Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7408

2026-07-09 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448976 / KG ZA 26-302
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-08-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/02/448976 / KG ZA 26-302
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering nakoming zorgregeling door moeder. De man heeft volgens de BRP-gegevens geen woonadres in Nederland. Man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een adres heeft waar hij feitelijk verblijft.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.973 tekens)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Team Familie- en Jeugdrecht



Zittingsplaats: Breda



Zaaknummer: C/02/448976 / KG ZA 26-302




Vonnis in kort geding van 9 juli 2026




in de zaak van





[de man]
,
volgens eigen zeggen wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. I.P.M.J. Nelemans te Tilburg,



en





[de vrouw]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in dit arrondissement,
gedaagde, hierna te noemen: de vrouw.





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 juni 2026 met producties;
- de akte eis van vermeerdering van 24 juni 2026.



1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting van 25 juni 2026 met gesloten deuren behandeld. Bij die gelegenheid is verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat en mr. M. van der Zee, advocaatstagiaire.


Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.



De vrouw is niet verschenen.




1.3.
De voorzieningenrechter heeft de hierna te noemen [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.



1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, hierna: [minderjarige 1] .



2.3.
De man heeft [minderjarige 1] erkend. Hij staat ingeschreven op het adres van de vrouw in dit arrondissement.



2.4.
Bij vonnis van de rechtbank eerste aanleg in Antwerpen, afdeling Turnhout, (hierna rechtbank Antwerpen) van 20 april 2023, is, voor zover in deze van belang:
- bepaald dat het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] verder gezamenlijk door beide ouders wordt uitgeoefend;
- voor recht verklaard dat er een verbod is voor de vrouw om met [minderjarige 1] zonder voorafgaande toestemming van de man naar het buitenland te reizen;
- bepaald dat de man en [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende een weekend per veertien dagen in de even weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij [minderjarige 1] wordt gehaald door de ouder bij wij hij de daaropvolgende periode zal verblijven.



2.5.
De man heeft de Ghanese nationaliteit, de vrouw en [minderjarige 1] hebben (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit.





3De vorderingen


3.1.

De man vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw veroordeelt tot nakoming van de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige 1] eens per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur in de even weken, waarbij de ouder waar [minderjarige 1] zal gaan verblijven, hem ophaalt bij de andere ouder, binnen twee weken na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.500,= per weekend dat de vrouw deze regeling niet nakomt, met een maximum van € 15.000,=, te verbeuren door de man;
II. de vrouw veroordeelt in de kosten van dit kort geding.




3.2.

Bij akte van vermeerdering van eis vordert de man tevens dat de voorzieningenrechter:
III. het uitreisverbod voor [minderjarige 1] zoals opgenomen in voormeld vonnis van de rechtbank Antwerpen van 20 april 2023 bekrachtigt op straffe van een dwangsom van € 1.500,= per weekend dat de vrouw deze regeling niet nakomt, met een maximum van € 15.000,= te verbeuren door de man;
IV. het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] , zoals uitgesproken door de rechtbank Antwerpen bij voormeld vonnis van 20 april 2023, bekrachtigt.




