Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7762
2026-07-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448524 / JE RK 26-900
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.290 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448524 / JE RK 26-900
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.L. Küppers-Van Duivenbooden te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader (digitaal in verband met vakantie),
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft heel kort op de gang gesproken met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 25 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI verwijst voor het standpunt naar het uitgebreide verzoek dat is ingediend. Uit het verzoek blijkt dat de GI ziet dat de ouders het afgelopen jaar stappen hebben gemaakt maar dat er ook nog een aantal stappen te maken zijn voordat de ondertoezichtstelling kan worden beëindigd. Vooral in het kader van de omgang tussen de vader en de kinderen is vooruitgang geboekt. De GI ziet dat de kinderen genieten van het contact met vader en opa en oma (vaderszijde). Het lukt de vader ook al langere tijd om zich aan de zorgregeling te houden. Om dit op een goede wijze voort te kunnen zetten is het belangrijk dat partijen goed met elkaar kunnen communiceren over de kinderen. Daarvoor is sinds januari 2026 een traject ingezet bij De Gezinsmanager, gericht op ouderschapsbemiddeling. De GI heeft van De Gezinsmanager begrepen dat de ouders stappen hebben gezet in bijvoorbeeld het vormgeven van het ouderschapsplan maar dat de dynamiek tussen de ouders een aandachtspunt blijft. De verschillen in perspectief tussen de ouders lijken nog groot en kunnen elkaar in negatieve zin versterken. Zo richt de vader zich met name op het normaliseren van de situatie en heeft de moeder meer oog voor mogelijke risico’s die er spelen. Er moet de komende periode nog gewerkt worden aan het vinden van een gezamenlijk vertrekpunt, waarbij ouders elkaar kunnen ontmoeten in het bieden van basale veiligheid, structuur en voorspelbaarheid voor de kinderen. Het lukt de ouders nu nog onvoldoende om samen beslissingen te nemen die in het belang zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Naar de mening van de GI moet tijdens de ondertoezichtstelling het ouderschapsplan met daarin een omgangsregeling voor de vader juridisch worden vastgelegd zodat er na het einde van de ondertoezichtstelling niet opnieuw ruis kan ontstaan en de kinderen daardoor opnieuw terecht komen in een situatie van onrust en spanning tussen de ouders.
Verder geldt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] specifieke ontwikkelings- en ondersteuningsbehoeften hebben waardoor er sprake is van een verzwaarde opvoedvraag. Dit vraagt veel van de moeder en het is daarom belangrijk dat de hulpverlening voor de moeder gewaarborgd blijft. Bij de vader wordt gezien dat hij het gevoel heeft dat er labeltjes geplakt worden op de kinderen en dat hij dit lastig vindt. Hij heeft geen vertrouwen in [hulpverlening] en vraagt zich af of de onderzoeksresultaten wel kloppen. Uit de onderzoeksresultaten van [hulpverlening] blijkt dat er op dit moment voor [minderjarige 2] nog twee vormen van hulpverlening noodzakelijk zijn. Enerzijds is dat video-interactiebegeleiding tussen hem en de moeder. Hulpverlening die daarop gericht is loopt (zonder toestemming van de vader). Verder moet er volgens de adviezen van [hulpverlening] een traumabehandeling plaatsvinden gericht op een pre-verbaal trauma. De vader moet hiervoor toestemming geven omdat deze behandeling een medisch karakter heeft en omdat het daarvoor noodzakelijk is medische gegevens van [minderjarige 2] op te vragen. De vader geeft geen toestemming voor de traumabehandeling omdat hij [minderjarige 2] daarvoor nog te jong vindt. In een aparte procedure heeft de GI de rechtbank daarom om vervangende toestemming gevraagd voor de traumabehandeling. De GI vindt dat deze behandeling conform de adviezen van [hulpverlening] moet worden uitgevoerd. Concluderend zijn er dus nog een aantal punten waarop de ouders nog stappen te maken hebben en er is bij de GI onvoldoende vertrouwen dat de ouders in staat zijn deze stappen te maken binnen het vrijwillig hulpverleningskader.
4.2.
