Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7653

2026-08-13 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 23/12046
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 23/12046
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bpm

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.798 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/12046


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 november 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.945. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 25 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.967. Tevens heeft de inspecteur een kostenvergoeding toegekend van twee punten maal € 296, in totaal € 592.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.


Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten



3. Belanghebbende heeft op 10 november 2021 aangifte gedaan ter zaken van de inschrijving van een Kia Sportage met [VIN-nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.177.


3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.



3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De hertaxatie heeft plaatsgevonden op 22 november 2021.



3.3.
De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 5.945 en op 23 december 2022 de naheffingsaanslag opgelegd.




Motivering



Vertrouwensbeginsel




4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de controle bij DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen.



4.1.
De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel.



Kostenvergoeding bezwaarfase



5. Belanghebbende stelt dat de kostenvergoeding in bezwaar hoger had moeten worden vastgesteld. De door de inspecteur vastgestelde vergoeding is discriminatoir, aldus belanghebbende.


Op grond van het arrest 12 juli 2024 heeft de inspecteur de kostenvergoeding te laag vastgesteld. De kostenvergoeding moet dus verhoogd worden. Het beroep is reeds hierdoor gegrond.




Schade



6. Belanghebbende stelt dat sprake is van schade aan de auto. Zowel bij de keuring bij de RDW als bij de hertaxatie van DRZ is geen schade geconstateerd. De rechtbank acht het daardoor niet aannemelijk dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.



Koerslijst



7. Belanghebbende stelt dat de koerslijst van XRAY kan dienen als onderbouwing. De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar aangegeven dat is aangesloten bij de koerslijst van XRAY. Voor dat geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar € 4.951. Ook hierdoor is het beroep gegrond.



Belastingrente



8. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende naheffingsaanslag zal worden verminderd, zal de rechtbank het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.



Immateriëleschadevergoeding



9. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.



9.1.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 10 januari 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twintig maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.



9.2.
De redelijke termijn voor de bezwaarfase, van in beginsel 6 maanden, is met afgerond vijf maanden overschreden. Dit leidt ertoe dat van de toegekende immateriëleschadevergoeding afgerond € 500 (5/20e deel van € 2.000) voor rekening komt van de inspecteur. Het restant van € 1.500 (15/20e deel van € 2.000) komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre aan als partij in het geding.




Conclusie en gevolgen


10. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag verminderd wordt. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.



Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek, met een waarde van € 666 per punt. Ten aanzien van de beroepsfase heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. Aangezien het beroep gegrond is vanwege zowel de te lage kostenvergoeding als inhoudelijk gegrond vanwege een fout in de berekening ziet de rechtbank geen aanleiding om een lagere wegingsfactor dan 1 toe te kennen. De vergoeding bedraagt in totaal € 3.200.






Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.951 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.














griffier


rechter







De griffier is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.



De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.



Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.



Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.


Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.