Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7424

2026-07-09 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448868 / JE RK 26-970
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-08-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448868 / JE RK 26-970
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verl. OTS

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.020 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/448868 / JE RK 26-970
Datum uitspraak: 9 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),



over





[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],





[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2].



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. Z. Gademan te Breda.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026;


de e-mail van [minderjarige 1] van 29 juni 2026;


het bericht met bijlagen van mr. Gademan namens de vader van 30 juni 2026;


de e-mail van [minderjarige 2] van 2 juli 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.


Mr. Gademan is met bericht van verhindering niet verschenen.




1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd.



[minderjarige 1] heeft de kinderrechter op 27 juni 2026 per e-mail bericht dat zij niet op het zogenoemde kindgesprek zal verschijnen. [minderjarige 1] heeft kort samengevat aangegeven dat zij kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij vindt het prettig om verder te werken aan de eerder gestelde doelen onder toezicht van de GI.




[minderjarige 2] heeft de kinderrechter op 2 juli 2026 per e-mail bericht dat zij niet op het zogenoemde kindgesprek zal verschijnen. [minderjarige 2] heeft in de e-mail aangegeven dat zij het geen probleem vindt of de ondertoezichtstelling al dan niet wordt verlengd. Zij wil dat de kinderrechter hierover een beslissing neemt.






2De feiten


2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].



2.2.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij beschikking van 23 juli 2025 onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 23 juli 2025 tot 23 juli 2026.



2.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
Namens de GI is in de overgelegde stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat de eerder opgestelde doelen nog niet zijn behaald. De kinderen worden nog steeds in hun ontwikkeling bedreigd op het gebied van loyaliteit, schoolgang, sociaal emotionele ontwikkeling en in het vormen van een eigen mening. [minderjarige 1] gaat momenteel niet naar school, omdat dit te intensief voor haar is. Zij heeft geen contact met de vader. Zij ontvangt ondersteuning van [praktijk], waaronder EMDR. [minderjarige 2] vindt het moeilijk om te praten over de zaken waar zij tegenaan loopt en haar gevoelens. Zij is om het weekend bij de vader. De ouders zijn nog onvoldoende in staat het gezamenlijk ouderschap vorm te geven. De ouders hebben e-mailcontact met elkaar en nemen de GI in deze mailwisselingen mee. De ouders moeten regelmatig worden bijgestuurd vanwege een verschil in visie over de kinderen. Ook lukt het de ouders niet om het met elkaar eens te worden over bepaalde onderwerpen, zoals een school voor [minderjarige 2] of het openen van een bankrekening voor de kinderen. Volgens de GI verloopt de samenwerking met de moeizaam. De vader heeft weinig vertrouwen in de ondertoezichtstelling en de betrokken hulpverlening in verband met de negatieve ervaringen van de afgelopen jaren. De vader stelt legitieme vragen, maar hij is vaak niet tevreden met het antwoord, is van mening dat het anders moet of vindt het antwoord lastig. Hierdoor gaat er veel tijd en energie naar het proces in plaats van naar de inhoud. In het verleden is er veel gebeurd en het is de bedoeling dat de ruis middels de systemische hulpverlening door [hulpverlening] wordt beperkt, zodat de ouders in hun kracht op de voorgrond komen te staan en de kinderen hiervan kunnen profiteren. De GI vindt het vervelend dat de hulpverlening niet eerder is opgestart door lange wachtlijsten. Een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden is noodzakelijk om de ingezette trajecten voort te zetten, de doelen verder uit te werken en te monitoren en de ouders te begeleiden in het vormgeven van constructief en gezamenlijk ouderschap. Op korte termijn wordt de zaak vanuit het provinciaal instroom team overgedragen aan een vaste jeugdbeschermer in [woonplaats 1].