3.3.
Ter toelichting op zijn vorderingen I. en II. heeft de man, samengevat, het volgende aangevoerd. Partijen hebben met elkaar samengewoond in Ghana. In 2019 is de vrouw met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , haar zoon uit een eerdere relatie, naar Nederland verhuisd. Uiteindelijk heeft de man zich in [woonplaats] gevestigd en heeft hij een verblijfsvergunning voor verblijf bij [minderjarige 1] gekregen. Bij beschikking van deze rechtbank van 3 december 2021 is de man vervangende toestemming verleend voor erkenning van [minderjarige 1] en is een omgangsregeling tussen hen vastgesteld. Het verzoek van de man om het gezamenlijk gezag te verkrijgen is in die beschikking afgewezen. Tijdens de omgangsmomenten met [minderjarige 1] kwam ook [minderjarige 2] vaak mee naar de man. Eind 2022 is de vrouw zonder overleg met en medeweten van de man verhuisd naar België. De man heeft [minderjarige 1] toen maanden niet kunnen zien, omdat de vrouw alle contact afhield. Uiteindelijk is de man een procedure gestart in België. Bij voormeld vonnis van de rechtbank Antwerpen is een zorgregeling vastgesteld tussen de man en [minderjarige 1] . De man heeft daarbij ook het gezamenlijk gezag gekregen. In mei 2025 is de vrouw opnieuw verhuisd, naar [woonplaats] , zonder de man daarvan in kennis te stellen. Sinds dat moment is weer uitvoering gegeven aan de zorgregeling, waarbij [minderjarige 1] , en vaak ook [minderjarige 2] , om het weekend bij de man verbleef van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur. In maart 2026 heeft de vrouw wederom eenzijdig het contact tussen de man en [minderjarige 1] gestopt. Ondanks verzoeken vanuit de man om het contact te hervatten weigert de vrouw uitvoering te geven aan de regeling zoals vastgesteld door de rechtbank Antwerpen. Naast nakoming van de zorgregeling vordert de man de vrouw in de proceskosten te veroordelen. Door haar toedoen moet hij steeds een procedure starten om het contact te hervatten, waarvoor hij steeds een hoge eigen bijdrage moet betalen. De vrouw negeert de rechten van de man als vader, evenals zijn verzoeken, en handelt eigenhandig.



3.4.
Ter toelichting op zijn (vermeerderde) vorderingen III. en IV. stelt de man, samengevat, dat hij recent vernomen heeft dat de vrouw naar een onbekende bestemming in Afrika is gereisd voor een vakantie. Het is niet duidelijk of [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) zijn meegereisd en wanneer de vrouw terugkeert naar Nederland. De man verkeert in grote onzekerheid over het verblijf van [minderjarige 1] . Hij vreest dat de vrouw deze zomer wederom zonder overleg met of toestemming van hem met [minderjarige 1] naar Afrika reist. De man wil zijn toestemming voor een vakantie niet zomaar onthouden maar wil wel op de hoogte zijn van het welzijn van [minderjarige 1] , zijn verblijfplaats en de duur van de vakantie.



3.5.

Door en namens de man is tijdens de zitting aanvullend, samengevat, het volgende aangevoerd. De man heeft [minderjarige 1] op [geboortedag] 2026 voor het laatst gezien. Daarmee is de spoedeisendheid in deze zaak gegeven. Van de man kan niet worden verwacht dat hij een definitieve beslissing in een bodemprocedure afwacht. Kort na het schriftelijke verzoek aan de vrouw om het contact tussen de man en [minderjarige 1] te hervatten, is de vrouw naar Afrika vertrokken. Onbekend is waar de vrouw in Afrika verblijft en waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn. Drie jaar geleden is de vrouw na haar verhuizing naar België voor lange tijd naar Afrika vertrokken. De man vreest dat dit nu weer is gebeurd. Hij vermoedt dat de vrouw een partner in Gambia heeft, maar weet dit niet zeker.
De vrouw heeft geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Antwerpen. Op grond van artikel 30 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter), heeft de zorgregeling zoals vastgesteld in dat vonnis, automatisch rechtskracht in Nederland. Ingevolge artikel 34 Brussel II-ter is deze regeling ook in Nederland uitvoerbaar. De man wil de vastgestelde zorgregeling nakomen. Hij heeft ook een band met [minderjarige 2] , die weer contact met zijn adoptievader heeft. Dit proces wil de man niet verstoren, reden waarom hij [minderjarige 2] niet heeft meegenomen in zijn vordering tot nakoming van de zorgregeling. Wanneer [minderjarige 2] mee wil komen vindt de man dat erg fijn. Op de vorderingen is Nederlands recht van toepassing omdat [minderjarige 1] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De man meent dat het door de rechtbank Antwerpen aan de vrouw opgelegde reisverbod is gekoppeld aan [minderjarige 1] , ook ziet op het buitenland en is gegeven om te voorkomen dat hij [minderjarige 1] opnieuw jarenlang niet ziet. Nu de vrouw en [minderjarige 1] in Nederland verblijven dient het reisverbod aldus worden geïnterpreteerd dat het betrekking heeft op een uitreisverbod vanuit Nederland.