Door en namens de moeder is opgemerkt dat zij de hulpverlening die zij vanuit de ondertoezichtstelling ontvangt als prettig ervaart. De moeder staat dan ook achter een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van negen maanden. Volgens de moeder zijn er in ieder geval nog twee belangrijke punten waaraan gewerkt moet worden de komende tijd. Allereerst is het belangrijk dat er een traumabehandeling komt voor [minderjarige 2] , zodat het plan van aanpak dat is opgesteld door [hulpverlening] kan worden uitgevoerd. Daarnaast is het belangrijk dat verder gewerkt wordt aan de verbetering van de communicatie tussen de ouders. De ouders hebben daarvoor hulpverlening vanuit De Gezinsmanager ontvangen. Deze hulpverlening staat op dit moment echter on hold in afwachting van een reactie/vervolgstap vanuit de GI. Het is de ouders nog niet gelukt afspraken te maken en te komen tot een ouderschapsplan.
4.3.
Door vader is tijdens de mondelinge behandeling verteld dat hij geen vertrouwen meer heeft in de GI en in [hulpverlening] . Er zijn bij de GI al vele wisselingen geweest waardoor er geen stabiliteit is en er geen stappen worden gemaakt en waardoor het lang duurt voordat er hulpverlening op gang komt. Op dit moment is al de vierde of de vijfde jeugdbeschermer betrokken. Volgens de vader blijft de GI steeds terugkomen op de periode waarin hij niet beschikbaar was voor de kinderen. Die periode heeft de man achter zich gelaten en hij heeft dat inmiddels goed opgepakt.
De vader heeft ook geen vertrouwen in [hulpverlening] en het door hen uitgevoerde onderzoek. Hij wil daarom ook geen toestemming geven voor traumabehandeling van [minderjarige 2] . De vader vindt dat [minderjarige 2] nog te jong is voor een traumabehandeling en hij vreest dat een behandeling op dit moment eerder nadelige gevolgen zal hebben voor [minderjarige 2] dan dat dit voordelen zal opleveren.
4.4.
[minderjarige 1] heeft de kinderrechter verteld dat het goed gaat met hem. Hij vindt de hulp van de GI fijn omdat hij dan af en toe met iemand kan praten. Hij vindt het oké als de GI nog even betrokken blijft. Verder denkt hij dat het wel goed is als zijn ouders hulp krijgen bij het beter met elkaar leren praten.
[minderjarige 1] vond het verder heel belangrijk om te zeggen dat hij heel graag een week bij zijn moeder en een week bij zijn vader zou zijn in plaats van de zorg- en contactregeling die er nu is waarbij hij zijn vader een weekend per veertien dagen ziet.
4.5.
[minderjarige 2] heeft geen uitvoerig gesprek gehad met de kinderrechter omdat hij dat niet wilde/durfde. Over de (verlenging van de) ondertoezichtstelling heeft [minderjarige 2] niets gezegd. [minderjarige 2] heeft wel op de gang aan de kinderrechter bevestigd dat hij ook graag een week bij de vader en een week bij de moeder wil zijn.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (als beschreven in artikel 1:255 eerst lid BW) is voldaan.
5.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.3.
De kinderrechter is op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd en hulpverlening in een gedwongen kader is noodzakelijk om die bedreiging af te laten nemen.
De kinderrechter kan zich de frustratie bij de vader over het steeds wisselen van de jeugdbeschermer goed voorstellen. Dit is vervelend voor alle partijen en dit leidt tot vertraging omdat er steeds weer een overdracht moet plaatsvinden. Wisselingen moeten dan ook tot een minimum worden beperkt, maar zijn tegelijkertijd helaas niet altijd te voorkomen. Dat in dit geval al vier of vijf keer een wisseling heeft plaatsgevonden is te betreuren, maar dat is nog geen reden om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Ook het feit dat met (het opstarten van) de hulpverlening veel tijd gemoeid is (geweest), is geen reden om tot beëindiging van de ondertoezichtstelling te komen.