4.2.
Door en namens de vader is in de overgelegde stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling voor een periode van maximaal zes maanden. Volgens hem is onvoldoende gemotiveerd waarom een verlenging voor de duur van een jaar noodzakelijk is. De ondertoezichtstelling is in het eerste jaar vertraagd of beperkt door onder andere het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer, de vertraagde start van hulpverlening, de beperkte informatievoorziening, het uitblijven van inhoudelijke beantwoording van vragen, de wijze van dossiervorming en het ontbreken van voldoende transparantie rondom belangrijke beslissingen. Hierdoor is veel kostbare tijd verloren gegaan, hetgeen ten koste gaat van de band tussen de vader en de kinderen. Het verloop van de ondertoezichtstelling en de invloed daarvan op de vertrouwensband tussen de vader en de GI is nauwelijks omschreven in het verzoekschrift. De vader vindt dat eerst moet worden vastgesteld welke resultaten kunnen worden bereikt wanneer de ondertoezichtstelling wel wordt uitgevoerd met voldoende continuïteit, tijdige informatievoorziening, duidelijke communicatie en een gelijkwaardige betrokkenheid van beide ouders. Een tussentijds toetsmoment biedt de mogelijkheid om te beoordelen of de ingezette hulpverlening daadwerkelijk effect heeft, de samenwerking zich ontwikkelt en de uitvoering van de ondertoezichtstelling voldoet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. De vader benadrukt hierbij meermaals dat hij niet tegen een verlenging is van de ondertoezichtstelling en dat de hulpverlening van [hulpverlening] noodzakelijk is.



4.3.
Door de moeder is naar voren gebracht dat zij kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Het gaat goed met de kinderen. [minderjarige 2] kijkt uit naar de schoolvakantie en is opgelucht dat zij na de schoolvakantie naar de havo mag en niet naar het vwo moet. [minderjarige 1] gaat middels therapie werken aan een stapsgewijze terugkeer naar school. Het is fijn dat het [minderjarige 1] weer lukt om goed te eten en te slapen.





5De beoordeling



Wat zegt de wet?



5.1.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:



de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en


de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.



Wat vindt de kinderrechter?



5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat er onverminderd sprake is van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Deze is gelegen in een loyaliteitsconflict bij beide kinderen en zorgen over hun sociale emotionele ontwikkeling, welke te maken hebben met een jarenlange partnerstrijd tussen de ouders. In de afgelopen periode is de schoolgang van [minderjarige 1] gestagneerd. [minderjarige 2] vindt het lastig om te praten over haar gevoelens. Het lukt de ouders momenteel niet om samen de verantwoordelijkheid voor de kinderen te dragen. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. De kinderen en de ouders staan aan het begin van de noodzakelijke hulpverlening om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De hulpverlening van [hulpverlening] is pas onlangs opgestart. Voor beide kinderen moet ruimte voor herstel komen. Daarnaast moeten de ouders ieder voor zich aan de slag met hun aandeel in het systeem. Hulpverlening in het gedwongen kader is noodzakelijk onder sturing en regie van de GI.



Duur




5.3.
De kinderrechter kan zich voorstellen dat de ouders in het afgelopen jaar het gevoel hebben gehad in de wacht te hebben gestaan. Dat verklaart ook de onvrede bij de vader. Ondanks een vertraagde inzet van hulpverlening is voldoende gebleken dat inmiddels passende hulpverlening is gevonden. Er zal op korte termijn een vaste jeugdbeschermer worden aangesteld. Er ligt ook een voldoende concreet plan voor de ouders en de kinderen. De kinderrechter acht het gelet hierop in de eerste plaats van belang dat de focus van de ouders komt te liggen op het meewerken aan de noodzakelijke hulpverlening. Zij drukt vader op het hart dat hij zijn tijd en energie steekt in de inhoud in plaats van het proces. Het is de verwachting dat het komende jaar noodzakelijk is om de doelen te behalen. Een tussentijds toetsmoment acht de kinderrechter niet nodig en zal enkel leiden tot extra onrust. Dit laat uiteraard onverlet dat er regelmatig tussentijds met de ouders wordt geëvalueerd hoe de hulpverlening verloopt.



5.4.
Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderrechter zal het verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen met ingang van 23 juli 2026 tot 23 juli 2027.



5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



5.6.
Dit leidt tot de volgende beslissing.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 23 juli 2026 tot 23 juli 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Oonincx als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.