Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7475
2026-07-10
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/449647 / JE RK 26-1107
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.167 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449647 / JE RK 26-1107
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 juni 2026;
de op 6 juli 2026 ontvangen brief van de GI;
het op 10 juli 2026 ontvangen e-mailbericht van [minderjarige].
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Met toestemming van de kinderrechter sluiten de medewerkers van de GI digitaal bij de zitting aan.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft de kinderrechter per e-mailbericht laten weten dat zij vanwege school niet naar het kindgesprek kon komen. Zij heeft daarom haar mening op papier gezet. [minderjarige] geeft aan dat het de afgelopen zes maanden veel beter is gegaan dan het jaar daarvoor. Vorig jaar had zij nog hulp nodig, maar dat is nu niet meer het geval. Daarom vindt zij een ondertoezichtstelling niet nodig. Zij begrijpt dat er nog wel aandachtspunten zijn voor haar ouders, maar volgens haar zijn dat geen grote zaken en heeft zij daar zelf weinig last van.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] woont bij haar ouders.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Hoewel [minderjarige] en de ouders aangeven dat het beter gaat, maakt de Raad zich nog steeds zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] op verschillende leefgebieden. Volgens de Raad lijkt de situatie vooral verbeterd omdat de ouders nauwelijks nog grenzen stellen en [minderjarige] haar eigen gang gaat. Binnen het gezin leven de ouders en [minderjarige] grotendeels langs elkaar heen, waardoor volgens de Raad sprake is van een positieve schijnsituatie. De Raad maakt zich zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders. Zij lijken handelingsverlegen en slagen er niet in om op een positieve manier bij [minderjarige] aan te kunnen sluiten. De ouders kunnen nauwelijks iets positiefs over haar benoemen. De Raad vreest dat [minderjarige] hierdoor onvoldoende positieve aandacht en bevestiging krijgt, waardoor zij zich eenzaam of verdrietig kan gaan voelen en een negatief zelfbeeld ontwikkelt. De Raad ziet hiervan al signalen, omdat [minderjarige] tegenover de hulpverlening heeft aangegeven dat zij niets positiefs over zichzelf kan noemen en moeite heeft met het ontvangen van complimenten. Volgens de Raad is het daarom belangrijk dat er hulp in de thuissituatie wordt ingezet, bijvoorbeeld in de vorm van systeemtherapie.
De Raad kan zich niet vinden in het aanvankelijke standpunt waar de GI dat een ondertoezichtstelling niet nodig is omdat het vrijwillige kader opnieuw een kans zou moeten krijgen. Volgens de Raad zijn er al langere tijd ernstige zorgen en is in het vrijwillige kader al veel ingezet. Ook als daarin steken zijn laten vallen, blijven de zorgen over de gezinssituatie bestaan. De Raad vindt het daarom belangrijk dat er regie wordt gevoerd op de hulpverlening en dat de inzet daarvan goed wordt gemonitord, juist omdat van de ouders en [minderjarige] veel wordt gevraagd en de ouders hierin onvoldoende sturing kunnen geven.
4.2.
Door de ouders is het volgende, samengevat, aangegeven. De ouders vinden dat het de afgelopen periode beter gaat met [minderjarige]. Ze houdt zich meer aan de regels, al gaat ze nog onvoldoende naar school. De ouders erkennen dat de relatie met [minderjarige] is verslechterd, maar benadrukken dat zij zich blijven inzetten om die te verbeteren. Zij geven aan dat het moeilijk is om iets positiefs over haar te zeggen, gelet op haar gedrag, zoals liegen, stelen en roken. Ook merken zij op dat [minderjarige] complimenten niet lijkt aan te nemen. Daarnaast hebben zij besloten bepaalde zaken, zoals haar telefoongebruik, los te laten om escalaties te voorkomen. De ouders zijn teleurgesteld in de hulpverlening vanuit het Centrum van Jeugd en Gezin (CJG). Volgens hen zijn hun zorgen en ideeën onvoldoende opgepakt, ontvingen zij weinig terugkoppeling en is voorgestelde hulp uiteindelijk niet van de grond gekomen. De ouders vinden dat eerst door een psycholoog onderzocht moet worden wat er met [minderjarige] aan de hand is, zodat duidelijk wordt waar haar gedrag vandaan komt en welke hulp daarbij passend is. Zij kunnen zich vinden in een ondertoezichtstelling, maar vinden het wel belangrijk dat, zolang er een wachtlijst is, alvast passende hulp wordt ingezet.
