Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7792

2026-07-17 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/449908 / JE RK 26-1167
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/449908 / JE RK 26-1167
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing ondertoezichtstelling, geen ontwikkelingsbedreiging meer

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.279 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/449908 / JE RK 26-1167
Datum uitspraak: 17 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling




in de zaak van




DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,



over





[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.C. Buntsma uit Middelburg.



De kinderrechter merkt als informanten aan:





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .




STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift, ontvangen op 2 juli 2026;


het Raadsrapport, ontvangen op 7 juli 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:


de moeder, bijgestaan door haar advocaat;


een vertegenwoordigster van de Raad;


een vertegenwoordigster van de GI.





1.3.
Ondanks behoorlijke oproeping is de vader niet verschenen.





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .


2.2.

[minderjarige] woont bij zijn moeder.


2.3.
Bij beschikking van 4 april 2024 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 april 2024 en tot 18 april 2024. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 april 2024 en tot 18 april 2024. Deze maatregelen zijn bij beschikking van 9 april 2024 verlengd voor de periode van 18 april 2024 tot 4 juli 2024.


2.4.
Bij beschikking van 21 juni 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 juni 2024 en tot 21 juni 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 13 juni 2025 verlengd voor de periode van 21 juni 2025 tot 21 juni 2026.


2.5.
Bij beschikking van 21 juni 2024 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 21 juni 2024 en tot 21 december 2024. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 13 juni 2025 voor de periode van 21 juni 2025 tot 21 maart 2026.



2.6.
Bij beschikking van 20 maart 2026 is het resterende deel van het verzoek tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder afgewezen, nadat de GI het restantverzoek heeft ingetrokken.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De Raad handhaaft het verzoek, maar geeft wel aan zich ook te kunnen vinden in een kortere termijn van drie maanden. De positieve ontwikkelingen zijn te pril en te kwetsbaar en er is sprake van een risico op terugval. Daar komt bij dat de moeder eerder ambivalent tegenover de hulpverlening is geweest en dat de ondertoezichtstelling abrupt is beëindigd zonder borgingsplan en zorgvuldige overdracht naar het vrijwillig kader. Het is belangrijk dat de situatie wordt geborgd en de positieve ontwikkelingen worden bestendigd.



4.2.
De GI heeft toegelicht dat de moeder en [minderjarige] in de afgelopen jaren positieve stappen hebben gezet, dusdanig dat [minderjarige] terug thuis is geplaatst. Op 1 juni 2026 heeft de GI afspraken met de moeder gemaakt en besproken dat IPT zou worden geborgd, waarna zij elkaar tijdens het zorgafstemmingsgesprek in september 2026 weer zouden zien om het borgingsplan te bespreken en te kijken of IPT kan worden beëindigd. De GI vindt het belangrijk dat zij door de ondertoezichtstelling weer betrokken raken, omdat de maatregel abrupt is gestopt en het belangrijk is dat de situatie nog wordt geborgd, zowel door de IPT als de GI en er een zorgvuldige overdracht naar de gemeente kan plaatsvinden. Juist omdat [minderjarige] niet altijd gemotiveerd is voor de hulpverlening. De GI denkt dat dit in drie maanden mogelijk is. Als het verzoek niet wordt toegewezen, moet het via de gemeente gaan lopen.



4.3.
Door en namens de moeder is primair verzocht om het verzoek af te wijzen, omdat er niet aan de wettelijke gronden is voldaan. Subsidiair is verzocht de ondertoezichtstelling voor maximaal twee maanden te verlenen. Van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] is geen sprake meer. De zorgen zoals deze bij de start van de ondertoezichtstelling aanwezig waren, waren met name alcoholgerelateerd. In april 2026 heeft de moeder aanvankelijk ingestemd met een schriftelijke verlenging van de maatregel, maar dat ook omdat [minderjarige] toen net twee weken terug thuis geplaatst was. Op dit moment is [minderjarige] al een geruime tijd thuis en dat gaat heel erg goed. Naast dat de dynamiek tussen hen is verbeterd, gaat het ook met de moeder erg goed; zij heeft een traject bij [hulpverlening] gevolgd en heeft al achttien maanden geen alcohol gedronken. In die periode is zij ook niet teruggevallen en behoefte aan alcohol heeft de moeder niet meer. De moeder werkt nu zelfs in een winkel bij [hulpverlening] . Deze baan geeft invulling aan haar leven. Desgevraagd geeft de moeder aan dat zij bereid is om in het vrijwillig kader samen te blijven werken met de IPT en een borgingsplan te maken. Er is op dit moment al een concept borgingsplan vanuit de IPT, wat op het veiligheidsplan lijkt. Verder wil [minderjarige] graag doorgaan met de PMT, omdat hij daar baat bij heeft. Daar is geen ondertoezichtstelling voor nodig, omdat de PMT via de huisarts loopt.