De kinderrechter stelt vast dat de doelen die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling nog niet allemaal zijn behaald en dat er nog een aantal doelen is waaraan gewerkt kan en moet worden. Een van die doelen is de verbetering van de oudercommunicatie. Het is van wezenlijk belang dat de ouders op een goede wijze met elkaar kunnen communiceren over de kinderen. Het maken van een ouderschapsplan hangt hiermee samen. Dit is nog niet gelukt en dat is naar het oordeel van de kinderrechter wel heel belangrijk vooral omdat de zorg- en contactregeling onderdeel van dit plan uitmaakt. Door [minderjarige 1] is (tijdens het kindgesprek maar ook eerder al, zo blijkt uit de stukken) uitdrukkelijk aangegeven dat hij graag een regeling zou willen waarbij hij een week bij de vader is en een week bij de moeder. Ook [minderjarige 2] heeft aangegeven dat hij dit fijn zou vinden. Het is dus erg belangrijk dat de ouders hierover met elkaar in gesprek (kunnen) gaan en op dit punt overeenstemming bereiken over wat het beste is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voordat de ondertoezichtstelling eindigt. Zij moeten elkaar hierin vinden en dit gezamenlijke standpunt aan de kinderen communiceren. Voorkomen moet worden dat omdat de ouders niet met elkaar kunnen communiceren en dus geen afspraken met elkaar maken, er direct na het einde van de ondertoezichtstelling weer nieuwe onrust en spanning ontstaat tussen de ouders en dus ook voor de kinderen. De hulpverlening vanuit De Gezinsmanager die ouders helpt de communicatie te verbeteren ligt op dit moment stil maar, zo heeft de kinderrechter op de zitting begrepen, dit is slechts tijdelijk in afwachting van een interventie vanuit de GI. De hulpverlening gericht op (verbetering van) de communicatie moet dus in de komende periode verder worden opgepakt.
Verder blijkt uit het onderzoeksrapport van [hulpverlening] dat er op dit moment met name voor [minderjarige 2] nog hulpverlening noodzakelijk is. Gebleken is dat de vader erg onvoorspelbaar is in het accepteren van hulp voor zijn kinderen. Ook in het geval dat door zorgprofessionals een bepaalde behandeling wordt geadviseerd (voor [minderjarige 2] ), stelt de vader zijn eigen wil en gedachten boven het belang van de kinderen en staat hij niet of onvoldoende open voor de adviezen van de hulpverlening. Het lijkt erop dat de vader de aanwezigheid van een trauma bij [minderjarige 2] niet erkent en daardoor de noodzaak voor behandeling onvoldoende ziet. Dit baart de kinderrechter zorgen, zeker nu uit de onderzoeksrapportage van [hulpverlening] duidelijk blijkt dat bij [minderjarige 2] sprake is van een pre-verbaal trauma en dat hij daarvoor behandeling nodig heeft. En sterker nog, dat de behandeling van dat trauma ook de weg opent om onderzoek te doen naar ADHD-problematiek en als die aanwezig blijkt te zijn naar gerichte behandelingen daarvoor. De vader onthoudt [minderjarige 2] , door zijn houding, dus niet alleen de behandeling voor het trauma maar ook verdere diagnostiek ten aanzien van de beperkingen die bij [minderjarige 2] zijn waargenomen. Ook op dit punt is naar het oordeel van de kinderrechter dus nog hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk. Het is van belang dat de vader inzicht krijgt in de beperkingen van [minderjarige 2] en de gevolgen die deze beperkingen met zich brengen. Verder moet geprobeerd worden om de vader te laten inzien dat het in het belang van [minderjarige 2] is als hij zo spoedig mogelijk behandeling krijgt zodat geprobeerd kan worden om het leven voor [minderjarige 2] gemakkelijker te maken.
5.4.
De ondertoezichtstelling is gezien het bovenstaande nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van negen maanden.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Kindbrief
5.6.
Tijdens het kindgesprek is met [minderjarige 1] afgesproken dat hij een brief krijgt over wat er is beslist en waarom. Tegelijk met deze beschikking zal onderstaande brief worden verzonden. In de brief is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige 1] ,
Ik hoop dat je een fijne vakantie hebt gehad met [minderjarige 2] en met jouw vader in [plaats] . Hopelijk hebben jullie de grotten nog kunnen bezoeken.
