Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7755

2026-07-16 Civiel recht; Personen- en familierecht c/02/409575/fa rk 23-2276
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-08-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
c/02/409575/fa rk 23-2276
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vertrek vader met kinderen naar Syrië zonder toestemming van moeder. geen contact moeder met kinderen of vader. Gezamenlijk gezag in stand gelaten. moeder heeft recht op contact met kinderen. zorgregeling in te vullen als kinderen terug komen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.765 tekens)
beschikking




RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Middelburg



Zaak-/rekestnummer: C/02/409575 / FA RK 23-2276




beschikking d.d. 16 juli 2026


in de zaak van





[de vrouw]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. H. Hassan te Almere, onttrokken,



tegen





[de man]
,
aanvankelijk wonende te [plaats] , thans zonder bekende verblijfplaats in binnen- of buitenland,
hierna te noemen de man,
advocaat aanvankelijk mr. P.R. Klaver te Bergen op Zoom, daarna mr. M.S. Yap te Bergen op Zoom, onttrokken.



Ouders van de navolgende minderjarige kinderen:





[minderjarige 1]
, geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014;




[minderjarige 2]
geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020.





Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.





1Het verdere procesverloop

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit;
- de beschikking d.d. 6 december 2024 en de daarin genoemde stukken;
- de briefrapportage van de gerechtelijke instelling Leger des Heils Jeugdbescherming d.d. 2 mei 2025;
- de oproep van de man voor de mondelinge behandeling in de Staatscourant van 6 maart 2026;
- de brief van de griffier aan de vrouw van 6 mei 2026.



1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 8 juni 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw in persoon. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster namens de Raad. De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.






2De verdere beoordeling

2.1.
Bij de beschikking van 11 maart 2024 heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – de echtscheiding in het huwelijk van partijen uitgesproken, het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de man bepaald en de verzoeken betreffende het gezag en de zorgregeling aangehouden.



2.2.
Een beslissing op de laatstgenoemde verzoeken is bij de tussenbeschikking van 6 december 2024 opnieuw aangehouden, in afwachting van berichtgeving van de GI over de ontwikkelingen, inzet en resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling en de schriftelijke reacties (van de advocaten) van beide partijen.



2.3.
De rechtbank stelt vast dat in deze procedure nog beslist dient te worden op het verzoek (van de man) om belast te worden met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen en het verzoek (van de vrouw) om een zorgregeling vast te stellen.



2.4.

De vrouw heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling meegedeeld dat de man in juli 2025 met de minderjarigen is vertrokken naar Syrië en dat zij sindsdien geen contact meer heeft met de man of de minderjarigen. Zij stelt dat de gemeente aan de man – ten onrechte – een paspoort voor de minderjarigen heeft verstrekt. Daardoor had de man de mogelijkheid om de minderjarigen mee te nemen naar Syrië. De minderjarigen stonden op dat moment onder toezicht van een gerechtelijke instelling (GI), maar deze heeft geen actie ondernomen. De vrouw heeft zowel bij de gemeente als bij de GI een klacht ingediend over hun handelen, maar zij heeft daar nimmer meer wat over vernomen.
De vrouw heeft geen contact meer met de minderjarigen, zij weet niet waar de man en de minderjarigen in Syrië verblijven en weet ook niet hoe zij met hen in contact kan komen. Zij heeft diverse advocaten benaderd maar die stellen dat zij de vrouw niet kunnen helpen.




2.5.

Namens de Raad is naar voren gebracht dat het gezamenlijk gezag in stand moet blijven om de juridische positie van de vrouw te bevestigen.
Voor wat de zorgregeling betreft maakt de Raad zich ernstige zorgen over de minderjarigen omdat onduidelijk is hoe de man nu met de minderjarigen over de vrouw praat en welk beeld de man nu schetst over de vrouw. Als de minderjarigen (zonder de man) naar Nederland terugkeren zullen zij, zolang zij minderjarig zijn, direct de aandacht krijgen van het COA of andere instanties. Voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen wordt [minderjarige 3] als voogd aangewezen. De Raad zal van de onderhavige situatie een aantekening maken en in het geval [minderjarige 3] wordt benoemd tot voogd over de minderjarigen als zij als alleenstaande minderjarige vreemdeling Nederland binnenkomen, zal de Raad het verloop van onderhavige procedure aan hen doorgeven.




2.6.