4.3
Namens de GI is het volgende, samengevat, naar voren gebracht. De GI deelt de zorgen van de Raad over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige]. Er zijn zorgen over onder meer haar alcoholgebruik, diefstal en andere problemen in haar leefomgeving. Daarnaast staat de relatie tussen [minderjarige] en de ouders onder druk. Volgens de GI is sprake van een beperkte probleemerkenning bij de ouders, al geven zij wel aan zich te willen inzetten om de situatie te verbeteren. De GI is het eens met de Raad dat hulpverlening voor het hele gezin nodig is, maar was aanvankelijk van mening dat de mogelijkheden binnen het vrijwillige kader nog niet voldoende waren benut. Volgens de GI heeft de hulpverlening hierin steken laten vallen. Zo zijn ideeën van de ouders onvoldoende meegenomen en is de ingezette hulpverlening onvoldoende gemonitord. Gelet op de wachtlijsten en het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer zag de GI een ondertoezichtstelling in eerste instantie als een te ingrijpende maatregel en zag zij onvoldoende de meerwaarde ten opzichte van het vrijwillige kader. Tijdens de zitting heeft de GI haar standpunt bijgesteld. Nu duidelijk is geworden dat de ouders onvoldoende vertrouwen meer hebben in het vrijwillige kader, ziet de GI alsnog dat een ondertoezichtstelling passend is om de noodzakelijke regie en sturing te bieden. In de tussentijd kan een monitoringsteam starten, een kennismakingsgesprek plaatsvinden en de eerste stappen binnen de hulpverlening worden gezet. Binnen de ondertoezichtstelling kan vervolgens worden toegewerkt naar de inzet van passende systeemgerichte hulpverlening. De GI vindt het van belang dat, met het oog op de regievorming, alvast aandacht wordt besteed aan de inzet van Multidimensional Family Therapie (MDFT), omdat deze hulpverlening het meest passend is bij de problematiek binnen het gezin. Zodra er een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is, kan de hulpverlening zo spoedig mogelijk verder worden vormgegeven.
5De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter stelt vast dat de moeder een burger van de Bondsrepubliek Duitsland is. Door die omstandigheid dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is ten aanzien van het verzoek van de GI.
5.2.
Op grond van artikel 7 Brussel II-ter zijn ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt.
5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] zich in Nederland bevindt, is de Nederlandse rechter krachtens artikel 7 lid 1 Brussel II-ter internationaal bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.
5.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de bevoegde rechter zijn interne recht toe. Dit betekent in de onderhavige zaak dat de Nederlandse rechter het Nederlandse recht toepast. Het voorliggende verzoek zal daarom worden beoordeeld naar Nederlands recht.
Wettelijk kader
5.5.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.6.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Er zijn zorgen over onder andere haar sociaal-emotionele ontwikkeling. [minderjarige] vertoont zelfbepalend en risicovol gedrag, waaronder alcoholgebruik en diefstal en gaat nog steeds onvoldoende naar school. Daarnaast is de relatie tussen [minderjarige] en haar ouders ernstig onder druk komen te staan. Zij leven grotendeels langs elkaar heen en de ouders vinden het moeilijk om op een positieve manier met haar in contact te komen. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat [minderjarige] weinig positieve bevestiging ervaart en al signalen laat zien van een negatief zelfbeeld. Hoewel de ouders en [minderjarige] aangeven dat het de afgelopen periode beter is gegaan, is de kinderrechter van oordeel dat daarmee de onderliggende zorgen niet zijn weggenomen. De ouders hebben er bewust voor gekozen om op verschillende punten minder grenzen te stellen om escalaties te voorkomen. Dat heeft weliswaar voor meer rust gezorgd, maar neemt de ontwikkelingsbedreiging niet weg.
5.7.
De kinderrechter is verder van oordeel dat de noodzakelijke hulp in het vrijwillige kader onvoldoende van de grond is gekomen. Daarbij is gebleken dat zowel de vrijwillige hulpverlening als de ouders hierin een aandeel hebben gehad. De hulpverlening heeft kansen laten liggen door onvoldoende regie te voeren, de ouders onvoldoende mee te nemen en de ingezette hulp onvoldoende te monitoren. Tegelijkertijd zijn de ouders, mede vanwege hun handelingsverlegenheid en het gebrek aan vertrouwen in de hulpverlening, onvoldoende in staat gebleken om de noodzakelijke hulpverlening op gang te brengen en vast te houden. Hierdoor is het niet gelukt om binnen het vrijwillige kader de noodzakelijke verandering in de gezinssituatie tot stand te brengen.
