Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8149
2026-08-25
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
BRE 25/1796 WW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Maatregel vanwege het niet tijdig indienen van een aanvraag om een WW-uitkering. Beroep gegrond en zelf voorzien omdat het UWV ten onrechte geen dwangsom heeft vastgesteld in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2021:1500 Centrale Raad van Beroep 09-07-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.864 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1796 WW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser,
(gemachtigde: mr. ir. H.H. Veurtjes),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: mr. H.M. van Gent).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan eiser en oplegging van een maatregel aan hem. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is voor zover het de dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen door het UWV betreft. Eiser krijgt dus in zoverre gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een werkloosheidsuitkering. Het UWV heeft deze uitkering met het besluit van 20 september 2024 toegekend en aan eiser een maatregel opgelegd. Met het bestreden besluit van 12 maart 2025 op het bezwaar van eiser heeft het UWV dat ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar. Met het bestreden besluit heeft het UWV alsnog beslist op dat bezwaar. Eisers beroep is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Daar is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser was met ingang van 11 maart 2019 werkzaam bij [bedrijf] B.V. als fabrieksassistent. Met de vaststellingsovereenkomst van 25 maart 2024 is dit dienstverband met ingang van 1 juni 2024 beëindigd.
3.1
Op 16 september 2024 heeft eiser bij het UWV een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend.
3.2
Met het primaire besluit van 20 september 2024 heeft het UWV aan eiser over de periode van 3 juni 2024 tot en met 2 maart 2025 een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een WW-maandloon van € 2.773,13, en aan hem een maatregel opgelegd, inhoudende verlaging van de uitkering met 20% gedurende 2 maanden met ingang van 10 juni 2024, vanwege het niet tijdig indienen van een aanvraag voor een WW-uitkering.
Op 5 november 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit
3.3
Met de brief van 26 november 2024 heeft het UWV geconcludeerd dat eisers bezwaarschrift tegen het primaire besluit te laat is ontvangen. Eiser krijgt tot en met
24 december 2024 om de reden daarvan te laten weten. Gemachtigde van eiser heeft met de brief van 3 december 2024, door het UWV op 4 december 2024 ontvangen, de redenen meegedeeld.
3.4
In de brief van 16 december 2024 stelt het UWV dat hij uiterlijk 10 februari 2025 een beslissing op bezwaar moet nemen.
3.5
Met de brief van 3 februari 2025, door het UWV ontvangen op 5 februari 2025, heeft eiser het UWV in gebreke gesteld.
3.6
Met de brief van 7 februari 2025 heeft het UWV de beslistermijn met 6 weken verlengd, tot en met 24 maart 2025.
Bestreden besluit
3.7
Met het bestreden besluit van 12 maart 2025 heeft het UWV eisers bezwaar tegen het primaire besluit ontvankelijk en ongegrond verklaard. Het UWV gaat ervan uit dat het bezwaar tijdig is.
3.7.1
Het UWV stelt de eerste werkloosheidsdag terecht te hebben vastgesteld op 3 juni 2024. Het dienstverband van eiser met [bedrijf] is op 1 juni 2024 beëindigd. Er is daarom een arbeidsurenverlies op (maandag) 3 juni 2024. Als wordt uitgegaan van de aanvraag met ingang van 2 september 2024 dan voldoet eiser niet aan de wekeneis en komt hij niet in aanmerking voor een WW-uitkering.
3.7.2
Omdat de eerste werkloosheidsdag 3 juni 2024 is, loopt de referteperiode van
1 mei 2023 tot en met 30 april 2024. Het dag/maandloon bedraagt, gelet op deze periode,
€ 127,50/€ 2.773,13.
3.7.3
Eiser heeft op 16 september 2024 een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend, terwijl het dienstverband al met ingang van 1 juni 2024 is beëindigd. Volgens de regels had eiser binnen één week na 1 juni 2024, uiterlijk 8 juni 2024, een aanvraag moeten indienen. Omdat 8 juni 2024 op een zaterdag valt had hij uiterlijk 10 juni 2024 een aanvraag moeten doen. Eiser heeft dat echter pas op 16 september 2024 gedaan. In dat geval volgt, bij overschrijding met 91 tot en met 180 kalenderdagen, een maatregel van 20% over
2 maanden.
