Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7410
2026-07-09
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/449764 / JE RK 26-1134
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verl. OTS, deels toegewezen, overige aangehouden. Zelfstandig verzoek moeder, wijziging GI, aangehouden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.327 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449764 / JE RK 26-1134
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. D.N. van Wensen te Lage Zwaluwe,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 juni 2026.
het verweerschrift met zelfstandig verzoek en bijlagen van mr. Van Wensen van 7 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Bij deze zitting zijn verschenen en gehoord:
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de moeder met haar advocaat;
- de vader.
Aan mevrouw [persoon], ambulant begeleidster van de moeder ([hulpverlening]), is bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
De kinderrechter heeft [minderjarige] op 14 juli 2025 onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 14 juli 2025 tot 14 juli 2026.
2.3.
[minderjarige] woont bij de moeder.
3De verzoeken
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De moeder heeft, voor het geval het verzoek van de GI wordt toegewezen, een zelfstandig verzoek ingediend om de GI te vervangen.
4De standpunten
De GI
4.1.
De GI vindt het belangrijk dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verlengd. In de afgelopen periode zijn de zorgen niet voldoende afgenomen. Het schoolverzuim is nog niet voldoende teruggebracht. Naast dat [minderjarige] nog heeft verzuimd, wordt hij niet altijd op tijd opgehaald en wordt hij soms zonder bekende reden ziek gemeld. De moeder heeft in de afgelopen periode wezenlijke stappen gezet en wil meewerken aan de voorgestelde hulpverlening. De GI wil dat de moeder ook uitkomsten van drugstesten laat zien, maar dit wil zij niet. Ook zijn de moeder en de vader niet bereid om een arts onderzoek te laten verrichten naar ADHD bij [minderjarige]. De GI vindt het nodig dat [minderjarige] ADHD medicatie gebruikt, omdat hij fors last heeft van zijn drukke gedrag en een tekort aan aandacht. De omgang tussen de vader en [minderjarige] is op gang gekomen en loopt al enige tijd goed. De vader ziet [minderjarige] nu regelmatig. Momenteel wordt onderzocht of de vader meer kan betekenen in het leven van [minderjarige] ter ondersteuning van de moeder. Desgevraagd licht de GI toe dat zij gesprekken heeft gevoerd met de moeder over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan wil [minderjarige] bij de moeder kunnen blijven wonen. Dit kan alleen als de moeder geen middelen meer gebruikt, wordt behandeld voor haar persoonlijke problematiek en herstelt van haar trauma’s en de ouders geen contact met elkaar hebben. De toon naar de moeder is altijd positief geweest. Het werken aan oudercommunicatie is geen haalbaar doel gelet op de gebeurtenissen in het verleden. In de komende periode dient eerst gewerkt te worden aan behandeling. De GI ziet ook geen meerwaarde in aanvullende hulpverlening vanuit het SDW. Zij heeft een aanmelding voor de moeder gesteund, omdat de moeder deze hulp belangrijk vindt, maar deze aanvraag is niet geëffectueerd. De GI is nog nodig zodat kan worden gemonitord of [minderjarige] naar school blijft gaan en als stok achter de deur voor de moeder, zodat zij haar behandeling blijft volgen.
4.2.
De GI wil graag verdere stappen met de ouders zetten en ziet geen reden om te wisselen van jeugdbeschermer of GI. De ouders hebben een andere visie op de situatie dan het beleid van de GI in hun specifieke geval. Zij maskeren problemen. Een andere jeugdbeschermer vanuit de GI zal tot dezelfde conclusie en aanpak komen. Wellicht dat de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering beter bij de ouders aansluit, omdat zij op een andere wijze communiceren. De GI ziet echter geen reden voor vervanging.
De moeder
4.3.