5.8.
De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat een jeugdbeschermer de regie voert. Daarbij is het van belang dat vanuit één regisseur wordt beoordeeld welke hulp het gezin nodig heeft, dat de verschillende vormen van hulpverlening op elkaar worden afgestemd en dat de voortgang daarvan wordt gemonitord, geëvalueerd en waar nodig wordt bijgestuurd. De kinderrechter vindt het daarnaast van belang dat de informatie die inmiddels door de betrokken hulpverlening is verzameld behouden blijft en binnen de ondertoezichtstelling wordt benut, zodat daarop kan worden voortgebouwd. Met de Raad en de GI vindt de kinderrechter het van groot belang dat er zo spoedig mogelijk passende systeemgerichte hulpverlening, zoals MDFT, wordt ingezet. De kinderrechter vindt het van belang dat deze hulp onder regie van de GI wordt opgestart en nauwlettend wordt gevolgd.
5.9.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Gelet op de forse zorgen is de ondertoezichtstelling noodzakelijk voor de duur van een jaar. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.
5.10.
De doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling in ieder geval gewerkt moet worden, zijn:
- [minderjarige] heeft ouders die aansluiten bij haar belevingswereld (haar begroeten, interesse tonen, weten waar ze is en met wie ze om gaat en haar ook fouten durven laten maken).
- [minderjarige] heeft ouders die haar accepteren zoals zij is (haar niet nep noemen, geen negatief commentaar geven over haar make-up en die in staat zijn haar een compliment te geven en iets positiefs over haar te zeggen).
- [minderjarige] heeft ouders die grenzen stellen en toezicht houden en haar kunnen sturen op een manier die passend is bij haar leeftijd.
- [minderjarige] gaat volgens schoolrooster naar school.
- [minderjarige] groeit op in een veilige omgeving waarin er niet geschreeuwd en geslagen wordt.
- [minderjarige] kan haar emoties veilig uiten.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.11.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 10 juli 2026 tot 10 juli 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 24 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449647 / JE RK 26-1107
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 juni 2026;
de op 6 juli 2026 ontvangen brief van de GI;
het op 10 juli 2026 ontvangen e-mailbericht van [minderjarige].
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Met toestemming van de kinderrechter sluiten de medewerkers van de GI digitaal bij de zitting aan.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft de kinderrechter per e-mailbericht laten weten dat zij vanwege school niet naar het kindgesprek kon komen. Zij heeft daarom haar mening op papier gezet. [minderjarige] geeft aan dat het de afgelopen zes maanden veel beter is gegaan dan het jaar daarvoor. Vorig jaar had zij nog hulp nodig, maar dat is nu niet meer het geval. Daarom vindt zij een ondertoezichtstelling niet nodig. Zij begrijpt dat er nog wel aandachtspunten zijn voor haar ouders, maar volgens haar zijn dat geen grote zaken en heeft zij daar zelf weinig last van.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] woont bij haar ouders.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Hoewel [minderjarige] en de ouders aangeven dat het beter gaat, maakt de Raad zich nog steeds zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] op verschillende leefgebieden. Volgens de Raad lijkt de situatie vooral verbeterd omdat de ouders nauwelijks nog grenzen stellen en [minderjarige] haar eigen gang gaat. Binnen het gezin leven de ouders en [minderjarige] grotendeels langs elkaar heen, waardoor volgens de Raad sprake is van een positieve schijnsituatie. De Raad maakt zich zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders. Zij lijken handelingsverlegen en slagen er niet in om op een positieve manier bij [minderjarige] aan te kunnen sluiten. De ouders kunnen nauwelijks iets positiefs over haar benoemen. De Raad vreest dat [minderjarige] hierdoor onvoldoende positieve aandacht en bevestiging krijgt, waardoor zij zich eenzaam of verdrietig kan gaan voelen en een negatief zelfbeeld ontwikkelt. De Raad ziet hiervan al signalen, omdat [minderjarige] tegenover de hulpverlening heeft aangegeven dat zij niets positiefs over zichzelf kan noemen en moeite heeft met het ontvangen van complimenten. Volgens de Raad is het daarom belangrijk dat er hulp in de thuissituatie wordt ingezet, bijvoorbeeld in de vorm van systeemtherapie.