Op 15 juli heb jij met mij, de kinderrechter, gepraat op de rechtbank. Jij hebt tijdens dat gesprek verteld wat jij vindt en wat jij wilt. Tijdens de zitting van 16 juli heb ik met jouw moeder en haar advocaat en met jouw vader gesproken. Ook was er een (nieuwe) medewerker van de jeugdbescherming op de zitting, de heer [persoon] .
Ik heb verteld dat jij het fijn zou vinden als de jeugdbescherming nog even betrokken blijft omdat jij het fijn vindt af en toe te kunnen praten met de jeugdbeschermer. Verder heb ik verteld dat jij denkt dat jouw vader en jouw moeder nog wel wat hulp kunnen gebruiken bij het leren praten met elkaar over jou en [minderjarige 2] .
Ik heb beslist dat de verlenging van de ondertoezichtstelling voor negen maanden nodig is. Dit betekent dat de jeugdbescherming jou verder kan blijven helpen. Ik vind het belangrijk dat jij en [minderjarige 2] hulp krijgen en ook dat jouw ouders worden geholpen met hun eigen situatie, zodat zij leren om beter met elkaar over jou en [minderjarige 2] te praten.
Jij hebt mij ook nog verteld dat jij het heel fijn zou vinden als jij een week bij jouw vader en een week bij jouw moeder zou wonen. Ik heb je tijdens het kindgesprek verteld dat de zitting daar niet over zou gaan. Ik wil je wel laten weten dat ik deze wens van jou wel heb verteld aan iedereen die op de zitting was. Ik heb ook verteld dat [minderjarige 2] op de gang tegen mij heeft gezegd dat hij dat ook fijn zou vinden.
Als jij over deze brief nog vragen hebt, kan je die stellen aan de jeugdbeschermer.
Ik wens jou het allerbeste toe en hoop dat deze hulp jou, je broertje en jouw ouders verder helpt.
Met vriendelijke groet,
de kinderrechter
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 24 juli 2026 tot 24 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier en op schrift gesteld op 30 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448524 / JE RK 26-900
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.L. Küppers-Van Duivenbooden te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader (digitaal in verband met vakantie),
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft heel kort op de gang gesproken met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 25 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI verwijst voor het standpunt naar het uitgebreide verzoek dat is ingediend. Uit het verzoek blijkt dat de GI ziet dat de ouders het afgelopen jaar stappen hebben gemaakt maar dat er ook nog een aantal stappen te maken zijn voordat de ondertoezichtstelling kan worden beëindigd. Vooral in het kader van de omgang tussen de vader en de kinderen is vooruitgang geboekt. De GI ziet dat de kinderen genieten van het contact met vader en opa en oma (vaderszijde). Het lukt de vader ook al langere tijd om zich aan de zorgregeling te houden. Om dit op een goede wijze voort te kunnen zetten is het belangrijk dat partijen goed met elkaar kunnen communiceren over de kinderen. Daarvoor is sinds januari 2026 een traject ingezet bij De Gezinsmanager, gericht op ouderschapsbemiddeling. De GI heeft van De Gezinsmanager begrepen dat de ouders stappen hebben gezet in bijvoorbeeld het vormgeven van het ouderschapsplan maar dat de dynamiek tussen de ouders een aandachtspunt blijft. De verschillen in perspectief tussen de ouders lijken nog groot en kunnen elkaar in negatieve zin versterken. Zo richt de vader zich met name op het normaliseren van de situatie en heeft de moeder meer oog voor mogelijke risico’s die er spelen. Er moet de komende periode nog gewerkt worden aan het vinden van een gezamenlijk vertrekpunt, waarbij ouders elkaar kunnen ontmoeten in het bieden van basale veiligheid, structuur en voorspelbaarheid voor de kinderen. Het lukt de ouders nu nog onvoldoende om samen beslissingen te nemen die in het belang zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Naar de mening van de GI moet tijdens de ondertoezichtstelling het ouderschapsplan met daarin een omgangsregeling voor de vader juridisch worden vastgelegd zodat er na het einde van de ondertoezichtstelling niet opnieuw ruis kan ontstaan en de kinderen daardoor opnieuw terecht komen in een situatie van onrust en spanning tussen de ouders.