De moeder voert verweer tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij begrijpt het wel als de ondertoezichtstelling wordt verlengd omdat zij nog steeds hulp nodig heeft, maar voelt zich onder druk gezet rondom medicatie, behandeling en drugstesten. De jeugdbeschermer kan zelf niet de conclusie trekken dat [minderjarige] ADHD heeft en daarvoor medicatie dient te gebruiken, ook zijn de contactmomenten tussen hem en [minderjarige] daarvoor te kort. De moeder ervaart geen betrokkenheid van de GI. Ook school en [hulpverlening] ervaren dit. De jeugdbeschermer is onvoldoende bereikbaar en communiceert ook onvoldoende duidelijk. Zonder geldige reden is het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ter zijde gelegd door de ouders te verbieden om onderling contact met elkaar te hebben, terwijl een van de geadviseerde doelen is om de oudercommunicatie te verbeteren. Als op de oudercommunicatie wordt ingezet, is een ondertoezichtstelling zeer waarschijnlijk niet meer nodig. De moeder heeft zelfstandig het SDW gevraagd om haar te ondersteunen tijdens de ochtendroutine, maar deze hulp is niet opgestart omdat het SDW geen contact (meer) kreeg met de betrokken jeugdbeschermer. Desondanks is het schoolverzuim in de afgelopen periode stukken minder geworden. De moeder weet dat zij er nog strenger op moet toezien dat [minderjarige] naar school gaat. Het is voor haar echter onduidelijk wat van haar wordt verwacht en zij heeft geen vertrouwen in de betrokken jeugdbeschermer. De gesprekken door de jeugdbeschermer met de moeder hebben steeds in het teken gestaan van een mogelijke uithuisplaatsing als er niets verandert. Meerdere keren is tegen haar gezegd dat het 5 voor 12 is. De moeder ervaart dit als dreigement en dat beangstigt haar. De moeder heeft inmiddels een formele klacht bij de GI weggelegd. De verstandhouding met de GI is zodanig ernstig verstoord dat de moeder bij toewijzing van het verzoek vervanging van de GI, of in ieder geval de betrokken jeugdbeschermer, verzoekt.
De vader
4.4.
Door de vader is naar voren gebracht dat hij kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling, maar dat ook hij graag wil dat een andere jeugdbeschermer wordt aangewezen. De vader wordt onzeker van de huidige jeugdbeschermer. Het contact met [minderjarige] verloopt goed. De ouders mogen echter geen contact met elkaar hebben van de jeugdbeschermer. Dit is tegen de wil van de ouders, want zij willen communiceren in het belang van [minderjarige]. De jeugdbeschermer heeft tegen de vader meermaals gezegd dat [minderjarige] uit huis geplaatst wordt als de situatie bij de moeder niet verandert. Ook tegen hem is gezegd dat het 5 voor 12 is.
5De beoordeling
Verzoek GI
5.1.
Op basis van de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan.
5.2.
De kinderrechter overweegt allereerst dat [minderjarige] onder toezicht is gesteld omdat hij in een kwetsbare en overbelaste opvoedsituatie opgroeit en de zorgen hierover nog niet (volledig) zijn weggenomen. Beide ouders hebben te maken met eigen persoonlijke problematiek en zijn bekend met middelengebruik. Omdat er veel ruzies waren en geen goed onderling contact zag [minderjarige] zijn vader geregeld niet. Ook verzuimde hij veel van school. Inmiddels zien de vader en [minderjarige] elkaar weer regelmatig en zijn er geen zorgen over dit contact. De zorgen op school zijn niet geheel weg, maar positief is dat [minderjarige] overgaat en minder lijkt te verzuimen (ongeoorloofd, ziek of te laat). Nog steeds is er wel sprake van zorgelijk verzuim.
5.3.