3.7.4
Met betrekking tot eisers stelling dat hem de late aanvraag niet kan worden verweten, omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is, stelt het UWV dat onbekendheid met wet- en regelgeving het gedrag niet minder verwijtbaar maakt. Daarnaast had eiser een beroep kunnen doen op zijn gemachtigde, die hem in ieder geval tot en met 27 juni 2024 heeft bijgestaan in andere procedures.
3.7.5
Volgens het UWV is niet gebleken van dringende redenen om af te zien van de maatregel.
Beroep
4. Eiser stelt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt dan wel overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is en dat de beslistermijn op 31 januari 2025 eindigde. Met de brief van 3 februari 2025 heeft eiser het UWV in gebreke gesteld. Dat betekent dat het UWV vanaf 17 februari 2025 een dwangsom verschuldigd was. Er was geen grond om de beslistermijn op grond van artikel 7:10 van de Awb op te schorten.
4.1
Eiser stelt verder dat hij pas op 1 augustus 2024 werkloos is geworden. De arbeidsovereenkomst is per 1 juni 2024 beëindigd maar er is tot 1 augustus 2024 een transitievergoeding betaald. De transitievergoeding is te beschouwen als een recht op inkomen uit arbeid, zoals bedoeld in artikel 1a van de WW. Volgens eiser zou de ingangsdatum 1 september 2024 moeten zijn.
4.2
Gelet op de complexiteit van de wetgeving en omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, kan eiser ook niet worden verweten dat hij een vergissing heeft gemaakt in de ingangsdatum en hij zijn aanvraag niet tijdig heeft ingediend.
4.3
Eiser heeft op 16 september 2024 een aanvraag om een WW-uitkering gedaan en daarbij aangegeven dat de eerste dag waarop hij zou gaan werken als zijn arbeidsovereenkomst niet was gestopt, maandag 2 september 2024 zou zijn. De overschrijding is daarmee niet meer dan 14 dagen. Eiser meent dan ook dat het UWV had moeten volstaan met een waarschuwing.
4.4
Tot slot stelt eiser dat het UWV niet heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 4:84 van de Awb. Daarnaast zijn volgens eiser de indexering onjuist en de nabetalingen te laag.
Verweer
5. Het UWV heeft in reactie op de beroepsgronden (aanvullend) gesteld dat de termijn om te beslissen op bezwaar niet is overschreden. Het UWV had tot en met 24 maart 2025 daarvoor de tijd en heeft op 12 maart 2025 beslist. Er is dan ook geen dwangsom verbeurd. De ingebrekestelling is prematuur.
5.1
Met betrekking tot de indexering stelt het UWV (louter ter informatie) dat eiser op
14 maart 2025 een nabetaling op zijn WW-uitkering inclusief wettelijke rente heeft ontvangen en op 9 april 2025 een betaling van vakantietoeslag. Deze betalingen vallen overigens buiten de omvang van het geding, omdat de datum in geding 3 juni 2024 is.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
7. Ten aanzien van eisers stelling dat zijn bezwaar wél tijdig is ingediend dan wel overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is, overweegt de rechtbank dat dat niet (meer) relevant is nu het UWV inhoudelijk heeft beslist op eisers bezwaar en dat niet niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Op grond van een uitspraak van 9 juli 2021 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geldt namelijk sindsdien dat de bestuursrechter de tijdigheid van bezwaar niet ambtshalve behoort te beoordelen.
7.1
Ter beoordeling ligt aan de rechtbank uitsluitend voor of het UWV op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser met ingang van 3 juni 2024 werkloos is en aan hem een maatregel heeft opgelegd. De indexering en de nabetalingen vormen geen onderdeel van de besluitvorming en kunnen daarmee geen onderwerp van het onderhavige geschil zijn.
Eerste werkloosheidsdag
7.2
Op grond van de artikelen 15, 16 en 16a van de WW heeft de werkloze werknemer recht op uitkering. Werkloos is de werknemer die een verlies aan arbeidsuren heeft en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. De eerste dag van werkloosheid is de eerste dag waarop een verlies van een of meer arbeidsuren intreedt.
7.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht gesteld dat uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat de arbeidsovereenkomst op (zaterdag) 1 juni 2024 is geëindigd en de eerste dag van werkloosheid (maandag) 3 juni 2024 is. De transitie-vergoeding is niet een verloond arbeidsuur. Bovendien is deze vergoeding niet (na
1 juni 2024) als sv-loon opgevoerd in de polisadministratie. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden gesteld dat artikel 1a van de WW aan de orde is; de transitievergoeding kan niet worden gelijkgesteld met arbeidsuren en eiser is niet pas na afloop van een daarmee gelijk te stellen periode werkloos geworden.
