Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8136

2026-08-24 Strafrecht 02-225738-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-24
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Op tegenspraak
Zaaknummer
02-225738-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling conform procesafspraken. Veroordeling voor medeplegen van de invoer van 300 kg cocaïne. Verdachten hebben naast de invoer, het vervoer en het afleveren van de 300 kilogram cocaïne, ook een deel van de cocaïne verkocht. Verder heeft verdachte op 20 augustus 2025 diverse hoeveelheden harddrugs aanwezig gehad. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.868 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT


Strafrecht



Zittingsplaats: Breda



Parketnummers: 02-225738-25




Vonnis van de meervoudige kamer van 24 augustus 2026






[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] ,
preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 1] .



Raadsman mr. R.S. Vriend, advocaat te Middelburg.




1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. E. Smale en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 24 augustus 2026.



2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:



het medeplegen van de (verlengde) invoer en de verkoop van 300 kilogram cocaïne, dan wel dat verdachte hieraan medeplichtig is geweest;


het bezit van MDMA, cocaïne en 2C-B op 20 augustus 2025.





3De procesafspraken

Deze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst, gedateerd op 2 juli 2026, die zij voorafgaand aan de inhoudelijke zitting en voorzien van de handtekeningen van de officier van justitie en van verdachte en zijn raadsman, hebben overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.
De procesafspraken houden, in de kern, het volgende in:




verdachte zal geen nadere onderzoekswensen indienen of (inhoudelijke) verweren voeren;


verdachte legt geen bekennende verklaring af; de verdediging zal, onder meer door ondertekening van deze procesafspraken, aangeven dat de feiten en kwalificaties zoals tussen Openbaar Ministerie en verdediging vastgesteld in Bijlage A bewezen kunnen worden verklaard en er zal geen inhoudelijk verweer worden gevoerd;


verdachte doet schriftelijk afstand van de in Bijlage C benoemde in beslag genomen goederen;


de verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudingsverzoeken indienen, tenzij thans onvoorziene omstandigheden / een acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die thans niet wordt voorzien;


verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;


de verdediging zal geen schorsingsverzoek doen en verdachte zal zijn straf aansluitend aan het momenteel lopende voorlopige hechtenis-traject ondergaan;


het Openbaar Ministerie zal rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten 1 en 2 conform de inhoud van Bijlage A;


het Openbaar Ministerie zal rekwireren tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis;


door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.




Daarnaast zijn in de procesafspraken ook afspraken gemaakt over de door de officier van justitie tegen verdachte aanhangig gemaakte ontnemingsvordering en de betalingsverplichting van verdachte. De officier van justitie en de verdediging zijn in dat kader met elkaar overeengekomen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat wordt op € 75.000,00 en dat tot oplegging van een betalingsverplichting tot ditzelfde bedrag zal worden gerekwireerd in die procedure.



Op het onderzoek ter zitting van 7 juli 2026 heeft de officier van justitie de procesafspraken mondeling aangevuld ten aanzien van het beslag, in die zin dat de telefoon met voorwerpnummer 866741 verbeurd dient te worden verklaard en dat de telefoons met voorwerpnummers 866743 en 866745 terug kunnen naar verdachte. Daar is door de verdediging geen verweer tegen gevoerd.




Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank

De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).



De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 7 juli 2026, alwaar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.



De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank heeft immers een eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen conform artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.



De officier van justitie, de raadsman en verdachte hebben ter zitting allen bevestigd achter het de procesafspraken te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de procesafspraken met zijn raadsman heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank de procesafspraken volgt - in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten - en hij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.



De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van zijn verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.




4De beoordeling van het bewijs

4.1.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd overeenkomstig de procesafspraken en heeft de bewezenverklaring gevorderd van de onder parketnummer 02.225738.25 ten laste gelegde feiten.



4.2.


Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft -overeenkomstig de procesafspraken- geen bewijsverweren gevoerd.



4.3.


Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de bewijsmiddelen in het dossier. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op dit vonnis, die aan het verkort vonnis wordt gehecht.



4.4.


De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte



1
in de periode van 16 december 2024 t/m 13 augustus 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, meermaals, opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft afgeleverd en vervoerd,
in totaal 300 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;



2
op 20 augustus 2025 te [plaats 4] , opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 30,2 gram, van een materiaal bevattende MDMA en
- ongeveer 14,9 gram, van een materiaal bevattende cocaïne en
- ongeveer 21,5 gram, van een materiaal bevattende 2C-B,
zijnde MDMA en cocaïne en 2C-B (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.


De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.


Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.




6De strafoplegging

6.1.


De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -conform de procesafspraken- gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.



6.2.


Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de procesafspraken.



6.3.