Het is de kinderrechter verder gebleken dat het op de twee door de GI gestelde doelen na (verzuim en contact met de vader) aan een volledig beeld over de opvoedsituatie bij en tussen de ouders ontbreekt. Onduidelijk is hoe de zorgen en krachten zich momenteel tot elkaar verhouden, wat de rol van hulpverlening hierin is en welke afspraken hierover zijn of moeten worden gemaakt met de ouders. De kinderrechter heeft de GI bevraagd over een aantal concrete punten, maar is niet wijzer geworden op basis van de toelichting op zitting. Daarnaast is gebleken dat de uitleg van ouders en de GI verschilt. Dit roept de volgende vragen op:
De GI geeft zowel aan dat de moeder wezenlijke stappen heeft gezet en wil meewerken, maar benoemt ook dat sprake is van ‘aanhoudende onrust’. Dit lijkt zich niet met elkaar te verhouden. Onduidelijk is dan ook wat hier precies mee wordt bedoeld? Uit het verzoekschrift blijkt verder dat drugstesten nog noodzakelijk zouden zijn en dat er sprake moet zijn van behandeling (welke?) voor de persoonlijke problematiek en trauma’s van de moeder, maar onbekend is wat hierin de precieze stand van zaken is. Gaat het om actuele zorgen over middelengebruik? Op basis waarvan? En waar dient de hulpverlening voor de moeder zich op te richten? Is daarnaast ook aanvullende hulpverlening nodig (gelet op de aanhoudende onrust) of niet? Onduidelijk in dit verband is bijvoorbeeld of hulpverlening door SDW wel of niet nodig is om de moeder verder te ondersteunen in haar ochtendroutine? In het verzoekschrift wordt benoemd dat dit ‘een laatste redmiddel’ is, terwijl op zitting het doel en noodzaak van deze hulp niet worden gezien? De GI benoemt dat deze hulp ‘niet is geëffectueerd’, maar dit is iets anders dan het niet kunnen opstarten door toedoen van de GI. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk dat [hulpverlening] hierover contact heeft opgenomen met SDW en deze de aanmelding door het uitblijven van contact met de betrokkenjeugdbeschermer heeft stop gezet?
Het is van belang dat er een sluitend antwoord komt op deze vragen. Met de advocaat van de moeder is de kinderrechter daarnaast van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is waarom inmiddels niet kan worden ingezet op oudercommunicatie. De situatie verlangt op zijn minst een communicatieplan voor de ouders zodat zij weten wat zij wel en/of niet mogen en waarom. Het verontrust de kinderrechter dat de ouders ervaren dat de GI het contact met hen verbiedt en dreigt met een uithuisplaatsing. Het doet de situatie geen goed. De GI heeft hier een aandeel in.
5.4.
Om te bepalen wat [minderjarige] (verder) nodig heeft en hoe hij en de ouders het best hierin kunnen worden ondersteund is het nodig dat de GI langer aanblijft, voordat de hulp weer naar een vrijwillig kader kan worden afgeschaald. De hiervoor geschetste onduidelijkheden dienen eerst te worden opgehelderd wil het voor de ouders duidelijk zijn wat het plan voor [minderjarige] is en op welke manier zij daaraan moeten meewerken. Gelet hierop ziet de kinderrechter aanleiding om de ondertoezichtstelling voor een kortere duur te verlengen en een tussentijds toetsmoment te bepalen.
5.5.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van drie maanden, met ingang van 14 juli 2026 tot 14 oktober 2026. De behandeling van het restant van het verzoek houdt de kinderrechter aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] (mr. De Jong). De kinderrechter wil uiterlijk vóór 26 augustus 2026 door de GI worden geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de punten die in r.o. 5.3. aan de orde zijn gesteld. De kinderrechter verwacht daarbij dat de GI haar tevens informeert over het verdere verloop van de ondertoezichtstelling en wat er nodig is om naar een vrijwillig kader te gaan. De ouders worden in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 2 september 2026 schriftelijk op de informatie van de GI te reageren en een afschrift daarvan te verstrekken aan de GI en de vader of advocaat van de moeder.
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Zelfstandig verzoek van de moeder
5.7.
Op grond van artikel 1:259 BW kan de kinderrechter op verzoek van onder andere een met het gezag belaste ouder, de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
5.8.