Maatregel
7.4
Op grond van de artikel 26 van de WW is de werknemer verplicht om binnen één week na het intreden van zijn werkloosheid bij het UWV een aanvraag om een uitkering in te dienen. Bij het niet nakomen van deze verplichting weigert het UWV op grond van artikel 27 van de WW de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk (een zogenaamde maatregel). Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn of als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Op grond van de artikelen 2 en 3 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten is het niet nakomen van voormelde verplichting ingedeeld in de eerste categorie. De maatregel is in dat geval 5% van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 2% of ten hoogste 20% van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste een maand.
In de artikel 5 van de Beleidsregel maatregelen UWV is bepaald dat bij het niet naleven van een termijngebonden verplichting uit de eerste categorie de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld op 20% indien de termijnoverschrijding groter is dan 60 kalenderdagen en bovendien op twee maanden indien de termijnoverschrijding groter is dan 90 kalenderdagen maar niet groter dan 180 kalenderdagen. Als sprake is van verminderde verwijtbaarheid wordt de maatregel anders vastgesteld.
7.5
Zoals reeds geoordeeld heeft het UWV de eerste werkloosheidsdag terecht vastgesteld op 3 juni 2024 is. Eiser heeft pas op 16 september 2024 een aanvraag voor een werkloosheidsuitkering ingediend. Dat betekent dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting om binnen één week na het intreden van de werkloosheid een aanvraag te doen. Gelet op de mate van overschrijding van die termijn was het UWV gehouden om een maatregel op te leggen, inhoudende verlaging van de uitkering gedurende twee maanden met 20%.
7.6
Eiser heeft gesteld dat hem niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een aanvraag heeft gedaan, gelet op de complexiteit van de wetgeving en omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen omstandigheid die als dringende reden kan worden aangemerkt noch een omstandigheid om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Als eiser de Nederlandse taal onvoldoende machtig is had hij zelf moeten zorgen voor bijstand van iemand die dat wel is en zich moeten laten voorlichten over zijn rechten en plichten. Dat hij dat heeft nagelaten dient voor zijn rekening en risico te komen. Verder is voor de rechtbank van belang dat eiser de vaststellingsovereenkomst al op 25 maart 2024 heeft ondertekend en dus toen al wist dat hij met ingang van 1 juni 2024 niet meer werkzaam zou zijn voor [bedrijf]. Eiser had dan ook voldoende tijd om een aanvraag in te dienen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de maatregel te matigen of daarvan af te zien.
Evenredigheidsbeginsel
7.7
Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat het UWV een aandeel heeft gehad in de te late aanvraag. Verder is niet gesteld of gebleken dat eiser door de maatregel in zodanige financiële omstandigheden is geraakt dat de gevolgen van de maatregel onevenredig zijn in verhouding tot eisers belangen. Het (eventuele) beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Dwangsom in verband met niet tijdig beslissen door het UWV
7.8
Artikel 129 van de WW bepaalt dat het UWV beslist binnen 13 weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
7.9
Het primaire besluit dateert van 20 september 2024. De rechtbank stelt vast dat tegen dat besluit tot en met 1 november 2024 bezwaar kon worden gemaakt en dat de uiterste datum om daarop te beslissen 31 januari 2025 is, tenzij de beslistermijn is verlengd.
7.10
Met de brief van 26 november 2024 heeft het UWV aan eiser verzocht aan te geven waarom pas op 5 november 2024 bezwaar is gemaakt terwijl de bezwaartermijn op
1 november 2024 afliep. Volgens het UWV is met deze brief de beslistermijn opgeschort totdat eiser hierop met zijn brief van 3 december 2024 reageerde.
7.11
De rechtbank volgt het UWV daarin niet. Het (mogelijk) niet tijdig maken van bezwaar is geen verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb dat hersteld kan worden, en daarmee geen omstandigheid die op grond van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb kan leiden tot opschorting van de beslistermijn.
Aangezien de beslistermijn niet is opgeschort, verliep die termijn op 31 januari 2025. Het verlengen van de beslistermijn nadien, met de brief van het UWV van 7 februari 2025, was toen niet meer mogelijk. De ingebrekestelling van 3 februari 2025, die het UWV op
5 februari 2025 heeft ontvangen, is dan ook niet prematuur.