De Raad kan zich niet vinden in het aanvankelijke standpunt waar de GI dat een ondertoezichtstelling niet nodig is omdat het vrijwillige kader opnieuw een kans zou moeten krijgen. Volgens de Raad zijn er al langere tijd ernstige zorgen en is in het vrijwillige kader al veel ingezet. Ook als daarin steken zijn laten vallen, blijven de zorgen over de gezinssituatie bestaan. De Raad vindt het daarom belangrijk dat er regie wordt gevoerd op de hulpverlening en dat de inzet daarvan goed wordt gemonitord, juist omdat van de ouders en [minderjarige] veel wordt gevraagd en de ouders hierin onvoldoende sturing kunnen geven.
4.2.
Door de ouders is het volgende, samengevat, aangegeven. De ouders vinden dat het de afgelopen periode beter gaat met [minderjarige]. Ze houdt zich meer aan de regels, al gaat ze nog onvoldoende naar school. De ouders erkennen dat de relatie met [minderjarige] is verslechterd, maar benadrukken dat zij zich blijven inzetten om die te verbeteren. Zij geven aan dat het moeilijk is om iets positiefs over haar te zeggen, gelet op haar gedrag, zoals liegen, stelen en roken. Ook merken zij op dat [minderjarige] complimenten niet lijkt aan te nemen. Daarnaast hebben zij besloten bepaalde zaken, zoals haar telefoongebruik, los te laten om escalaties te voorkomen. De ouders zijn teleurgesteld in de hulpverlening vanuit het Centrum van Jeugd en Gezin (CJG). Volgens hen zijn hun zorgen en ideeën onvoldoende opgepakt, ontvingen zij weinig terugkoppeling en is voorgestelde hulp uiteindelijk niet van de grond gekomen. De ouders vinden dat eerst door een psycholoog onderzocht moet worden wat er met [minderjarige] aan de hand is, zodat duidelijk wordt waar haar gedrag vandaan komt en welke hulp daarbij passend is. Zij kunnen zich vinden in een ondertoezichtstelling, maar vinden het wel belangrijk dat, zolang er een wachtlijst is, alvast passende hulp wordt ingezet.
4.3
Namens de GI is het volgende, samengevat, naar voren gebracht. De GI deelt de zorgen van de Raad over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige]. Er zijn zorgen over onder meer haar alcoholgebruik, diefstal en andere problemen in haar leefomgeving. Daarnaast staat de relatie tussen [minderjarige] en de ouders onder druk. Volgens de GI is sprake van een beperkte probleemerkenning bij de ouders, al geven zij wel aan zich te willen inzetten om de situatie te verbeteren. De GI is het eens met de Raad dat hulpverlening voor het hele gezin nodig is, maar was aanvankelijk van mening dat de mogelijkheden binnen het vrijwillige kader nog niet voldoende waren benut. Volgens de GI heeft de hulpverlening hierin steken laten vallen. Zo zijn ideeën van de ouders onvoldoende meegenomen en is de ingezette hulpverlening onvoldoende gemonitord. Gelet op de wachtlijsten en het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer zag de GI een ondertoezichtstelling in eerste instantie als een te ingrijpende maatregel en zag zij onvoldoende de meerwaarde ten opzichte van het vrijwillige kader. Tijdens de zitting heeft de GI haar standpunt bijgesteld. Nu duidelijk is geworden dat de ouders onvoldoende vertrouwen meer hebben in het vrijwillige kader, ziet de GI alsnog dat een ondertoezichtstelling passend is om de noodzakelijke regie en sturing te bieden. In de tussentijd kan een monitoringsteam starten, een kennismakingsgesprek plaatsvinden en de eerste stappen binnen de hulpverlening worden gezet. Binnen de ondertoezichtstelling kan vervolgens worden toegewerkt naar de inzet van passende systeemgerichte hulpverlening. De GI vindt het van belang dat, met het oog op de regievorming, alvast aandacht wordt besteed aan de inzet van Multidimensional Family Therapie (MDFT), omdat deze hulpverlening het meest passend is bij de problematiek binnen het gezin. Zodra er een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is, kan de hulpverlening zo spoedig mogelijk verder worden vormgegeven.
5De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter stelt vast dat de moeder een burger van de Bondsrepubliek Duitsland is. Door die omstandigheid dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is ten aanzien van het verzoek van de GI.