De kinderrechter begrijpt dat de samenwerking tussen de ouders en de GI op dit moment niet goed verloopt. De moeder heeft inmiddels een formele klacht ingediend bij de GI. Het is nog niet duidelijk of en hoe deze met de ouders wordt besproken en of deze wordt doorgezet naar de klachtencommissie. Het is wenselijk eerst deze stappen af te wachten en te onderzoeken of de samenwerking tussen de ouders en de GI kan worden hersteld. Gelet op de verstoorde verstandhouding tussen de ouders en de huidige jeugdbeschermer kan de kinderrechter zich voorstellen dat een andere jeugdbeschermer wordt aangesteld.
5.9.
Ten slotte is van belang dat een verzoek tot vervanging van de GI slechts kan worden toegewezen als een andere GI zich bereid heeft verklaard om de ondertoezichtstelling uit te voeren.
5.10.
Gelet hierop zal de kinderrechter het zelfstandige verzoek van de moeder aanhouden tot de zitting op [datum] 2026. De advocaat van de moeder wordt verzocht om in haar schriftelijke reactie op het verslag van de GI tevens aan te geven of dit verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.11.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 14 juli 2026 tot 14 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur], bij kinderrechter mr. De Jong, bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW;
6.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor de nadere zitting voor de GI, de moeder en haar advocaat en de vader;
6.5.
bepaalt dat de GI uiterlijk vóór 26 augustus 2026 schriftelijk verslag uitbrengt met inachtneming van rechtsoverweging 5.5 en 5.3 en een afschrift daarvan verstrekt aan de advocaat van de moeder en aan de vader;
6.6.
bepaalt dat de moeder en haar advocaat en de vader de gelegenheid krijgen om vóór 2 september 2026 schriftelijk op de berichtgeving van de GI te reageren.
6.7.
houdt de behandeling van het verzoek van de moeder tot vervanging van de GI aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur].
6.8.
bepaalt dat de moeder en haar advocaat vóór 2 september 2026 gemotiveerd aangeven of het zelfstandige verzoek al dan niet wordt gehandhaafd en een afschrift daarvan verstrekken aan de GI en de vader.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid de griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449764 / JE RK 26-1134
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. D.N. van Wensen te Lage Zwaluwe,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 juni 2026.
het verweerschrift met zelfstandig verzoek en bijlagen van mr. Van Wensen van 7 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Bij deze zitting zijn verschenen en gehoord:
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de moeder met haar advocaat;
- de vader.
Aan mevrouw [persoon], ambulant begeleidster van de moeder ([hulpverlening]), is bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
De kinderrechter heeft [minderjarige] op 14 juli 2025 onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 14 juli 2025 tot 14 juli 2026.
2.3.
[minderjarige] woont bij de moeder.
3De verzoeken
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De moeder heeft, voor het geval het verzoek van de GI wordt toegewezen, een zelfstandig verzoek ingediend om de GI te vervangen.
4De standpunten
De GI
4.1.