4.4.
Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige] gezegd dat het geen nut heeft als hij opnieuw onder toezicht wordt gesteld. Hij begrijpt dat het nodig was, omdat er in het verleden veel is gebeurd maar dat is nu anders. [minderjarige] woont sinds maart 2026 thuis en dat gaat super goed. Hij vindt het veel fijner dan bij [organisatie] . Ook heeft zijn moeder alles op orde. Zij is gestopt met alcohol drinken en er zijn geen ruzies meer. Verder wil [minderjarige] graag doorgaan met de hulp van [gezondheidsconsulent] . Ook heeft hij weer contact met zijn vader en dat gaat goed.





5De beoordeling



Wettelijk kader



5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.





Inhoudelijke beoordeling




5.2.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] op 4 april 2024 onder toezicht van de GI is gesteld en ook uit huis is geplaatst. In de afgelopen jaren hebben de moeder en [minderjarige] met behulp van de GI en de hulpverlening grote stappen gezet en is [minderjarige] in maart 2026 terug thuis bij de moeder geplaatst. In april 2026 heeft de moeder aanvankelijk aangegeven dat zij instemt met de schriftelijke verlenging van de ondertoezichtstelling, welke tot 21 juni 2026 liep. Dit omdat [minderjarige] net thuis was, zo heeft de moeder aangegeven. Deze maatregel is door de rechtbank abusievelijk niet verlengd, waardoor de Raad een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft ingediend. De kinderrechter stelt vast dat er in het verleden grote zorgen over [minderjarige] en zijn opvoedsituatie bij de moeder waren, maar ook dat er sinds het begin van de ondertoezichtstelling veel in positieve zin is veranderd. De kinderrechter is van oordeel dat er op dit moment geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Het gaat goed met hem en bij de kinderrechter heeft hij zelf ook aangegeven dat hij het fijn vindt om weer thuis te wonen, dat zijn moeder is gestopt met alcohol drinken en dat er geen ruzies meer thuis zijn. De moeder heeft hard aan zichzelf gewerkt en met behulp van een traject bij [hulpverlening] is zij op dit moment al achttien maanden abstinent van alcohol. Sindsdien heeft zij ook geen terugval gehad. De kinderrechter geeft de moeder hiervoor een groot compliment. Dat de Raad aangeeft dat sprake is van een risico op terugval vindt de kinderrechter na achttien maanden niet meer actueel. Daar komt bij dat de moeder, anders dan voorheen, een netwerk om zich heen heeft en dat uit de stukken volgt dat er bij de moeder sprake is van goed genoeg ouderschap. Verder is door de Raad en de GI aangevoerd dat er sprake is van een prille situatie. De kinderrechter is van oordeel dat dit ten tijde van het verlengingsverzoek van de GI in april 2026 aan de orde was omdat [minderjarige] toen slechts sinds enkele weken weer thuis woonde, maar op dit moment woont hij al vier maanden thuis en dat verloopt goed. Verder begrijpt de kinderrechter dat de Raad en de GI het belangrijk vinden dat de situatie wordt geborgd en (kortdurend) wordt gemonitord, maar dat is geen reden om [minderjarige] opnieuw onder toezicht van de GI te stellen. Vooral nu de moeder tijdens de zitting heeft aangegeven dat zij in het vrijwillig kader bereid is om te blijven meewerken met de IPT en het opstellen van een borgingsplan. Ook door en namens [minderjarige] is aangegeven dat hij het traject bij [gezondheidsconsulent] wil voortzetten. Dit alles maakt dat de kinderrechter het verzoek afwijst.



5.3.
De kinderrechter gaat er vanuit dat de moeder de positieve ontwikkelingen in het vrijwillig kader zal voortzetten en dat zij zich aan haar toezegging zal houden om met de hulpverlening te blijven samenwerken. Tijdens de zitting heeft de moeder specifiek toegezegd dat zij bereid is om de IPT voort te zetten en een borgingsplan te maken. Met alle aanwezigen vindt de kinderrechter het belangrijk en wenselijk dat er een goede afronding plaatsvindt en dat de IPT wordt geborgd. Zowel de Raad als de GI hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij bereid zijn om te doen wat zij kunnen om ervoor te zorgen dat er een goede en zorgvuldige overdracht naar de gemeente binnen het vrijwillig kader plaatsvindt. Hierbij zal door de GI en/of de Raad ook een verzoek bij de gemeente worden gedaan om ervoor te zorgen dat dezelfde IPT’er bij het gezin betrokken blijft om tot een afronding te kunnen komen en de situatie te kunnen borgen.



Afschrift van de beschikking naar de GI




5.4.
Nu de GI in deze zaak informant is, ontvangt de GI in beginsel geen afschrift van de beschikking. In deze zaak zal de rechtbank, zoals tijdens de zitting besproken, bepalen dat er ook een afschrift van de beschikking naar de GI wordt verzonden.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
wijst het verzoek af;



6.2.
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de GI verstrekt.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 31 juli 2026.







































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.