Verder geldt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] specifieke ontwikkelings- en ondersteuningsbehoeften hebben waardoor er sprake is van een verzwaarde opvoedvraag. Dit vraagt veel van de moeder en het is daarom belangrijk dat de hulpverlening voor de moeder gewaarborgd blijft. Bij de vader wordt gezien dat hij het gevoel heeft dat er labeltjes geplakt worden op de kinderen en dat hij dit lastig vindt. Hij heeft geen vertrouwen in [hulpverlening] en vraagt zich af of de onderzoeksresultaten wel kloppen. Uit de onderzoeksresultaten van [hulpverlening] blijkt dat er op dit moment voor [minderjarige 2] nog twee vormen van hulpverlening noodzakelijk zijn. Enerzijds is dat video-interactiebegeleiding tussen hem en de moeder. Hulpverlening die daarop gericht is loopt (zonder toestemming van de vader). Verder moet er volgens de adviezen van [hulpverlening] een traumabehandeling plaatsvinden gericht op een pre-verbaal trauma. De vader moet hiervoor toestemming geven omdat deze behandeling een medisch karakter heeft en omdat het daarvoor noodzakelijk is medische gegevens van [minderjarige 2] op te vragen. De vader geeft geen toestemming voor de traumabehandeling omdat hij [minderjarige 2] daarvoor nog te jong vindt. In een aparte procedure heeft de GI de rechtbank daarom om vervangende toestemming gevraagd voor de traumabehandeling. De GI vindt dat deze behandeling conform de adviezen van [hulpverlening] moet worden uitgevoerd. Concluderend zijn er dus nog een aantal punten waarop de ouders nog stappen te maken hebben en er is bij de GI onvoldoende vertrouwen dat de ouders in staat zijn deze stappen te maken binnen het vrijwillig hulpverleningskader.
4.2.
Door en namens de moeder is opgemerkt dat zij de hulpverlening die zij vanuit de ondertoezichtstelling ontvangt als prettig ervaart. De moeder staat dan ook achter een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van negen maanden. Volgens de moeder zijn er in ieder geval nog twee belangrijke punten waaraan gewerkt moet worden de komende tijd. Allereerst is het belangrijk dat er een traumabehandeling komt voor [minderjarige 2] , zodat het plan van aanpak dat is opgesteld door [hulpverlening] kan worden uitgevoerd. Daarnaast is het belangrijk dat verder gewerkt wordt aan de verbetering van de communicatie tussen de ouders. De ouders hebben daarvoor hulpverlening vanuit De Gezinsmanager ontvangen. Deze hulpverlening staat op dit moment echter on hold in afwachting van een reactie/vervolgstap vanuit de GI. Het is de ouders nog niet gelukt afspraken te maken en te komen tot een ouderschapsplan.
4.3.
Door vader is tijdens de mondelinge behandeling verteld dat hij geen vertrouwen meer heeft in de GI en in [hulpverlening] . Er zijn bij de GI al vele wisselingen geweest waardoor er geen stabiliteit is en er geen stappen worden gemaakt en waardoor het lang duurt voordat er hulpverlening op gang komt. Op dit moment is al de vierde of de vijfde jeugdbeschermer betrokken. Volgens de vader blijft de GI steeds terugkomen op de periode waarin hij niet beschikbaar was voor de kinderen. Die periode heeft de man achter zich gelaten en hij heeft dat inmiddels goed opgepakt.
De vader heeft ook geen vertrouwen in [hulpverlening] en het door hen uitgevoerde onderzoek. Hij wil daarom ook geen toestemming geven voor traumabehandeling van [minderjarige 2] . De vader vindt dat [minderjarige 2] nog te jong is voor een traumabehandeling en hij vreest dat een behandeling op dit moment eerder nadelige gevolgen zal hebben voor [minderjarige 2] dan dat dit voordelen zal opleveren.
4.4.