De rechtbank stelt het volgende vast.
Bij de beschikking van 23 mei 2023 (kenmerk C/02/408186/FA RK 23-1613) heeft de rechtbank het verzoek van de man om vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van de identiteitsbewijzen ten behoeve van de minderjarigen toegewezen. De rechtbank heeft in die beschikking onder meer overwogen:

Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de man in beginsel een geldig identiteitsbewijs voor de minderjarigen behoeft indien zij naar een zorgverlener moeten voor medische zorg. Nu een identiteitskaart hiervoor voldoende is en de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, het verzoek van de man om met de minderjarigen naar het buitenland te mogen reizen heeft afgewezen, zal de rechtbank het verzoek van de man voor zover dit ziet op een paspoort afwijzen. Het verzoek tot vervangende toestemming voor de aanvraag van een identiteitskaart voor de minderjarigen zal worden toegewezen. Voor zover de vrouw met haar verweer nog heeft beoogd aan te voeren dat de man ook met een identiteitskaart met de kinderen naar het buitenland kan reizen, overweegt de rechtbank dat de man hiervoor nog steeds de toestemming van de vrouw -of de vervangende toestemming van de rechtbank- behoeft, terwijl er bovendien geen concrete aanwijzingen zijn gesteld door de vrouw dat de man met de minderjarigen zal vertrekken naar landen waarvoor een identiteitskaart voldoende is, teneinde zich daar blijvend met de minderjarigen te vestigen. In dit verband overweegt de rechtbank dat de man onbestreden heeft aangevoerd dat hij al negen jaar in Nederland woont en hier ook een eigen bedrijf heeft.




Deze beschikking is op 9 augustus 2023 gecorrigeerd en aangevuld in die zin dat die beschikking toen ook uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.



2.7.
Bij het vonnis in kort geding van 15 augustus 2023 (kenmerk C/02/410418/KG ZA 23-260) is de vordering van de man om hem, ter vervanging van de toestemming van de vrouw, toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar Rhodos op vakantie te gaan afgewezen. Daarin is door de voorzieningenrechter overwogen:


4.4.

Gebleken is dat de vrouw erg bang is dat de man, tijdens zijn vakantie naar Rhodos, met de kinderen naar Syrië zal doorreizen en hij de kinderen bij zijn familie achterlaat. De voorzieningenrechter begrijpt de angst van de vrouw, maar begrijpt ook dat de man en de kinderen hier geworteld zijn en hij met de kinderen in hun zomervakantie op vakantie wenst te gaan. Op het moment dat de man een geboekte retourvlucht kan overleggen en de boekingsgegevens van de verblijfplaats in Rhodos kan overleggen, zal de voorzieningenrechter akkoord gaan en vervangende toestemming verlenen om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Rhodos op vakantie te gaan. Omdat de vrouw stelt dat ze de paspoorten van de kinderen niet meer in haar bezit heeft en er door de rechtbank op 23 mei 2023 vervangende toestemming aan de man is verleend om ID-kaarten voor de kinderen aan te vragen, is afgifte van de beide paspoorten volgens de man en de Raad niet meer mogelijk en nodig. De voorzieningenrechter is het hiermee eens.




4.5

Op zowel 18 juli 2023 als op 4 augustus 2023 heeft de rechtbank bericht ontvangen van mr. Klaver. In beide berichten wordt onder meer gesteld dat de man inmiddels naar de gemeente Bergen op Zoom is geweest met de uitspraak van 23 mei 2023 om ID-kaarten aan te vragen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De gemeente gaf aan dat de beslissing van 23 mei 2023 niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dat de man daarom de hoger beroep termijn moet afwachten, voordat de ID-kaarten voor de kinderen kunnen worden afgegeven. Zonder de ID-kaarten kan de man niet de door de voorzieningenrechter vereiste retourvlucht boeken.




4.6

De voorzieningenrechter stelt dat er niet kan worden voldaan aan de voorwaarden die gesteld zijn voor het geven van vervangende toestemming aan de man, ter vervanging van de toestemming van de vrouw, om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vakantie te gaan. Hij kan namelijk niet de boekingsgegevens van een geboekte retourvlucht overleggen, omdat de gemeente Bergen op Zoom de vervangende toestemming van de rechtbank om de ID-kaarten aan te kunnen vragen niet accepteert, omdat er geen uitvoerbaar bij voorraadverklaring is uitgesproken. De voorzieningenrechter kan dit binnen deze procedure niet herstellen. De voorzieningenrechter zal de verzoeken van de man dan ook afwijzen.