Het UWV had, op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb, binnen 2 weken na
5 februari 2025 dienen te beslissen. Het UWV heeft echter pas op 12 maart 2025 beslist. Dit betekent dat hij een dwangsom van € 567,- heeft verbeurd. Het UWV heeft die dwangsom ten onrechte niet vastgesteld in het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is daarom gegrond voor zover dat ziet op de dwangsom en ongegrond voor zover het de maatregel betreft. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het UWV daarin geen dwangsom heeft vastgesteld. De rechtbank voorziet zelf en stelt de dwangsom vast op € 567,-.
8.1
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt hij ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit op bezwaar van 12 maart 2025 voor zover daarin geen dwangsom is vastgesteld;
- bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 497,- heeft verbeurd en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 25 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Werkloosheidwet
Artikel 1a
1. Onder arbeidsuur wordt in deze wet verstaan:
a. uur waarover een werknemer inkomen uit arbeid heeft ontvangen; of
b. uur waarover een werknemer recht heeft op inkomen uit arbeid.
Artikel 15
Met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen heeft de werknemer die werkloos is recht op uitkering.
Artikel 16
1. Werkloos wordt de werknemer die:
a. in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek; en
b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
Artikel 16a
1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de eerste dag van werkloosheid de eerste dag waarop een verlies van een of meer arbeidsuren intreedt in de kalenderweek waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 16, eerste of vierde lid.
Artikel 26
1. De werknemer is verplicht:
b. binnen één week na het intreden van zijn werkloosheid bij het UWV een aanvraag om een uitkering in te dienen;
Artikel 27
3. Het UWV weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 4°, of vijfde lid, of 26, artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 28, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, dan wel ter zake van het niet binnen de door het UWV daarvoor vastgestelde termijn nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25.
6. Een maatregel als bedoeld in het derde of vierde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
8. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 129
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het UWV binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
Artikel 6:5
1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d. de gronden van het bezwaar of beroep.
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 7:10
1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
2. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
Artikel 2
1. De hoogte en duur van een, op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met n, genoemde wetten, op te leggen maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste € 25 bedraagt, vastgesteld op:
a. 5 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste
2 procent of ten hoogste 20 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste een maand bij verplichtingen uit de eerste categorie, bedoeld in artikel 3;
Artikel 3. Eerste categorie
De verplichtingen op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met o, genoemde wetten, worden ingedeeld in de eerste categorie voor zover zij betrekking hebben op:
a. het tijdig aanvragen van de uitkering, bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, onderdeel b, van de WW, 34, derde lid, en 34a, vierde lid, van de WAO, 64, derde lid, van de Wet WIA, 35, vierde lid, van de WAZ, 28, vierde lid, van de WAJONG en artikel 3:22, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg;
Beleidsregel maatregelen UWV
Artikel 4
1. Het UWV ziet af van het opleggen van een maatregel en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien wordt voldaan aan alle bij of krachtens de wet daaraan gestelde voorwaarden.
2. In afwijking van het eerste lid wordt bij het niet naleven van een termijngebonden verplichting een maatregel opgelegd indien de termijnoverschrijding groter is dan veertien kalenderdagen. Indien in de periode van veertien kalenderdagen een of meer werkdagen voorkomen waarop de kantoren van het UWV gesloten zijn, wordt die periode met even zo veel werkdagen verlengd.
Artikel 5
1. Bij het niet naleven van een termijngebonden verplichting uit de eerste categorie wordt de hoogte van de maatregel vastgesteld op 10 procent indien de termijnoverschrijding groter is dan 30 kalenderdagen maar niet groter dan 60 kalenderdagen, en op 20 procent indien de termijnoverschrijding groter is dan 60 kalenderdagen. Bovendien wordt de duur van de maatregel vastgesteld op twee maanden indien de termijnoverschrijding groter is dan 90 kalenderdagen maar niet groter dan 180 kalenderdagen, en op drie maanden indien de termijnoverschrijding groter is dan 180 kalenderdagen.
2. Indien bij het niet naleven van een termijngebonden verplichting uit de eerste categorie sprake is van verminderde verwijtbaarheid, wordt de hoogte van de maatregel vastgesteld op 2 procent in plaats van 5 procent, op 5 procent in plaats van 10 procent, en op 10 procent in plaats van 20 procent.
3. Bij het niet naleven van een niet termijngebonden verplichting uit de eerste categorie wordt de hoogte van de maatregel vastgesteld op 2 procent indien er sprake is van verminderde ernst of verwijtbaarheid, en op 10 procent indien er sprake is van verhoogde ernst of verwijtbaarheid.