[minderjarige 1] heeft de kinderrechter verteld dat het goed gaat met hem. Hij vindt de hulp van de GI fijn omdat hij dan af en toe met iemand kan praten. Hij vindt het oké als de GI nog even betrokken blijft. Verder denkt hij dat het wel goed is als zijn ouders hulp krijgen bij het beter met elkaar leren praten.
[minderjarige 1] vond het verder heel belangrijk om te zeggen dat hij heel graag een week bij zijn moeder en een week bij zijn vader zou zijn in plaats van de zorg- en contactregeling die er nu is waarbij hij zijn vader een weekend per veertien dagen ziet.
4.5.
[minderjarige 2] heeft geen uitvoerig gesprek gehad met de kinderrechter omdat hij dat niet wilde/durfde. Over de (verlenging van de) ondertoezichtstelling heeft [minderjarige 2] niets gezegd. [minderjarige 2] heeft wel op de gang aan de kinderrechter bevestigd dat hij ook graag een week bij de vader en een week bij de moeder wil zijn.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (als beschreven in artikel 1:255 eerst lid BW) is voldaan.
5.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.3.
De kinderrechter is op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd en hulpverlening in een gedwongen kader is noodzakelijk om die bedreiging af te laten nemen.
De kinderrechter kan zich de frustratie bij de vader over het steeds wisselen van de jeugdbeschermer goed voorstellen. Dit is vervelend voor alle partijen en dit leidt tot vertraging omdat er steeds weer een overdracht moet plaatsvinden. Wisselingen moeten dan ook tot een minimum worden beperkt, maar zijn tegelijkertijd helaas niet altijd te voorkomen. Dat in dit geval al vier of vijf keer een wisseling heeft plaatsgevonden is te betreuren, maar dat is nog geen reden om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Ook het feit dat met (het opstarten van) de hulpverlening veel tijd gemoeid is (geweest), is geen reden om tot beëindiging van de ondertoezichtstelling te komen.
De kinderrechter stelt vast dat de doelen die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling nog niet allemaal zijn behaald en dat er nog een aantal doelen is waaraan gewerkt kan en moet worden. Een van die doelen is de verbetering van de oudercommunicatie. Het is van wezenlijk belang dat de ouders op een goede wijze met elkaar kunnen communiceren over de kinderen. Het maken van een ouderschapsplan hangt hiermee samen. Dit is nog niet gelukt en dat is naar het oordeel van de kinderrechter wel heel belangrijk vooral omdat de zorg- en contactregeling onderdeel van dit plan uitmaakt. Door [minderjarige 1] is (tijdens het kindgesprek maar ook eerder al, zo blijkt uit de stukken) uitdrukkelijk aangegeven dat hij graag een regeling zou willen waarbij hij een week bij de vader is en een week bij de moeder. Ook [minderjarige 2] heeft aangegeven dat hij dit fijn zou vinden. Het is dus erg belangrijk dat de ouders hierover met elkaar in gesprek (kunnen) gaan en op dit punt overeenstemming bereiken over wat het beste is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voordat de ondertoezichtstelling eindigt. Zij moeten elkaar hierin vinden en dit gezamenlijke standpunt aan de kinderen communiceren. Voorkomen moet worden dat omdat de ouders niet met elkaar kunnen communiceren en dus geen afspraken met elkaar maken, er direct na het einde van de ondertoezichtstelling weer nieuwe onrust en spanning ontstaat tussen de ouders en dus ook voor de kinderen. De hulpverlening vanuit De Gezinsmanager die ouders helpt de communicatie te verbeteren ligt op dit moment stil maar, zo heeft de kinderrechter op de zitting begrepen, dit is slechts tijdelijk in afwachting van een interventie vanuit de GI. De hulpverlening gericht op (verbetering van) de communicatie moet dus in de komende periode verder worden opgepakt.