De GI vindt het belangrijk dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verlengd. In de afgelopen periode zijn de zorgen niet voldoende afgenomen. Het schoolverzuim is nog niet voldoende teruggebracht. Naast dat [minderjarige] nog heeft verzuimd, wordt hij niet altijd op tijd opgehaald en wordt hij soms zonder bekende reden ziek gemeld. De moeder heeft in de afgelopen periode wezenlijke stappen gezet en wil meewerken aan de voorgestelde hulpverlening. De GI wil dat de moeder ook uitkomsten van drugstesten laat zien, maar dit wil zij niet. Ook zijn de moeder en de vader niet bereid om een arts onderzoek te laten verrichten naar ADHD bij [minderjarige]. De GI vindt het nodig dat [minderjarige] ADHD medicatie gebruikt, omdat hij fors last heeft van zijn drukke gedrag en een tekort aan aandacht. De omgang tussen de vader en [minderjarige] is op gang gekomen en loopt al enige tijd goed. De vader ziet [minderjarige] nu regelmatig. Momenteel wordt onderzocht of de vader meer kan betekenen in het leven van [minderjarige] ter ondersteuning van de moeder. Desgevraagd licht de GI toe dat zij gesprekken heeft gevoerd met de moeder over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan wil [minderjarige] bij de moeder kunnen blijven wonen. Dit kan alleen als de moeder geen middelen meer gebruikt, wordt behandeld voor haar persoonlijke problematiek en herstelt van haar trauma’s en de ouders geen contact met elkaar hebben. De toon naar de moeder is altijd positief geweest. Het werken aan oudercommunicatie is geen haalbaar doel gelet op de gebeurtenissen in het verleden. In de komende periode dient eerst gewerkt te worden aan behandeling. De GI ziet ook geen meerwaarde in aanvullende hulpverlening vanuit het SDW. Zij heeft een aanmelding voor de moeder gesteund, omdat de moeder deze hulp belangrijk vindt, maar deze aanvraag is niet geëffectueerd. De GI is nog nodig zodat kan worden gemonitord of [minderjarige] naar school blijft gaan en als stok achter de deur voor de moeder, zodat zij haar behandeling blijft volgen.
4.2.
De GI wil graag verdere stappen met de ouders zetten en ziet geen reden om te wisselen van jeugdbeschermer of GI. De ouders hebben een andere visie op de situatie dan het beleid van de GI in hun specifieke geval. Zij maskeren problemen. Een andere jeugdbeschermer vanuit de GI zal tot dezelfde conclusie en aanpak komen. Wellicht dat de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering beter bij de ouders aansluit, omdat zij op een andere wijze communiceren. De GI ziet echter geen reden voor vervanging.
De moeder
4.3.
De moeder voert verweer tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij begrijpt het wel als de ondertoezichtstelling wordt verlengd omdat zij nog steeds hulp nodig heeft, maar voelt zich onder druk gezet rondom medicatie, behandeling en drugstesten. De jeugdbeschermer kan zelf niet de conclusie trekken dat [minderjarige] ADHD heeft en daarvoor medicatie dient te gebruiken, ook zijn de contactmomenten tussen hem en [minderjarige] daarvoor te kort. De moeder ervaart geen betrokkenheid van de GI. Ook school en [hulpverlening] ervaren dit. De jeugdbeschermer is onvoldoende bereikbaar en communiceert ook onvoldoende duidelijk. Zonder geldige reden is het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ter zijde gelegd door de ouders te verbieden om onderling contact met elkaar te hebben, terwijl een van de geadviseerde doelen is om de oudercommunicatie te verbeteren. Als op de oudercommunicatie wordt ingezet, is een ondertoezichtstelling zeer waarschijnlijk niet meer nodig. De moeder heeft zelfstandig het SDW gevraagd om haar te ondersteunen tijdens de ochtendroutine, maar deze hulp is niet opgestart omdat het SDW geen contact (meer) kreeg met de betrokken jeugdbeschermer. Desondanks is het schoolverzuim in de afgelopen periode stukken minder geworden. De moeder weet dat zij er nog strenger op moet toezien dat [minderjarige] naar school gaat. Het is voor haar echter onduidelijk wat van haar wordt verwacht en zij heeft geen vertrouwen in de betrokken jeugdbeschermer. De gesprekken door de jeugdbeschermer met de moeder hebben steeds in het teken gestaan van een mogelijke uithuisplaatsing als er niets verandert. Meerdere keren is tegen haar gezegd dat het 5 voor 12 is. De moeder ervaart dit als dreigement en dat beangstigt haar. De moeder heeft inmiddels een formele klacht bij de GI weggelegd. De verstandhouding met de GI is zodanig ernstig verstoord dat de moeder bij toewijzing van het verzoek vervanging van de GI, of in ieder geval de betrokken jeugdbeschermer, verzoekt.
De vader
4.4.