ECLI:NL:CRVB:2021:1500.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1796 WW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser,
(gemachtigde: mr. ir. H.H. Veurtjes),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: mr. H.M. van Gent).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan eiser en oplegging van een maatregel aan hem. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is voor zover het de dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen door het UWV betreft. Eiser krijgt dus in zoverre gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een werkloosheidsuitkering. Het UWV heeft deze uitkering met het besluit van 20 september 2024 toegekend en aan eiser een maatregel opgelegd. Met het bestreden besluit van 12 maart 2025 op het bezwaar van eiser heeft het UWV dat ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar. Met het bestreden besluit heeft het UWV alsnog beslist op dat bezwaar. Eisers beroep is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Daar is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser was met ingang van 11 maart 2019 werkzaam bij [bedrijf] B.V. als fabrieksassistent. Met de vaststellingsovereenkomst van 25 maart 2024 is dit dienstverband met ingang van 1 juni 2024 beëindigd.
3.1
Op 16 september 2024 heeft eiser bij het UWV een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend.
3.2
Met het primaire besluit van 20 september 2024 heeft het UWV aan eiser over de periode van 3 juni 2024 tot en met 2 maart 2025 een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een WW-maandloon van € 2.773,13, en aan hem een maatregel opgelegd, inhoudende verlaging van de uitkering met 20% gedurende 2 maanden met ingang van 10 juni 2024, vanwege het niet tijdig indienen van een aanvraag voor een WW-uitkering.
Op 5 november 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit
3.3
Met de brief van 26 november 2024 heeft het UWV geconcludeerd dat eisers bezwaarschrift tegen het primaire besluit te laat is ontvangen. Eiser krijgt tot en met
24 december 2024 om de reden daarvan te laten weten. Gemachtigde van eiser heeft met de brief van 3 december 2024, door het UWV op 4 december 2024 ontvangen, de redenen meegedeeld.
3.4
In de brief van 16 december 2024 stelt het UWV dat hij uiterlijk 10 februari 2025 een beslissing op bezwaar moet nemen.
3.5
Met de brief van 3 februari 2025, door het UWV ontvangen op 5 februari 2025, heeft eiser het UWV in gebreke gesteld.
3.6
Met de brief van 7 februari 2025 heeft het UWV de beslistermijn met 6 weken verlengd, tot en met 24 maart 2025.
Bestreden besluit
3.7
Met het bestreden besluit van 12 maart 2025 heeft het UWV eisers bezwaar tegen het primaire besluit ontvankelijk en ongegrond verklaard. Het UWV gaat ervan uit dat het bezwaar tijdig is.
3.7.1
Het UWV stelt de eerste werkloosheidsdag terecht te hebben vastgesteld op 3 juni 2024. Het dienstverband van eiser met [bedrijf] is op 1 juni 2024 beëindigd. Er is daarom een arbeidsurenverlies op (maandag) 3 juni 2024. Als wordt uitgegaan van de aanvraag met ingang van 2 september 2024 dan voldoet eiser niet aan de wekeneis en komt hij niet in aanmerking voor een WW-uitkering.
3.7.2
Omdat de eerste werkloosheidsdag 3 juni 2024 is, loopt de referteperiode van
1 mei 2023 tot en met 30 april 2024. Het dag/maandloon bedraagt, gelet op deze periode,
€ 127,50/€ 2.773,13.
3.7.3
Eiser heeft op 16 september 2024 een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend, terwijl het dienstverband al met ingang van 1 juni 2024 is beëindigd. Volgens de regels had eiser binnen één week na 1 juni 2024, uiterlijk 8 juni 2024, een aanvraag moeten indienen. Omdat 8 juni 2024 op een zaterdag valt had hij uiterlijk 10 juni 2024 een aanvraag moeten doen. Eiser heeft dat echter pas op 16 september 2024 gedaan. In dat geval volgt, bij overschrijding met 91 tot en met 180 kalenderdagen, een maatregel van 20% over
2 maanden.
3.7.4
Met betrekking tot eisers stelling dat hem de late aanvraag niet kan worden verweten, omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is, stelt het UWV dat onbekendheid met wet- en regelgeving het gedrag niet minder verwijtbaar maakt. Daarnaast had eiser een beroep kunnen doen op zijn gemachtigde, die hem in ieder geval tot en met 27 juni 2024 heeft bijgestaan in andere procedures.