5.2.
Op grond van artikel 7 Brussel II-ter zijn ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt.
5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] zich in Nederland bevindt, is de Nederlandse rechter krachtens artikel 7 lid 1 Brussel II-ter internationaal bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.
5.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de bevoegde rechter zijn interne recht toe. Dit betekent in de onderhavige zaak dat de Nederlandse rechter het Nederlandse recht toepast. Het voorliggende verzoek zal daarom worden beoordeeld naar Nederlands recht.
Wettelijk kader
5.5.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.6.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Er zijn zorgen over onder andere haar sociaal-emotionele ontwikkeling. [minderjarige] vertoont zelfbepalend en risicovol gedrag, waaronder alcoholgebruik en diefstal en gaat nog steeds onvoldoende naar school. Daarnaast is de relatie tussen [minderjarige] en haar ouders ernstig onder druk komen te staan. Zij leven grotendeels langs elkaar heen en de ouders vinden het moeilijk om op een positieve manier met haar in contact te komen. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat [minderjarige] weinig positieve bevestiging ervaart en al signalen laat zien van een negatief zelfbeeld. Hoewel de ouders en [minderjarige] aangeven dat het de afgelopen periode beter is gegaan, is de kinderrechter van oordeel dat daarmee de onderliggende zorgen niet zijn weggenomen. De ouders hebben er bewust voor gekozen om op verschillende punten minder grenzen te stellen om escalaties te voorkomen. Dat heeft weliswaar voor meer rust gezorgd, maar neemt de ontwikkelingsbedreiging niet weg.
5.7.
De kinderrechter is verder van oordeel dat de noodzakelijke hulp in het vrijwillige kader onvoldoende van de grond is gekomen. Daarbij is gebleken dat zowel de vrijwillige hulpverlening als de ouders hierin een aandeel hebben gehad. De hulpverlening heeft kansen laten liggen door onvoldoende regie te voeren, de ouders onvoldoende mee te nemen en de ingezette hulp onvoldoende te monitoren. Tegelijkertijd zijn de ouders, mede vanwege hun handelingsverlegenheid en het gebrek aan vertrouwen in de hulpverlening, onvoldoende in staat gebleken om de noodzakelijke hulpverlening op gang te brengen en vast te houden. Hierdoor is het niet gelukt om binnen het vrijwillige kader de noodzakelijke verandering in de gezinssituatie tot stand te brengen.
5.8.
De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat een jeugdbeschermer de regie voert. Daarbij is het van belang dat vanuit één regisseur wordt beoordeeld welke hulp het gezin nodig heeft, dat de verschillende vormen van hulpverlening op elkaar worden afgestemd en dat de voortgang daarvan wordt gemonitord, geëvalueerd en waar nodig wordt bijgestuurd. De kinderrechter vindt het daarnaast van belang dat de informatie die inmiddels door de betrokken hulpverlening is verzameld behouden blijft en binnen de ondertoezichtstelling wordt benut, zodat daarop kan worden voortgebouwd. Met de Raad en de GI vindt de kinderrechter het van groot belang dat er zo spoedig mogelijk passende systeemgerichte hulpverlening, zoals MDFT, wordt ingezet. De kinderrechter vindt het van belang dat deze hulp onder regie van de GI wordt opgestart en nauwlettend wordt gevolgd.
5.9.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Gelet op de forse zorgen is de ondertoezichtstelling noodzakelijk voor de duur van een jaar. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.
5.10.
De doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling in ieder geval gewerkt moet worden, zijn:
- [minderjarige] heeft ouders die aansluiten bij haar belevingswereld (haar begroeten, interesse tonen, weten waar ze is en met wie ze om gaat en haar ook fouten durven laten maken).
- [minderjarige] heeft ouders die haar accepteren zoals zij is (haar niet nep noemen, geen negatief commentaar geven over haar make-up en die in staat zijn haar een compliment te geven en iets positiefs over haar te zeggen).
- [minderjarige] heeft ouders die grenzen stellen en toezicht houden en haar kunnen sturen op een manier die passend is bij haar leeftijd.
- [minderjarige] gaat volgens schoolrooster naar school.
- [minderjarige] groeit op in een veilige omgeving waarin er niet geschreeuwd en geslagen wordt.
- [minderjarige] kan haar emoties veilig uiten.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.11.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 10 juli 2026 tot 10 juli 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 24 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.