2.8.
Ondanks de hiervoor genoemde uitspraken is de man in juli 2025, zonder de toestemming van de vrouw samen met de minderjarigen vertrokken uit Nederland en niet meer teruggekeerd. Vermoedelijk zijn de man en de minderjarigen in Syrië. Dit maakt dat de rechtbank beperkt is in de mogelijkheden ten aanzien van de nog voorliggende verzoeken. Welke beslissing de rechtbank over het gezag of zorgregeling ook neemt, aan die beslissing kan (op dit moment) feitelijk geen uitvoering worden gegeven.



gezag





2.9.
Ingevolge artikel 1:251 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na ontbinding van het huwelijk dit gezag gezamenlijk uitoefenen. Op grond van artikel 1:251a BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.



2.10.

De rechtbank zal overeenkomstig het advies van de Raad het verzoek van de man om belast te worden met het eenhoofdig gezag afwijzen, nu gesteld noch gebleken is dat aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:251a BW is voldaan. De man heeft de minderjarigen zonder de toestemming van de vrouw of, ter vervanging daarvan, met toestemming van de rechtbank meegenomen buiten Nederland en is niet teruggekeerd. Ook heeft hij de vrouw niet geïnformeerd over de precieze verblijfplaats van de minderjarigen of hoe het met hen gaat. De man laat daarmee zien dat hij niet in het belang van de minderjarigen handelt, maar ook geen recht doet aan de belangen van de vrouw nu hij de vrouw geen mogelijkheid geeft betrokken te zijn in het leven van de minderjarigen.
Omdat een dergelijk verzoek niet voorligt, kan de rechtbank niet bepalen dat de vrouw thans alleen met het gezag over de minderjarigen wordt belast. Bovendien kan niet worden beoordeeld of dat dan in het belang van de minderjarigen is, omdat zij al circa 1 jaar geen contact meer met elkaar hebben en daarvoor ook slechts beperkt contact was tussen de vrouw en de minderjarigen.




2.11.
Alhoewel een behoorlijke uitoefening van het gezamenlijk gezag op dit moment praktisch onuitvoerbaar is, acht de rechtbank het in het belang van de vrouw dat zij mede met het gezag over de minderjarigen belast blijft. De vrouw behoudt daarmee haar rechtspositie voor zover het gaat om de beslissingen over de minderjarigen. Wellicht dat de vrouw meer kans heeft advies en ondersteuning te krijgen van instanties of hulpverleners die zich bezig houden met situaties als die hier aan de orde zijn. De medewerkster van de Raad heeft ter zitting toegezegd via het e-mailadres van de vrouw contact met haar op te nemen om een instantie in de regio waar de vrouw woont te benoemen die haar wellicht kan bijstaan.



zorgregeling





2.12.
Voor wat een zorgregeling van de vrouw met de minderjarigen betreft overweegt de rechtbank het volgende. Uitgangspunt is dat een kind en een ouder recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt onder meer gewaarborgd in artikel 1:247, lid 3 BW (en 1:377a lid 1 BW). Aan dit uitgangspunt kan in dit geval geen gevolg worden gegeven omdat de man met de minderjarigen is vertrokken en er geen enkel contact meer is van de vrouw met de minderjarigen. De rechtbank maakt zich ernstig zorgen dat de man door zijn handelen de vrouw uit het leven van de kinderen heeft geweerd. Dit kan schadelijk zijn voor de minderjarigen. Contact van kinderen met beide ouders is voor hun verdere (sociaal-emotionele) ontwikkeling en de vorming van hun identiteit van groot belang. De rechtbank zal gelet op het voorgaande dan ook bepalen dat de vrouw recht heeft op contact met de minderjarigen en daarbij tevens bepalen dat de invulling van die zorgregeling zal worden overgelaten aan de beschikbare hulpverlening omdat door het handelen van de man hieraan momenteel feitelijk geen uitvoering (meer) kan worden gegeven.



2.13.
Hetgeen meer of anders is verzocht zal worden afgewezen.





3De beslissing


De rechtbank:



wijst af het verzoek van de man om met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020, te worden belast;



bepaalt dat de vrouw in het kader van de zorg en opvoeding van voornoemde minderjarigen gerechtigd is tot contact met de minderjarigen, op een later moment nader in te vullen door de alsdan beschikbare hulpverlening;



wijst het meer of anders verzochte af.



Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Van ‘t Westeinde, griffier.



Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.