Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7591

2026-08-13 Strafrecht; Materieel strafrecht 02-212753-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure
Op tegenspraak
Zaaknummer
02-212753-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mishandeling en het opzettelijk aanwezig hebben van meer dan 30 gram hasj. Gevangenisstraf van 2 maanden met aftrek van het voorarrest.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.874 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT


Strafrecht



Zittingsplaats: Breda



Parketnummer: 02-212753-25




Vonnis van de meervoudige kamer van 13 augustus 2026






[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
raadsman mr. M. Houweling, advocaat in Roosendaal.




1Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juli 2026. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie,
mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.




2De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 10 juli 2025

feit 1: zijn vriendin [benadeelde] heeft mishandeld;

feit 2: al dan niet samen met een of meer anderen 665 gram hennep en 354 gram hasj aanwezig heeft gehad.




3De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.




4De beoordeling van het bewijs

4.1.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie heeft verzocht verdachte partieel vrij te spreken van het bij feit 1 ten laste gelegde slaan en stompen tegen het hoofd, omdat hiervoor onvoldoende ondersteunend bewijs is. Wat feit 2 betreft kan slechts een bewezenverklaring volgen voor 100 gram hasj. Ook dient partiële vrijspraak te volgen voor het medeplegen.




4.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 1 aan het oordeel van de rechtbank. Wel verzoekt de raadsman om verdachte partieel vrij te spreken van het slaan en stompen tegen het hoofd, omdat hiervoor onvoldoende ondersteunend bewijs is.



De verdediging is voorts van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 2. Er kan niet worden vastgesteld hoeveel gram hennep en hasj er is aangetroffen en in het bijzonder ook niet of dit meer dan 30 gram was. De hennep en hasj zijn namelijk niet met een geijkte weegschaal gewogen. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken. Subsidiair is de verdediging van mening dat alleen een bewezenverklaring kan volgen voor 100 gram hasj. Verdachte dient daarnaast partieel te worden vrijgesproken van het medeplegen.



4.3.

Het oordeel van de rechtbank


4.3.1.


De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.



4.3.2.


De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs


Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 juli 2025 [benadeelde] heeft mishandeld. [benadeelde] heeft verklaard dat verdachte haar hard aan haar haren heeft getrokken en haar aan haar haren heeft vastgehouden. Haar verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van twee onafhankelijke getuigen, [getuige 1] en [getuige 2] , die allebei hebben gezien dat verdachte [benadeelde] bij haar haren pakte.



De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte [benadeelde] ook tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt. De verklaring van [benadeelde] wordt op dat punt niet door ander bewijs ondersteund. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.



De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het strafverzwarende bestanddeel ‘zijn levensgezel’. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte en [benadeelde] ten tijde van de mishandeling (nog) een relatie met elkaar hadden. [benadeelde] heeft het in haar aangifte namelijk over haar ex-vriend.




Feit 2

In de nacht van 10 juli 2025 op 11 juli 2025 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de zus van verdachte aan [adres 2] in [plaats] . Tijdens die doorzoeking is in de slaapkamer op zolder een blok hasj aangetroffen. Verdachte maakte gebruik van die slaapkamer en sliep daar ook. In de slaapkamer is daarnaast een kenteken-bewijs op naam van verdachte aangetroffen, evenals aan verdachte geadresseerde brieven. Ten slotte was het blok hash voorzien van een afbeelding van Trump. In de telefoon van verdachte zijn chats aangetroffen waarin over de prijs en de hoeveelheid “trump” gesproken wordt.” De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit blok hasj van hem was.



De verbalisanten hebben het blok hasj in beslag genomen, onderzocht en vervolgens gewogen op een niet geijkte weegschaal. De weegschaal gaf hierbij een gewicht aan van 100 gram.
Omdat het blok hasj is gewogen met een niet geijkte weegschaal, is het gewicht daarvan niet met grote nauwkeurigheid vastgesteld. De rechtbank kan dan ook niet met voldoende zekerheid vaststellen dat het blok hasj daadwerkelijk 100 gram woog. Anders dan de verdediging, acht de rechtbank wel bewijsbaar dat het blok hasj meer dan 30 gram woog. Op de foto in het dossier is te zien dat het blok hasj in plastic folie gewikkeld was. Ook wanneer rekening wordt gehouden met het gewicht van dit folie en een eventuele afwijking van de weegschaal, zal dat blok hasj nog altijd meer dan 30 gram hebben gewogen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte op 10 juli 2025 meer dan 30 gram hasj opzettelijk aanwezig heeft gehad.



De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de overige drugs die op de tenlastelegging staan. Op 10 juli 2025 heeft er ook nog een doorzoeking plaatsgevonden in de garagebox behorende bij de woning aan [adres 3] in [plaats] . Tijdens die doorzoeking is er 665 gram hennep en 254 gram hasj aangetroffen. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat die drugs ook van verdachte waren.