Door de vader is naar voren gebracht dat hij kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling, maar dat ook hij graag wil dat een andere jeugdbeschermer wordt aangewezen. De vader wordt onzeker van de huidige jeugdbeschermer. Het contact met [minderjarige] verloopt goed. De ouders mogen echter geen contact met elkaar hebben van de jeugdbeschermer. Dit is tegen de wil van de ouders, want zij willen communiceren in het belang van [minderjarige]. De jeugdbeschermer heeft tegen de vader meermaals gezegd dat [minderjarige] uit huis geplaatst wordt als de situatie bij de moeder niet verandert. Ook tegen hem is gezegd dat het 5 voor 12 is.
5De beoordeling
Verzoek GI
5.1.
Op basis van de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan.
5.2.
De kinderrechter overweegt allereerst dat [minderjarige] onder toezicht is gesteld omdat hij in een kwetsbare en overbelaste opvoedsituatie opgroeit en de zorgen hierover nog niet (volledig) zijn weggenomen. Beide ouders hebben te maken met eigen persoonlijke problematiek en zijn bekend met middelengebruik. Omdat er veel ruzies waren en geen goed onderling contact zag [minderjarige] zijn vader geregeld niet. Ook verzuimde hij veel van school. Inmiddels zien de vader en [minderjarige] elkaar weer regelmatig en zijn er geen zorgen over dit contact. De zorgen op school zijn niet geheel weg, maar positief is dat [minderjarige] overgaat en minder lijkt te verzuimen (ongeoorloofd, ziek of te laat). Nog steeds is er wel sprake van zorgelijk verzuim.
5.3.
Het is de kinderrechter verder gebleken dat het op de twee door de GI gestelde doelen na (verzuim en contact met de vader) aan een volledig beeld over de opvoedsituatie bij en tussen de ouders ontbreekt. Onduidelijk is hoe de zorgen en krachten zich momenteel tot elkaar verhouden, wat de rol van hulpverlening hierin is en welke afspraken hierover zijn of moeten worden gemaakt met de ouders. De kinderrechter heeft de GI bevraagd over een aantal concrete punten, maar is niet wijzer geworden op basis van de toelichting op zitting. Daarnaast is gebleken dat de uitleg van ouders en de GI verschilt. Dit roept de volgende vragen op:
De GI geeft zowel aan dat de moeder wezenlijke stappen heeft gezet en wil meewerken, maar benoemt ook dat sprake is van ‘aanhoudende onrust’. Dit lijkt zich niet met elkaar te verhouden. Onduidelijk is dan ook wat hier precies mee wordt bedoeld? Uit het verzoekschrift blijkt verder dat drugstesten nog noodzakelijk zouden zijn en dat er sprake moet zijn van behandeling (welke?) voor de persoonlijke problematiek en trauma’s van de moeder, maar onbekend is wat hierin de precieze stand van zaken is. Gaat het om actuele zorgen over middelengebruik? Op basis waarvan? En waar dient de hulpverlening voor de moeder zich op te richten? Is daarnaast ook aanvullende hulpverlening nodig (gelet op de aanhoudende onrust) of niet? Onduidelijk in dit verband is bijvoorbeeld of hulpverlening door SDW wel of niet nodig is om de moeder verder te ondersteunen in haar ochtendroutine? In het verzoekschrift wordt benoemd dat dit ‘een laatste redmiddel’ is, terwijl op zitting het doel en noodzaak van deze hulp niet worden gezien? De GI benoemt dat deze hulp ‘niet is geëffectueerd’, maar dit is iets anders dan het niet kunnen opstarten door toedoen van de GI. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk dat [hulpverlening] hierover contact heeft opgenomen met SDW en deze de aanmelding door het uitblijven van contact met de betrokkenjeugdbeschermer heeft stop gezet?
Het is van belang dat er een sluitend antwoord komt op deze vragen. Met de advocaat van de moeder is de kinderrechter daarnaast van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is waarom inmiddels niet kan worden ingezet op oudercommunicatie. De situatie verlangt op zijn minst een communicatieplan voor de ouders zodat zij weten wat zij wel en/of niet mogen en waarom. Het verontrust de kinderrechter dat de ouders ervaren dat de GI het contact met hen verbiedt en dreigt met een uithuisplaatsing. Het doet de situatie geen goed. De GI heeft hier een aandeel in.
