Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7429

2026-07-09 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/449004 / JE RK 26-1001
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-08-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/449004 / JE RK 26-1001
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.203 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/449004 / JE RK 26-1001
Datum uitspraak: 9 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van



de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Brabant,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI,



over





[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .




Echtpaar [de pleegouders] ,

hierna te noemen: de pleegouders,
wonende te [woonplaats] .





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 juni 2026;


het e-mailbericht van de pleegouders van 16 juni 2026;


het e-mailbericht van de moeder van 16 juni 2026;


het e-mailbericht van de vader van 19 juni 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI;
- de pleegouders.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 30 juli 2025 tot 30 juli 2026. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 30 juli 2025 tot 30 juli 2026.



2.3.
Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] in het gezin van de pleegouders, zijnde de grootouders vaderszijde.





3Het verzoek


3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.






4De standpunten


4.1.
De GI handhaaft haar verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. Op dit moment gaat het goed met [minderjarige] . Er worden goede stappen gezet in de samenwerking tussen alle betrokkenen. Het contact met de ouders en de pleegouders verloopt goed. Eens per zes weken vindt er een overleg plaats met alle betrokken hulpverleners. Voor de GI is het lastig om de ondertoezichtstelling als zodanig uit te voeren. De casus wordt immers meer gezien als een voogdijzaak. Het is al geruime tijd duidelijk dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders is gelegen. Al meer dan een jaar geleden is door de GI een daarop betrekking hebbend perspectiefbesluit genomen. Het is niet duidelijk of dit perspectiefbesluit reeds door de kinderrechter is getoetst. De Raad heeft besloten geen gezagsbeëindiging van (een van) de ouders te verzoeken. De casus zou daarom eigenlijk overgedragen moeten worden naar het voorliggend veld. Omdat er veel hulpverlening betrokken is en aansturing nodig blijft, is dit niet mogelijk en moeten de maatregelen voortduren. De GI zal de komende periode verder werken aan de gestelde doelen. Ook zal de GI onderzoeken of er een mogelijkheid bestaat voor de uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en zijn beide ouders. Zowel de moeder als de vader wensen een uitbreiding van het contact met [minderjarige] met een overnachting. De GI zal zich inzetten om ten behoeve van een zitting naar aanleiding van een opvolgend verzoek tot verlenging van de maatregelen het perspectiefbesluit aan de kinderrechter ter toetsing voorleggen, als blijkt dat die toetsing nog moet plaatsvinden.



4.2.
De moeder stemt in met het verzoek van de GI. Het gaat goed met [minderjarige] bij de pleegouders. De moeder is blij met het contact dat zij met [minderjarige] heeft. Wanneer het voor [minderjarige] mogelijk is, zou de moeder graag zien dat het contact wordt uitgebreid met een overnachting. Het contact met de pleegouders verloopt steeds beter. In het begin was dit lastig voor de moeder.



4.3.
De vader stemt ook in met het verzoek van de GI. Het gaat over het algemeen goed met [minderjarige] bij de pleegouders. De vader vindt het fijn dat [minderjarige] bij de pleegouders verblijft en heeft hier vrede mee. Net als de moeder, wenst ook de vader dat het contact met [minderjarige] in de weekenden wordt uitgebreid met een overnachting. De vader heeft eraan moeten wennen dat hij [minderjarige] na de uithuisplaatsing veel minder mocht zien. Daarvoor woonde [minderjarige] bij de vader. In de rapportages die destijds door onder meer Tatoran zijn opgesteld, staat de situatie anders beschreven dan deze is. De plaatsing bij de pleegouders heeft in overleg en met zijn instemming plaatsgevonden om meer rust te bieden aan [minderjarige] . Toch is in de rapportage opgenomen dat de vader de zorg voor [minderjarige] niet kon bieden. De vader vindt dit pijnlijk voor hem.