3.7.5
Volgens het UWV is niet gebleken van dringende redenen om af te zien van de maatregel.
Beroep
4. Eiser stelt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt dan wel overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is en dat de beslistermijn op 31 januari 2025 eindigde. Met de brief van 3 februari 2025 heeft eiser het UWV in gebreke gesteld. Dat betekent dat het UWV vanaf 17 februari 2025 een dwangsom verschuldigd was. Er was geen grond om de beslistermijn op grond van artikel 7:10 van de Awb op te schorten.
4.1
Eiser stelt verder dat hij pas op 1 augustus 2024 werkloos is geworden. De arbeidsovereenkomst is per 1 juni 2024 beëindigd maar er is tot 1 augustus 2024 een transitievergoeding betaald. De transitievergoeding is te beschouwen als een recht op inkomen uit arbeid, zoals bedoeld in artikel 1a van de WW. Volgens eiser zou de ingangsdatum 1 september 2024 moeten zijn.
4.2
Gelet op de complexiteit van de wetgeving en omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, kan eiser ook niet worden verweten dat hij een vergissing heeft gemaakt in de ingangsdatum en hij zijn aanvraag niet tijdig heeft ingediend.
4.3
Eiser heeft op 16 september 2024 een aanvraag om een WW-uitkering gedaan en daarbij aangegeven dat de eerste dag waarop hij zou gaan werken als zijn arbeidsovereenkomst niet was gestopt, maandag 2 september 2024 zou zijn. De overschrijding is daarmee niet meer dan 14 dagen. Eiser meent dan ook dat het UWV had moeten volstaan met een waarschuwing.
4.4
Tot slot stelt eiser dat het UWV niet heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 4:84 van de Awb. Daarnaast zijn volgens eiser de indexering onjuist en de nabetalingen te laag.
Verweer
5. Het UWV heeft in reactie op de beroepsgronden (aanvullend) gesteld dat de termijn om te beslissen op bezwaar niet is overschreden. Het UWV had tot en met 24 maart 2025 daarvoor de tijd en heeft op 12 maart 2025 beslist. Er is dan ook geen dwangsom verbeurd. De ingebrekestelling is prematuur.
5.1
Met betrekking tot de indexering stelt het UWV (louter ter informatie) dat eiser op
14 maart 2025 een nabetaling op zijn WW-uitkering inclusief wettelijke rente heeft ontvangen en op 9 april 2025 een betaling van vakantietoeslag. Deze betalingen vallen overigens buiten de omvang van het geding, omdat de datum in geding 3 juni 2024 is.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
7. Ten aanzien van eisers stelling dat zijn bezwaar wél tijdig is ingediend dan wel overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is, overweegt de rechtbank dat dat niet (meer) relevant is nu het UWV inhoudelijk heeft beslist op eisers bezwaar en dat niet niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Op grond van een uitspraak van 9 juli 2021 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geldt namelijk sindsdien dat de bestuursrechter de tijdigheid van bezwaar niet ambtshalve behoort te beoordelen.
7.1
Ter beoordeling ligt aan de rechtbank uitsluitend voor of het UWV op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser met ingang van 3 juni 2024 werkloos is en aan hem een maatregel heeft opgelegd. De indexering en de nabetalingen vormen geen onderdeel van de besluitvorming en kunnen daarmee geen onderwerp van het onderhavige geschil zijn.
Eerste werkloosheidsdag
7.2
Op grond van de artikelen 15, 16 en 16a van de WW heeft de werkloze werknemer recht op uitkering. Werkloos is de werknemer die een verlies aan arbeidsuren heeft en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. De eerste dag van werkloosheid is de eerste dag waarop een verlies van een of meer arbeidsuren intreedt.
7.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht gesteld dat uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat de arbeidsovereenkomst op (zaterdag) 1 juni 2024 is geëindigd en de eerste dag van werkloosheid (maandag) 3 juni 2024 is. De transitie-vergoeding is niet een verloond arbeidsuur. Bovendien is deze vergoeding niet (na
1 juni 2024) als sv-loon opgevoerd in de polisadministratie. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden gesteld dat artikel 1a van de WW aan de orde is; de transitievergoeding kan niet worden gelijkgesteld met arbeidsuren en eiser is niet pas na afloop van een daarmee gelijk te stellen periode werkloos geworden.