5.4.
Om te bepalen wat [minderjarige] (verder) nodig heeft en hoe hij en de ouders het best hierin kunnen worden ondersteund is het nodig dat de GI langer aanblijft, voordat de hulp weer naar een vrijwillig kader kan worden afgeschaald. De hiervoor geschetste onduidelijkheden dienen eerst te worden opgehelderd wil het voor de ouders duidelijk zijn wat het plan voor [minderjarige] is en op welke manier zij daaraan moeten meewerken. Gelet hierop ziet de kinderrechter aanleiding om de ondertoezichtstelling voor een kortere duur te verlengen en een tussentijds toetsmoment te bepalen.
5.5.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van drie maanden, met ingang van 14 juli 2026 tot 14 oktober 2026. De behandeling van het restant van het verzoek houdt de kinderrechter aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] (mr. De Jong). De kinderrechter wil uiterlijk vóór 26 augustus 2026 door de GI worden geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de punten die in r.o. 5.3. aan de orde zijn gesteld. De kinderrechter verwacht daarbij dat de GI haar tevens informeert over het verdere verloop van de ondertoezichtstelling en wat er nodig is om naar een vrijwillig kader te gaan. De ouders worden in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 2 september 2026 schriftelijk op de informatie van de GI te reageren en een afschrift daarvan te verstrekken aan de GI en de vader of advocaat van de moeder.
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Zelfstandig verzoek van de moeder
5.7.
Op grond van artikel 1:259 BW kan de kinderrechter op verzoek van onder andere een met het gezag belaste ouder, de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
5.8.
De kinderrechter begrijpt dat de samenwerking tussen de ouders en de GI op dit moment niet goed verloopt. De moeder heeft inmiddels een formele klacht ingediend bij de GI. Het is nog niet duidelijk of en hoe deze met de ouders wordt besproken en of deze wordt doorgezet naar de klachtencommissie. Het is wenselijk eerst deze stappen af te wachten en te onderzoeken of de samenwerking tussen de ouders en de GI kan worden hersteld. Gelet op de verstoorde verstandhouding tussen de ouders en de huidige jeugdbeschermer kan de kinderrechter zich voorstellen dat een andere jeugdbeschermer wordt aangesteld.
5.9.
Ten slotte is van belang dat een verzoek tot vervanging van de GI slechts kan worden toegewezen als een andere GI zich bereid heeft verklaard om de ondertoezichtstelling uit te voeren.
5.10.
Gelet hierop zal de kinderrechter het zelfstandige verzoek van de moeder aanhouden tot de zitting op [datum] 2026. De advocaat van de moeder wordt verzocht om in haar schriftelijke reactie op het verslag van de GI tevens aan te geven of dit verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.11.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 14 juli 2026 tot 14 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur], bij kinderrechter mr. De Jong, bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW;
6.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor de nadere zitting voor de GI, de moeder en haar advocaat en de vader;
6.5.
bepaalt dat de GI uiterlijk vóór 26 augustus 2026 schriftelijk verslag uitbrengt met inachtneming van rechtsoverweging 5.5 en 5.3 en een afschrift daarvan verstrekt aan de advocaat van de moeder en aan de vader;
6.6.
bepaalt dat de moeder en haar advocaat en de vader de gelegenheid krijgen om vóór 2 september 2026 schriftelijk op de berichtgeving van de GI te reageren.
6.7.
houdt de behandeling van het verzoek van de moeder tot vervanging van de GI aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur].
6.8.
bepaalt dat de moeder en haar advocaat vóór 2 september 2026 gemotiveerd aangeven of het zelfstandige verzoek al dan niet wordt gehandhaafd en een afschrift daarvan verstrekken aan de GI en de vader.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid de griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.