4.4.
De pleegouders staan ook achter het verzoek van de GI. De laatste jaren gaat het steeds beter met [minderjarige] . De pleegouders zullen er alles voor doen om te zorgen dat [minderjarige] een goede jeugd heeft en verder bij hun kan groeien. Daarvoor pakken de pleegouders alles aan om [minderjarige] te kunnen helpen. [minderjarige] wordt vaak overschat maar met momenten ook onderschat. Het lukt niet altijd om daar doorheen te prikken. [minderjarige] moet goed worden voorbereid en heeft moeite met veranderingen. [minderjarige] is wel erg gegroeid. Op school geven ze aan dat ze dit niet eerder hebben meegemaakt. De medicatie heeft [minderjarige] goed geholpen. Zowel [minderjarige] als de pleegouders krijgen hulpverlening van Sterk Huis. Het contact met de GI verloopt over het algemeen goed. [minderjarige] kan bij de pleegouders blijven wonen. De enige reden dat [minderjarige] bij de pleegouders weg zal gaan, is wanneer hij kan terugkeren naar de vader of de moeder.



4.5.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat hij het goed vindt wanneer de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voortduren. [minderjarige] heeft het fijn bij de pleegouders. Hij is daar tot rust gekomen. Ook zijn contact met zijn ouders verloopt goed. [minderjarige] zou het wel fijn vinden om iets vaker contact te hebben met zijn jeugdbeschermer.





5De beoordeling



Wettelijk kader




5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.



5.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:


de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en


de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.




5.3.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en maximaal voor de duur van een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) zijn voldaan.



5.4.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.



Inhoudelijke beoordeling





5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. Hij legt hieronder uit waarom.



5.6.
Hoewel er in de afgelopen periode goede stappen zijn gezet en [minderjarige] een positieve ontwikkeling doormaakt bij de pleegouders, zijn er ook nog altijd zorgen over [minderjarige] waardoor hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Hij heeft in zijn leven al veel meegemaakt en ging daardoor steeds meer gedragsproblemen vertonen. Er zijn veel spanningen geweest tussen de ouders onderling en tussen de ouders en de pleegouders. [minderjarige] heeft dit meegekregen en is belast met de emoties van de volwassenen om hem heen. Het lukt de ouders en de pleegouders nu om beter met elkaar te communiceren en samen te werken, maar hier is nog wel ondersteuning van een derde bij nodig. Dit maakt dan ook dat de ondertoezichtstelling nog niet kan worden beëindigd. De kinderrechter acht het daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI in de komende periode zicht houdt op zijn welbevinden en regie blijft voeren over de ingezette hulpverlening. Er moet immers worden voorkomen dat de hulpverlening vroegtijdig wordt beëindigd.



5.7.
Verder is de kinderrechter van oordeel dat voortzetting van de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders in het belang van zijn verzorging en opvoeding noodzakelijk is. De kinderrechter constateert dat [minderjarige] het bij de pleegouders naar omstandigheden goed doet. [minderjarige] is gebaat bij de stabiliteit die hem binnen het pleeggezin wordt geboden en lijkt de afgelopen periode positieve stappen te zetten in zijn ontwikkeling. Het verblijf in deze veilige en vertrouwde setting moet dan ook worden voortgezet.



5.8.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het, onweersproken, verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening van pleegzorg van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode verder aan de doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Daarnaast zal de GI onderzoeken welke mogelijkheden er bestaan ten aanzien van een eventuele uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en zijn beide ouders. De kinderrechter benadrukt in dat kader dat het tempo van [minderjarige] hierin leidend moet zijn.



5.9.
Ten slotte vraagt de kinderrechter van de GI aandacht voor de toetsing van het perspectiefbesluit van [minderjarige] . Volgens de GI heeft zij al een beslissing genomen, inhoudende dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt. De kinderrechter is niet bekend met een eventuele toetsing van het perspectiefbesluit van de GI. Als dat besluit door de kinderrechter nog niet is getoetst, heeft de GI de mogelijkheid om dat alsnog te laten doen bij een eventuele volgend verzoek betreffende de verlenging van de maatregelen.



5.10.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 30 juli 2026 tot 30 juli 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg van 30 juli 2026 tot 30 juli 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 16 juli 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.