtbank ziet wel aanleiding voor vermindering in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’) dan wel vaststelling dat de termijn is overschreven. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn op de uitspraakdatum (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan. De boetes voor zover deze meer dan € 1.000 bedragen, moeten dan als uitgangspunt worden gematigd met 10%. Omdat de matiging in dat geval voor de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 meer bedraagt dan € 2.500, wordt de matiging voor die boete gemaximeerd op € 2.500. Dat betekent dat de rechtbank die boete vermindert tot € 658.948 (2018). De boete over 2017 is minder dan € 1.000 euro (namelijk € 838) en aldus volstaat de rechtbank met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.



Boete bij de aanslag IB/PVV 2019




4.25.
Aan belanghebbende is bij de aanslag IB/PVV 2019 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67d van de AWR en paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk geen aangifte IB/PVV 2019 gedaan.



4.26.
De rechtbank stelt voorop dat van het niet doen van de aangifte zoals bedoeld in artikel 67d van de AWR alleen kan worden gesproken als de betrokkene (i) is uitgenodigd tot het doen van aangifte, (ii) de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken, en (iii) tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, lid 3, AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn.



4.27.
Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV 2019 gedaan en stelt dat hij de uitnodiging, herinnering en aanmaning daartoe ook niet heeft ontvangen. Volgens belanghebbende zijn deze stukken naar het verkeerde adres zijn gestuurd. Het ligt op de weg van de inspecteur om verzending naar het juiste adres aannemelijk te maken. De inspecteur stelt dat de stukken terecht zijn verstuurd naar het adres [adres 1] in [plaats 1] .



4.28.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur reeds ten aanzien van de aanmaning niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Bij de inspecteur was sinds 2017 geen officieel verblijfsadres van belanghebbende bekend. Hoewel er aanwijzingen waren dat belanghebbende in de onderhavige jaren in [plaats 1] verbleef, staat vast dat belanghebbende ten tijde van de verzending van de aanmaning al gedetineerd was. De aanmaning had daarom naar de penitentiaire inrichting moeten worden gestuurd waar belanghebbende op dat moment verbleef en niet naar het adres in [plaats 1] . De inspecteur heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat de aanmaning naar het juiste adres is verzonden. De rechtbank kan in het midden laten of dit voor de uitnodiging anders is.



4.29.
Omdat belanghebbende niet op juiste wijze is aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2019, kon de inspecteur dan ook dat jaar geen vergrijpboete opleggen op basis van artikel 67d van de AWR. De rechtbank zal deze boete daarom vernietigen.



Schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn




4.30.
Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.



4.31.
Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan.



4.32.
Mede gelet op de beroepsgronden, hebben de zaken van belanghebbende over de jaren 2017, 2018 en 2019 in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken samen waren betrokken in hetzelfde boekenonderzoek en in de bezwaar- en beroepsfase (nagenoeg) gezamenlijk zijn behandeld, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Dat betekent dat belanghebbende in dit geval wat betreft de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 recht heeft op een immateriële schadevergoeding van in totaal € 1.000.



4.33.
Omdat de bezwaarfase afgerond 34 maanden heeft geduurd en daarmee – na correctie, waarover partijen het eens zijn – 4 maanden te lang, komt € 333,33 (4/12e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 666,67) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.



4.34.
Wat betreft de boete bij de aanslag IB/PVV 2019 geldt dat vanwege de vernietiging van de boete compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet kan worden verleend door vermindering van die boete. Aangezien de boete meer dan € 1.000 bedroeg en belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade, kan compensatie voor deze verdragsschending met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb worden verleend in de vorm van een vergoeding van immateriële schade op eenzelfde wijze als voor de aanslag IB/PVV 2019, dus van € 1.000. Van deze vergoeding komt ook, overeenkomstig het hiervoor onder 4.33 overwogene, € 333,33 (4/12e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 666,67) voor rekening van de Staat.




Conclusie en gevolgen


5. De beroepen die betrekking hebben op de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 zijn gegrond. Dat betekent dat de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 wordt verminderd tot € 658.948 en de boete bij de aanslag IB/PVV 2019 wordt vernietigd. De beroepen zijn voor het overige ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 – en de boete voor dat jaar – en 2018, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven. Tot slot bestaat er recht op een vergoeding van immateriële schade van in totaal € 2.000.



5.1.
Omdat de beroepen die betrekking hebben op de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 gegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht van in totaal € 51 terug. Belanghebbende heeft als uitgangspunt ook recht op een proceskostenvergoeding. Belanghebbende heeft echter geen kosten gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen, zodat een proceskostenveroordeling achterwege blijft. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de gemachtigde op grond van een toevoeging bijstand verleend aan belanghebbende en ter zitting afstand heeft gedaan van een proceskostenvergoeding voor de verleende rechtsbijstand.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart de beroepen die betrekking hebben op de uitspraken op bezwaar over de boetes bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en bij de aanslag IB/PVV 2019 gegrond;


verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;


vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de boetes bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en bij de aanslag IB/PVV 2019;


vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 tot € 658.948;


vernietigt de boete bij de aanslag IB/PVV 2019;


veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van €666,66;


veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.333,34;


bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.





Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzitter, en mr. drs. J.H. Bogert en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, leden, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 25 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is ondertekend door de jongste rechter, omdat de voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.













griffier


mr. drs. S.J. Willems-Ruesink







De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.



Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.




Rechtbank Den Haag 12 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24164.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2023, parketnummer 20-002238-21.


Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 12 april 2012.


Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bulgarije tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Sofia, 6 juli 1990.


Vgl. bijv. Hoge Raad 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466; en Hoge Raad 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824.


Zie voor een deel van die overwegingen onderdeel 3.18 van deze uitspraak.


Vgl. Hoge Raad 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1500.


Vgl. Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.


Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297 .


Vgl. Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1341.


Vgl. Hoge Raad 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216.


Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.