Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7654
2026-08-13
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 23/11884
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bpm
Citeert (5)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1520 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-05-2023
- ECLI:NL:HR:2020:63 Hoge Raad 17-01-2020
- ECLI:NL:HR:2021:415 Hoge Raad 26-03-2021
- ECLI:NL:HR:2023:1526 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.216 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11884
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] BV, gevestigd in [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.251 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft op 1 juli 2022 een Mazda CX-5 met [VIN-nummer] (de auto) gekocht voor € 28.750 inclusief BTW.
4.1.
Belanghebbende heeft op 24 juli 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van en de auto een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.811.
4.2.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat het taxatierapport niet kan dienen. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 7.062 en de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
Taxatierapport
5. Belanghebbende stelt dat sprake is van schade aan de auto en dat daarom een waardevermindering in aanmerking moet worden genomen, onder verwijzing naar het taxatierapport. De inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
5.1.
De verschuldigde bpm met betrekking tot gebruikte personenauto’s als uitgangspunt wordt berekend met inachtneming van een vermindering. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. Voor een vanuit het buitenland overgebracht, gebruikt motorrijtuig die niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen, waardoor met de auto niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, wordt de verschuldigde bpm voldaan zonder toepassing van een vermindering. Verder geldt dat de verschuldigde bpm moet worden bepaald naar de (verwachte) staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van het belastbaar feit.
5.2.
Niet in geschil is dat de uitgeklapte airbags een essentieel gebrek zijn, maar dat deze zijn gerepareerd voordat de auto is gekeurd bij de RDW. De overige schade is blijkbaar geen reden geweest voor de RDW om de auto niet goed te keuren. Op de keuringsdatum bij de RDW was dus geen sprake van een essentieel gebrek. Belanghebbende heeft verklaard dat de uitgeklapte airbags per abuis zijn vermeld in het taxatierapport. Dit is meteen na de kennisgeving van de naheffingsaanslag gemeld aan de inspecteur. De rechtbank ziet daarom geen reden om het gehele taxatierapport van belanghebbende terzijde te schuiven.
5.3.
De RDW heeft wel schaafschade vermeld en dat is ook te zien op de foto’s in het taxatierapport. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van meer dan normale gebruiksschade. Belanghebbende heeft echter de voorgestane handelsinkoopwaarde van € 12.269 niet aannemelijk gemaakt gelet op het significante verschil met de hoogte van de inkoopprijs van € 28.750 volgens de inkoopfactuur. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde op een zodanig laag bedrag moet worden vastgesteld dat dit leidt tot vermindering van de naheffingsaanslag.
Immateriëleschadevergoeding
6. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
6.1.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 10 januari 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twintig maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.
6.2.
De redelijke termijn voor de bezwaarfase, van in beginsel 6 maanden, is met afgerond vijf maanden overschreden. Dit leidt ertoe dat van de toegekende immateriëleschadevergoeding afgerond € 500 (5/20e deel van € 2.000) voor rekening komt van de inspecteur. Het restant van € 1.500 (15/20e deel van € 2.000) komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre aan als partij in het geding.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. De naheffingsaanslag blijft daarom in stand. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 2.000.
7.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur en de Staat moeten deze kosten (ieder voor 50%) vergoeden.
7.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 10 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1520.
Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
Artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling BPM bewerkstelligt dat.
Vgl. Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11884
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] BV, gevestigd in [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.251 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft op 1 juli 2022 een Mazda CX-5 met [VIN-nummer] (de auto) gekocht voor € 28.750 inclusief BTW.
4.1.
Belanghebbende heeft op 24 juli 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van en de auto een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.811.
4.2.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat het taxatierapport niet kan dienen. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 7.062 en de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
Taxatierapport
5. Belanghebbende stelt dat sprake is van schade aan de auto en dat daarom een waardevermindering in aanmerking moet worden genomen, onder verwijzing naar het taxatierapport. De inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
5.1.
De verschuldigde bpm met betrekking tot gebruikte personenauto’s als uitgangspunt wordt berekend met inachtneming van een vermindering. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. Voor een vanuit het buitenland overgebracht, gebruikt motorrijtuig die niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen, waardoor met de auto niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, wordt de verschuldigde bpm voldaan zonder toepassing van een vermindering. Verder geldt dat de verschuldigde bpm moet worden bepaald naar de (verwachte) staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van het belastbaar feit.
5.2.
Niet in geschil is dat de uitgeklapte airbags een essentieel gebrek zijn, maar dat deze zijn gerepareerd voordat de auto is gekeurd bij de RDW. De overige schade is blijkbaar geen reden geweest voor de RDW om de auto niet goed te keuren. Op de keuringsdatum bij de RDW was dus geen sprake van een essentieel gebrek. Belanghebbende heeft verklaard dat de uitgeklapte airbags per abuis zijn vermeld in het taxatierapport. Dit is meteen na de kennisgeving van de naheffingsaanslag gemeld aan de inspecteur. De rechtbank ziet daarom geen reden om het gehele taxatierapport van belanghebbende terzijde te schuiven.
5.3.
De RDW heeft wel schaafschade vermeld en dat is ook te zien op de foto’s in het taxatierapport. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van meer dan normale gebruiksschade. Belanghebbende heeft echter de voorgestane handelsinkoopwaarde van € 12.269 niet aannemelijk gemaakt gelet op het significante verschil met de hoogte van de inkoopprijs van € 28.750 volgens de inkoopfactuur. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde op een zodanig laag bedrag moet worden vastgesteld dat dit leidt tot vermindering van de naheffingsaanslag.
Immateriëleschadevergoeding
6. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
6.1.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 10 januari 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twintig maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.
6.2.
De redelijke termijn voor de bezwaarfase, van in beginsel 6 maanden, is met afgerond vijf maanden overschreden. Dit leidt ertoe dat van de toegekende immateriëleschadevergoeding afgerond € 500 (5/20e deel van € 2.000) voor rekening komt van de inspecteur. Het restant van € 1.500 (15/20e deel van € 2.000) komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre aan als partij in het geding.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. De naheffingsaanslag blijft daarom in stand. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 2.000.
7.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur en de Staat moeten deze kosten (ieder voor 50%) vergoeden.
7.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 10 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1520.
Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
Artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling BPM bewerkstelligt dat.
Vgl. Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.