Maatregel
7.4
Op grond van de artikel 26 van de WW is de werknemer verplicht om binnen één week na het intreden van zijn werkloosheid bij het UWV een aanvraag om een uitkering in te dienen. Bij het niet nakomen van deze verplichting weigert het UWV op grond van artikel 27 van de WW de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk (een zogenaamde maatregel). Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn of als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Op grond van de artikelen 2 en 3 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten is het niet nakomen van voormelde verplichting ingedeeld in de eerste categorie. De maatregel is in dat geval 5% van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 2% of ten hoogste 20% van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste een maand.
In de artikel 5 van de Beleidsregel maatregelen UWV is bepaald dat bij het niet naleven van een termijngebonden verplichting uit de eerste categorie de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld op 20% indien de termijnoverschrijding groter is dan 60 kalenderdagen en bovendien op twee maanden indien de termijnoverschrijding groter is dan 90 kalenderdagen maar niet groter dan 180 kalenderdagen. Als sprake is van verminderde verwijtbaarheid wordt de maatregel anders vastgesteld.
7.5
Zoals reeds geoordeeld heeft het UWV de eerste werkloosheidsdag terecht vastgesteld op 3 juni 2024 is. Eiser heeft pas op 16 september 2024 een aanvraag voor een werkloosheidsuitkering ingediend. Dat betekent dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting om binnen één week na het intreden van de werkloosheid een aanvraag te doen. Gelet op de mate van overschrijding van die termijn was het UWV gehouden om een maatregel op te leggen, inhoudende verlaging van de uitkering gedurende twee maanden met 20%.
7.6
Eiser heeft gesteld dat hem niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een aanvraag heeft gedaan, gelet op de complexiteit van de wetgeving en omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen omstandigheid die als dringende reden kan worden aangemerkt noch een omstandigheid om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Als eiser de Nederlandse taal onvoldoende machtig is had hij zelf moeten zorgen voor bijstand van iemand die dat wel is en zich moeten laten voorlichten over zijn rechten en plichten. Dat hij dat heeft nagelaten dient voor zijn rekening en risico te komen. Verder is voor de rechtbank van belang dat eiser de vaststellingsovereenkomst al op 25 maart 2024 heeft ondertekend en dus toen al wist dat hij met ingang van 1 juni 2024 niet meer werkzaam zou zijn voor [bedrijf]. Eiser had dan ook voldoende tijd om een aanvraag in te dienen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de maatregel te matigen of daarvan af te zien.
Evenredigheidsbeginsel
7.7
Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat het UWV een aandeel heeft gehad in de te late aanvraag. Verder is niet gesteld of gebleken dat eiser door de maatregel in zodanige financiële omstandigheden is geraakt dat de gevolgen van de maatregel onevenredig zijn in verhouding tot eisers belangen. Het (eventuele) beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Dwangsom in verband met niet tijdig beslissen door het UWV
7.8
Artikel 129 van de WW bepaalt dat het UWV beslist binnen 13 weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
7.9
Het primaire besluit dateert van 20 september 2024. De rechtbank stelt vast dat tegen dat besluit tot en met 1 november 2024 bezwaar kon worden gemaakt en dat de uiterste datum om daarop te beslissen 31 januari 2025 is, tenzij de beslistermijn is verlengd.
7.10
Met de brief van 26 november 2024 heeft het UWV aan eiser verzocht aan te geven waarom pas op 5 november 2024 bezwaar is gemaakt terwijl de bezwaartermijn op
1 november 2024 afliep. Volgens het UWV is met deze brief de beslistermijn opgeschort totdat eiser hierop met zijn brief van 3 december 2024 reageerde.
7.11
De rechtbank volgt het UWV daarin niet. Het (mogelijk) niet tijdig maken van bezwaar is geen verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb dat hersteld kan worden, en daarmee geen omstandigheid die op grond van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb kan leiden tot opschorting van de beslistermijn.
Aangezien de beslistermijn niet is opgeschort, verliep die termijn op 31 januari 2025. Het verlengen van de beslistermijn nadien, met de brief van het UWV van 7 februari 2025, was toen niet meer mogelijk. De ingebrekestelling van 3 februari 2025, die het UWV op
5 februari 2025 heeft ontvangen, is dan ook niet prematuur.