Het oordeel van de rechtbank


Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna negen maanden met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van 3 ladingen met in totaal 300 kilogram cocaïne, die per schip via de havens van Rotterdam en Vlissingen Nederland zijn binnengesmokkeld middels een deklading schroot. Verdachten hebben deze invoer professioneel opgezet door het klonen van een ‘spookbedrijf’, het daarna opzetten van een nieuw bedrijf voor de invoer van het schroot, het verstoppen van de cocaïne in zelfgemaakte holle assen voorzien van een magneetstrip en lood om de scan van de douane te misleiden, het bijhouden van een administratie en het juist bewust beperken tot maximaal 100 kilogram cocaïne per keer om niet op te vallen. Verder heeft verdachte op 20 augustus 2025 diverse hoeveelheden harddrugs aanwezig gehad.



Met zijn handelen heeft verdachte samen met de medeverdachten bijgedragen aan de (internationale) cocaïnehandel. Hiermee is hij ook verantwoordelijk voor de gevolgen van deze handel. Cocaïne is een stof die schadelijk is voor de volksgezondheid en sterk verslavend is. Met de handel in cocaïne wordt bovendien veel geld verdiend waardoor deze gepaard gaat met vele andere vormen van criminaliteit die onder meer een bedreiging inhouden voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Daarnaast gaat de internationale handel in verdovende middelen steeds vaker gepaard met geweldsexplosies, waarmee niet zelden onschuldige burgers worden geconfronteerd. Kennelijk heeft verdachte voor dit alles geen oog gehad en was hij enkel uit op financieel voordeel.




Persoon van verdachte

De rechtbank heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover deze tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen.



Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij eerder is veroordeeld ter zake van Opiumwetfeiten.




De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder het ondermijnende karakter daarvan, geen ruimte laten voor een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de landelijke oriëntatiepunten van straftoemeting. Het uitgangspunt bij een hoeveelheid invoer van meer dan twintig kilogram in georganiseerd verband is een gevangenisstraf vanaf tweeënzeventig maanden. De hoeveelheid cocaïne die verdachte samen met zijn medeverdachten heeft ingevoerd was het vijftienvoudige van deze twintig kilogram. De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met straffen die doorgaans in soortgelijke zaken en bij soortgelijke hoeveelheden worden opgelegd. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de rol van verdachte bij de invoer van de cocaïne, die wordt beoordeeld als minder groot en meer uitvoerend dan die van de medeverdachten.




Procesafspraken

Een matiging van de straf is in dit geval ook gerechtvaardigd, omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot een efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting heeft minder tijd gekost, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd.


Conclusie

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de straf die in de procesafspraken overeengekomen is onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft gehad. De rechtbank legt dan ook aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
42 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.





7Het beslag

7.1.


De verbeurdverklaring

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp wordt verbeurd verklaard. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat het bewezen feit met betrekking tot dit voorwerp is begaan.



7.2.


De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.



7.3.


De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde telefoons, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.





8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.



9Beslissing
De rechtbank:



Bewezenverklaring


- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;



Strafbaarheid


- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:


feit 1:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2


onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2:
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de

Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;



Strafoplegging


- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 (tweeënveertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;



Beslag


- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:
* 1 STK GSM, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866741;

- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:

* 7 GR Verdovende Middelen, voorwerpnummer PL2000-2025213963-2899934;
* 4 GR Cocaïne, voorwerpnummer PL2000-2025213963-2899951;
* 14 GR Verdovende middelen, voorwerpnummer PL2000-2025213963-289995;
* 126 GR Hennep, voorwerpnummer PL2000-2025213963-2899986;
* 33 GR Hennep, voorwerpnummer PL2000-2025213963-2899988;


- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

* 1 STK GSM, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866743;
* 1 STK GSM, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866745.




Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en
mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier, en is
uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026.





Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging




1
hij in de periode van 16 december 2024 t/m 13 augustus 2025 te Rotterdam en/of Vlissingen en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermaals, althans eenmaal,
opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
(in totaal) ongeveer 300 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , in de periode van 16 december 2024 tot en met 13 augustus 2025 te Rotterdam en/of Vlissingen en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermaals, althans eenmaal,
opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht en/of heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad,
(in totaal) ongeveer 300 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 31 augustus 2024 tot en met 13 augustus 2025 te [plaats 3] en/of Roosendaal en/of [plaats 2] , althans in Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- een bedrijf, te weten [bedrijf] , op te richten, althans (zich) als eigenaar van [bedrijf] te registreren en/of op te treden en/of
- een loods, gelegen aan de [adres 2] , te huren en/of
- meermaals, althans eenmaal, grote hoeveelheden oud ijzer/schroot en met cocaïne gevulde (metalen) assen van elkaar te scheiden en/of
- ( vervolgens) die met cocaïne gevulde (metalen) assen naar/aan medeverdachte(n) te vervoeren en/of af te leveren en/of te verstrekken;
(art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1, art 48 Wetboek van Strafrecht)


2
hij op of omstreeks 20 augustus 2025 te [plaats 4] , althans in Nederland,
opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 30,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of
- ongeveer 14,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 21,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B,

zijnde MDMA en/of cocaïne en/of 2C-B (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )