Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7432

2026-07-10 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448626 / JE RK 26-923
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-10
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448626 / JE RK 26-923
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek OTS toegewezen. Aanhoudende strijd tussen de ouders zorgt voor onder meer loyaliteitsproblematiek bij minderjarige. Vrijwillige hulpverlening ontoereikend. Ouders zijn het eens.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.330 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/448626 / JE RK 26-923
Datum uitspraak: 10 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
locatie Breda,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .



De kinderrechter merkt als informant aan:




Stichting Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Etten-Leur.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026;


het bericht van de Raad van 2 juli 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.



2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.3.

[minderjarige] woont bij zijn vader.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter geeft [minderjarige] , samengevat, aan dat het goed met hem gaat. Met de ouders van [minderjarige] gaat het nu ook beter. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt in zijn leven en heeft daarvoor veel hulp gehad. Daardoor gaat het nu ook beter op school. [minderjarige] vindt het dan ook niet nodig om nog meer hulp te krijgen.



4.2.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het raadsrapport. Er is sprake van een ernstig bedreigde sociaal-emotionele, loyaliteit en identiteitsontwikkeling van [minderjarige] omdat het hem ontbreekt aan een veilige en stabiele opvoedingsomgeving. [minderjarige] wordt al jaren blootgesteld aan een spanningsvolle opvoedingsomgeving met veel wisselingen. De relatie van ouders is inmiddels negen jaar verbroken maar de problemen tussen hen blijven voortduren, aangezien het bij hen ontbreekt aan een constructieve samenwerking en communicatie. Ook wordt [minderjarige] belast met volwassenproblematiek. Hierdoor kan hij onvoldoende kind zijn. De spanningen, onrust en stress die de strijd tussen ouders bij [minderjarige] veroorzaakt hebben invloed op zijn ontwikkeling. Daarnaast zijn er zorgen (geweest) over het mentale welzijn van [minderjarige] na uitspraken van hem dat hij beter niet meer kon leven, omdat de problemen dan opgelost zouden zijn. De ouders zijn op dit moment wel bereid, maar onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Gezien de houding van ouders en de complexiteit van de problematiek en de lange tijd dat deze problemen spelen, heeft de Raad er onvoldoende vertrouwen in dat het ouders zelf gaat lukken om de hulp te accepteren en daarmee de zorgen weg te nemen. Het zwaartepunt van de hulpverlening dient te liggen bij de ouders en niet langer bij [minderjarige] . Het is belangrijk dat [minderjarige] een plek heeft om zijn verhaal te kunnen doen, maar het zijn de ouders die aan de slag moeten gaan met de doelen. De GI dient de inzet van de hulpverlening te coördineren. De Raad complimenteert de ouders. Het is fijn dat beide ouders aangeven dat zij achter een ondertoezichtstelling kunnen staan.


4.3.
De moeder stemt in met het verzoek van de Raad. Zij wil het beste voor [minderjarige] . De moeder verwacht dat de ondertoezichtstelling stabiliteit en rust kan bieden. Hoewel dit al steeds beter gaat, is dit ook wisselend geweest. De moeder vindt het daarbij ook belangrijk dat er hulp komt voor hoe het tussen de ouders gaat. Voor de oudste zoon van de moeder is er eerder een ondertoezichtstelling geweest vanuit de WSG. De moeder heeft daar over het algemeen goede ervaringen mee.



4.4.
Ook de vader stemt in met het verzoek van de Raad. De vader denkt dat een ondertoezichtstelling helpend zou kunnen zijn. Wanneer de vader er dan zelf niet uitkomt, kan hij hulp vragen. Het lukt de vader nu niet altijd om de hulpverlening goed te organiseren en te coördineren, omdat hij het zelf druk heeft met zijn werk. De vader accepteert de hulpverlening, maar moest wel wennen aan de inzet van de hulpverlening.



4.5.
De GI staat achter het verzoek van de Raad en is bereid om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Het zijn de ouders die aan de slag moeten en daar zijn de doelen ook op gericht. Er zal daarvoor moeten worden ingezet op hulpverlening voor de ouders. Bij de GI wordt er gewerkt met een monitoringslijst. Binnen vijf dagen zal er contact worden opgenomen met de ouders. Het zal wel een aantal maanden duren voordat er een vaste jeugdbeschermer betrokken is. De GI vindt het overigens een gemiste kans dat de WSG niet door de Raad is benaderd, gelet op de LVB-problematiek van de moeder. Amarant heeft immers aangegeven dat deze problematiek op de voorgrond ligt en dat de moeder meer nodig heeft voor wat betreft het uitleggen. De WSG kan hier goed bij aansluiten. 4.6. Na de zitting heeft de Raad de kinderrechter schriftelijk bericht dat de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSG) heeft aangegeven dat de casus niet past binnen de doelgroep van de WSG. De gebiedsmanager is door de Raad verzocht om aan te geven of hier in onderhavig geval van kan worden afgeweken. Hierop is geen reactie ontvangen.





5De beoordeling



Wettelijk kader




5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
- de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
- de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.






Inhoudelijke beoordeling





5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. De kinderrechter onderschrijft de zorgen van de Raad over onder meer de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling en de loyaliteitsproblematiek bij [minderjarige] . Vanwege de jarenlang aanhoudende strijd tussen de ouders, ontbreekt het [minderjarige] al geruime tijd aan een veilige en stabiele opvoedingsomgeving. [minderjarige] wordt belast met volwassenenproblematiek en kan geen onbelast contact hebben met zijn beide ouders. De strijd tussen de ouders zorgt voor onrust, spanningen en conflicten. Dit leidt geregeld tot escalaties, waarbij de ouders de belangen van [minderjarige] niet voorop lijken te kunnen zetten. [minderjarige] wordt al jarenlang blootgesteld aan deze spanningsvolle opvoedingsomgeving met veel wisselingen. Als gevolg van deze problematiek lijkt [minderjarige] steeds meer gedragsproblemen te vertonen. Zo zijn er zorgen over zijn emotieregulatie, waarbij [minderjarige] ongecontroleerde boosheid en forse agressie kan vertonen. Bovendien zijn er zorgen (geweest) over het mentale welzijn van [minderjarige] , waarbij [minderjarige] zich suïcidaal heeft uitgelaten en zichzelf de schuld lijkt te geven van de problematiek tussen de ouders.



5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Ondanks de inzet van hulpverlening binnen het vrijwillig kader is de problematiek niet opgelost en zijn de zorgen over [minderjarige] niet weggenomen. De hulpverlening is geregeld voortijdig beëindigd vanwege de strijd tussen de ouders en het is de ouders niet gelukt om de situatie blijvend te veranderen. Het is daarom nodig dat de GI wordt betrokken om duidelijke afspraken met de ouders te maken, de regie te voeren over de hulpverlening, de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] voorop te stellen en beslissingen te nemen die in het belang van [minderjarige] zijn. Het stemt de kinderrechter daarbij positief dat zowel de moeder als de vader dit zelf ook inzien.



5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk. De kinderrechter sluit zich aan bij de door de Raad gestelde doelen in het raadsrapport, te weten:
- [minderjarige] groeit op in een stabiele en veilige opvoedingsomgeving wat betekent dat hij niet wordt belast met de emoties van ouders, ruzies en de communicatie- en samenwerkingsproblemen tussen ouders;
- De ouders communiceren constructief met elkaar en kunnen afspraken maken over belangrijke zaken in de zorg en opvoeding van [minderjarige] ;
- [minderjarige] heeft op een prettige, structurele en vooral onbelaste manier contact met beide ouders;
- De ouders geven [minderjarige] (emotioneel) toestemming om een onbelast contact te hebben met de andere ouder;
- De ouders uiten zich respectvol dan wel neutraal over elkaar en accepteren ieders rol in het leven van [minderjarige] ;
- De ouders hebben meer inzicht in hun eigen aandeel in de verstoorde dynamiek/reactiepatronen, en wat dit betekent voor [minderjarige] ;
- De ouders hebben hun verleden met elkaar (ingrijpende gebeurtenissen tijdens en na de scheiding) en die emoties die hiermee gepaard gaan (die belemmerend zijn in het contact) verwerkt.
- [minderjarige] kan zijn gevoelens benoemen, aanvoelen en op een rustige manier uiten;
- [minderjarige] krijgt en voelt de ruimte om zijn emoties, behoeften en wensen kenbaar te maken (aan beide ouders en hulpverlening);
- [minderjarige] kan zichzelf zijn, ongeacht bij welke ouder hij verblijft en kan zijn eigen identiteit ontwikkelen;
- [minderjarige] zit goed in zijn vel omdat hij zich geen zorgen hoeft te maken over zijn ouders.



5.6.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het – onweersproken – verzoek van de Raad toewijzen. Na afloop van de zitting heeft de Raad de kinderrechter nader geïnformeerd over de bereidheid van de WSG om de ondertoezichtstelling uit te voeren. De WSG is van oordeel dat de casus niet passend is binnen de doelgroep en heeft zich dan ook niet bereid verklaard om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Daarom zal de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht stellen van de GI voor de duur van een jaar, nu de GI zich tijdens de zitting wel bereid heeft verklaard om de ondertoezichtstelling uit te voeren. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Met de Raad en de GI is de kinderrechter daarbij van oordeel dat het zwaartepunt van de hulpverlening bij de ouders moet liggen, omdat bij hen de verantwoordelijkheid en de oplossing ligt om de opvoedingsomgeving ten positieve te keren in het belang van [minderjarige] .



5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 10 juli 2026 tot 10 juli 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven door mr. Van Gessel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings als griffier.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.