Het UWV had, op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb, binnen 2 weken na
5 februari 2025 dienen te beslissen. Het UWV heeft echter pas op 12 maart 2025 beslist. Dit betekent dat hij een dwangsom van € 567,- heeft verbeurd. Het UWV heeft die dwangsom ten onrechte niet vastgesteld in het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is daarom gegrond voor zover dat ziet op de dwangsom en ongegrond voor zover het de maatregel betreft. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het UWV daarin geen dwangsom heeft vastgesteld. De rechtbank voorziet zelf en stelt de dwangsom vast op € 567,-.
8.1
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt hij ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit op bezwaar van 12 maart 2025 voor zover daarin geen dwangsom is vastgesteld;
- bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 497,- heeft verbeurd en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 25 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Werkloosheidwet
Artikel 1a
1. Onder arbeidsuur wordt in deze wet verstaan:
a. uur waarover een werknemer inkomen uit arbeid heeft ontvangen; of
b. uur waarover een werknemer recht heeft op inkomen uit arbeid.
Artikel 15
Met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen heeft de werknemer die werkloos is recht op uitkering.
Artikel 16
1. Werkloos wordt de werknemer die:
a. in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek; en
b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
Artikel 16a
1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de eerste dag van werkloosheid de eerste dag waarop een verlies van een of meer arbeidsuren intreedt in de kalenderweek waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 16, eerste of vierde lid.
Artikel 26
1. De werknemer is verplicht:
b. binnen één week na het intreden van zijn werkloosheid bij het UWV een aanvraag om een uitkering in te dienen;
Artikel 27
3. Het UWV weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 4°, of vijfde lid, of 26, artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 28, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, dan wel ter zake van het niet binnen de door het UWV daarvoor vastgestelde termijn nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25.
6. Een maatregel als bedoeld in het derde of vierde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
8. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 129
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het UWV binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
Artikel 6:5
1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d. de gronden van het bezwaar of beroep.
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 7:10
1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
2. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
Artikel 2
1. De hoogte en duur van een, op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met n, genoemde wetten, op te leggen maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste € 25 bedraagt, vastgesteld op:
a. 5 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste
2 procent of ten hoogste 20 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste een maand bij verplichtingen uit de eerste categorie, bedoeld in artikel 3;
Artikel 3. Eerste categorie
De verplichtingen op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met o, genoemde wetten, worden ingedeeld in de eerste categorie voor zover zij betrekking hebben op:
a. het tijdig aanvragen van de uitkering, bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, onderdeel b, van de WW, 34, derde lid, en 34a, vierde lid, van de WAO, 64, derde lid, van de Wet WIA, 35, vierde lid, van de WAZ, 28, vierde lid, van de WAJONG en artikel 3:22, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg;
Beleidsregel maatregelen UWV
Artikel 4
1. Het UWV ziet af van het opleggen van een maatregel en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien wordt voldaan aan alle bij of krachtens de wet daaraan gestelde voorwaarden.
2. In afwijking van het eerste lid wordt bij het niet naleven van een termijngebonden verplichting een maatregel opgelegd indien de termijnoverschrijding groter is dan veertien kalenderdagen. Indien in de periode van veertien kalenderdagen een of meer werkdagen voorkomen waarop de kantoren van het UWV gesloten zijn, wordt die periode met even zo veel werkdagen verlengd.
Artikel 5
1. Bij het niet naleven van een termijngebonden verplichting uit de eerste categorie wordt de hoogte van de maatregel vastgesteld op 10 procent indien de termijnoverschrijding groter is dan 30 kalenderdagen maar niet groter dan 60 kalenderdagen, en op 20 procent indien de termijnoverschrijding groter is dan 60 kalenderdagen. Bovendien wordt de duur van de maatregel vastgesteld op twee maanden indien de termijnoverschrijding groter is dan 90 kalenderdagen maar niet groter dan 180 kalenderdagen, en op drie maanden indien de termijnoverschrijding groter is dan 180 kalenderdagen.
2. Indien bij het niet naleven van een termijngebonden verplichting uit de eerste categorie sprake is van verminderde verwijtbaarheid, wordt de hoogte van de maatregel vastgesteld op 2 procent in plaats van 5 procent, op 5 procent in plaats van 10 procent, en op 10 procent in plaats van 20 procent.
3. Bij het niet naleven van een niet termijngebonden verplichting uit de eerste categorie wordt de hoogte van de maatregel vastgesteld op 2 procent indien er sprake is van verminderde ernst of verwijtbaarheid, en op 10 procent indien er sprake is van verhoogde ernst of verwijtbaarheid.
ECLI:NL:CRVB:2021:1500.