Verder blijkt uit het onderzoeksrapport van [hulpverlening] dat er op dit moment met name voor [minderjarige 2] nog hulpverlening noodzakelijk is. Gebleken is dat de vader erg onvoorspelbaar is in het accepteren van hulp voor zijn kinderen. Ook in het geval dat door zorgprofessionals een bepaalde behandeling wordt geadviseerd (voor [minderjarige 2] ), stelt de vader zijn eigen wil en gedachten boven het belang van de kinderen en staat hij niet of onvoldoende open voor de adviezen van de hulpverlening. Het lijkt erop dat de vader de aanwezigheid van een trauma bij [minderjarige 2] niet erkent en daardoor de noodzaak voor behandeling onvoldoende ziet. Dit baart de kinderrechter zorgen, zeker nu uit de onderzoeksrapportage van [hulpverlening] duidelijk blijkt dat bij [minderjarige 2] sprake is van een pre-verbaal trauma en dat hij daarvoor behandeling nodig heeft. En sterker nog, dat de behandeling van dat trauma ook de weg opent om onderzoek te doen naar ADHD-problematiek en als die aanwezig blijkt te zijn naar gerichte behandelingen daarvoor. De vader onthoudt [minderjarige 2] , door zijn houding, dus niet alleen de behandeling voor het trauma maar ook verdere diagnostiek ten aanzien van de beperkingen die bij [minderjarige 2] zijn waargenomen. Ook op dit punt is naar het oordeel van de kinderrechter dus nog hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk. Het is van belang dat de vader inzicht krijgt in de beperkingen van [minderjarige 2] en de gevolgen die deze beperkingen met zich brengen. Verder moet geprobeerd worden om de vader te laten inzien dat het in het belang van [minderjarige 2] is als hij zo spoedig mogelijk behandeling krijgt zodat geprobeerd kan worden om het leven voor [minderjarige 2] gemakkelijker te maken.
5.4.
De ondertoezichtstelling is gezien het bovenstaande nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van negen maanden.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Kindbrief
5.6.
Tijdens het kindgesprek is met [minderjarige 1] afgesproken dat hij een brief krijgt over wat er is beslist en waarom. Tegelijk met deze beschikking zal onderstaande brief worden verzonden. In de brief is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige 1] ,
Ik hoop dat je een fijne vakantie hebt gehad met [minderjarige 2] en met jouw vader in [plaats] . Hopelijk hebben jullie de grotten nog kunnen bezoeken.
Op 15 juli heb jij met mij, de kinderrechter, gepraat op de rechtbank. Jij hebt tijdens dat gesprek verteld wat jij vindt en wat jij wilt. Tijdens de zitting van 16 juli heb ik met jouw moeder en haar advocaat en met jouw vader gesproken. Ook was er een (nieuwe) medewerker van de jeugdbescherming op de zitting, de heer [persoon] .
Ik heb verteld dat jij het fijn zou vinden als de jeugdbescherming nog even betrokken blijft omdat jij het fijn vindt af en toe te kunnen praten met de jeugdbeschermer. Verder heb ik verteld dat jij denkt dat jouw vader en jouw moeder nog wel wat hulp kunnen gebruiken bij het leren praten met elkaar over jou en [minderjarige 2] .
Ik heb beslist dat de verlenging van de ondertoezichtstelling voor negen maanden nodig is. Dit betekent dat de jeugdbescherming jou verder kan blijven helpen. Ik vind het belangrijk dat jij en [minderjarige 2] hulp krijgen en ook dat jouw ouders worden geholpen met hun eigen situatie, zodat zij leren om beter met elkaar over jou en [minderjarige 2] te praten.
Jij hebt mij ook nog verteld dat jij het heel fijn zou vinden als jij een week bij jouw vader en een week bij jouw moeder zou wonen. Ik heb je tijdens het kindgesprek verteld dat de zitting daar niet over zou gaan. Ik wil je wel laten weten dat ik deze wens van jou wel heb verteld aan iedereen die op de zitting was. Ik heb ook verteld dat [minderjarige 2] op de gang tegen mij heeft gezegd dat hij dat ook fijn zou vinden.
Als jij over deze brief nog vragen hebt, kan je die stellen aan de jeugdbeschermer.
Ik wens jou het allerbeste toe en hoop dat deze hulp jou, je broertje en jouw ouders verder helpt.
Met vriendelijke groet,
de kinderrechter
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 24 juli 2026 tot 24 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier en op schrift gesteld op 30 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.