De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het medeplegen. Het dossier bevat daarvoor onvoldoende bewijs.




4.4.


De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte



1
op 10 juli 2025 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde]
meerdere malen (met kracht) aan haar haren te trekken en vast te houden;



2
omstreeks 10 juli 2025 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.



De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.


Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.




6De strafoplegging

6.1.


De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van
2 maanden met aftrek van het voorarrest.



6.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich bij een bewezenverklaring vinden in de eis van de officier van justitie.



6.3.


Het oordeel van de rechtbank


De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-partner, [benadeelde] . Hij heeft haar tijdens een ruzie meermalen hard aan haar haren getrokken en haar aan haar haren vastgehouden. Verdachte heeft daarmee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] . Daar komt bij dat het incident heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag, midden in een woonwijk. Meerdere buurtbewoners hebben het incident gezien of er iets van meegekregen. Dit kan ook voor hen een nare en beangstigende gebeurtenis zijn geweest.



Daarnaast heeft verdachte meer dan 30 gram hasj in zijn bezit gehad. Softdrugs leveren een gevaar op voor de volksgezondheid, omdat ze sterk verslavend zijn en kunnen zorgen voor ernstige lichamelijke en psychische klachten bij de gebruikers daarvan. De productie en verkoop van softdrugs gaat dikwijls gepaard met ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit, waarbij het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast worden toegebracht aan anderen. Verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen. Hij heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd.




De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Er lijkt sprake te zijn van een patroon van huiselijk geweld, wat de rechtbank buitengewoon verontrustend vindt. De eerdere veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee. Verder blijkt uit het strafblad van verdachte dat artikel 63 Sr van toepassing is.



Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 22 juli 2025. Hieruit blijkt dat verdachte op meerdere leefgebieden met problemen kampt. Hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats, geen zinvolle dagbesteding, kampt met schulden en gebruikt drugs. Ook zijn er sterke signalen dat verdachte zich in een crimineel milieu bevindt.
Verdachte mist de vaardigheden om op een gezonde manier met conflicten om te gaan. Hij grijpt terug op wat hij vroeger heeft geleerd: druk uitoefenen of fysiek geweld gebruiken om te krijgen wat hij wil. Daarom kan de reclassering moeilijk inschatten of verdachte dit gedrag bewust inzet of dat hij overspoeld wordt door emoties waar hij niet mee kan omgaan.
Verdachte heeft in het verleden lang onder toezicht gestaan. Er is toen van alles geprobeerd om hem te helpen. Het heeft echter niet tot gedragsverandering geleid. Hij is gewoon doorgegaan met het plegen van strafbare feiten. Het toezicht is uiteindelijk in maart 2024 beëindigd. Sindsdien heeft de reclassering nog tweemaal geprobeerd in contact te komen met verdachte. Hij is toen echter niet op de afspraken verschenen.
Het risico op recidive wordt op dit moment ingeschat als hoog. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden en/of toezicht de risico’s te beperken.




De op te leggen straf

Gelet op de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere sanctie dan een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en naar straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de aard en ernst van de feiten en de persoon van verdachte. De rechtbank zal daarom conform de eis aan verdachte een gevangenisstraf van 2 maanden met aftrek van het voorarrest opleggen.





7Het beslag

7.1.


De onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen drugs worden onttrokken aan het verkeer. De drugs zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die drugs te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.



7.2.


De teruggave aan verdachte

Ten aanzien van de in beslag genomen geldbedragen wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte.





8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 13a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.



9Beslissing
De rechtbank:



Bewezenverklaring


- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;



Strafbaarheid


- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:


feit 1: mishandeling;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;



Strafoplegging


- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;



Beslag


- verklaart aan het verkeer onttrokken het volgende voorwerp:
* 1 STK verdovende middelen (omschrijving: PL2000-2025180892-G2882031);


- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
* € 500,- (omschrijving: PL2000-2025180892-G2882032);* € 405,-(omschrijving: PL2000-2025180892-G2882004);* € 50,- (omschrijving: PL2000-2025180892-G2882007);



Voorlopige hechtenis


- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.



Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, en mr. E.B. Prenger en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 augustus 2026.



Mrs. E.B. Prenger en L.E. Verschoor-Bergsma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging




1
hij op of omstreeks 10 juli 2025 te [plaats] , [benadeelde] ,
heeft mishandeld, door die [benadeelde] , een of meerdere malen (met
kracht) aan haar haren te trekken en/of vast te houden en/of op/tegen
haar hoofd te slaan en/of te stompen, terwijl verdachte dit misdrijf
beging tegen zijn levensgezel;



( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 1° Wetboek
van Strafrecht )



2
hij op of omstreeks 10 juli 2025 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
665 gram hennep, althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram
hennep en/of
354 gram hasj, althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een
gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen
van hennep (hasj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd,
zijnde hasj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde
lid van artikel 3a van die wet;



( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1
Wetboek van Strafrecht )