4De beoordeling



Rechtsmacht en toepasselijk recht



4.1.
Aangezien [minderjarige 1] zijn gewone verblijfplaats heeft gehad in het buitenland (Ghana en België) en de man de Ghanese nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Gelet op deze internationale aspecten dient de voorzieningenrechter eerst vast te stellen of hij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de man.



4.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter is de Nederlandse rechter bevoegd de vorderingen van de man te beoordelen, nu [minderjarige 1] op het moment van de indiening van deze vorderingen zijn gewone verblijfplaats had in Nederland. Op grond van artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de voorzieningenrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, relatief bevoegd nu het verzoek een minderjarige betreft die woonplaats heeft in het rechtsgebied van deze rechtbank.



4.3.
Het toepasselijk recht dient te worden vastgesteld aan de hand van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299, oftewel het Haag Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Op grond van artikel 17 HKBV 1996 wordt het Nederlands recht toegepast op de vorderingen.



4.4.
Alvorens de vorderingen van de man inhoudelijk te kunnen behandelen, dient allereerst te worden vastgesteld wie op het moment van indiening van die vorderingen met het gezag was belast.



4.5.

[minderjarige 1] is geboren in Nederland. Nadien, in 2022, is de vrouw met [minderjarige 1] verhuisd naar België. Bij voormeld vonnis van de rechtbank Antwerpen van 20 april 2023 is de man gezamenlijk met de vrouw belast met het gezag over [minderjarige 1] en is een zorgregeling vastgesteld tussen de man en [minderjarige 1] . Daarna, in 2025, is de vrouw met [minderjarige 1] terugverhuisd naar Nederland. Sindsdien woont de vrouw met [minderjarige 1] , weer, in Nederland. Ten tijde van de dagvaarding van de vrouw waren zij en [minderjarige 1] volgens de gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op een bij de rechtbank bekend adres binnen het rechtsgebied de rechtbank Zeeland-West-Brabant.



4.6.
Nu de man door de Belgische rechter mede met de vrouw is belast met het gezag over [minderjarige 1] , blijft er op grond van artikel 16 lid 3 HKBV 1996 sprake van gezamenlijk gezag. Het op grond van het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere Staat. Ook geldt de door de Belgische rechter vastgestelde zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] , zoals hiervoor onder 2.4. is opgenomen.



Inhoudelijke beoordeling





4.7.


Verstek

Bij aanvang van de zitting heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat de vrouw niet is verschenen. De dagvaarding is betekend op 17 juni 2026 aan de moeder van de vrouw, tevens haar huisgenote, op het bij de rechtbank bekende adres waar de vrouw volgens de gegevens uit de BRP woont. Gelet op het voorgaande stelt de voorzieningenrechter vast dat ten aanzien van de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen. Tegen de vrouw is ter zitting verstek verleend. In dit kader is tevens, volledigheidshalve ook het volgende van belang. De advocaat van de man heeft ter zitting verklaard dat de vader van de vrouw telefonisch bij haar heeft aangegeven dat hij de dagvaarding, na betekening op het BP-adres, ook via een e-mail aan de vrouw heeft doorgestuurd. Daarbij heeft de vader van de vrouw ook verteld dat de vrouw op dat moment in Afrika zou verblijven, maar heeft daarbij niet aangegeven in welk land dat verblijf zou zijn. Daarbij is niet verteld dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden zijn meegegaan naar Afrika.




4.8.

Akte eis van vermeerdering



Desgevraagd heeft de advocaat van de man aangegeven dat die akte niet door tussenkomst van een deurwaarder aan de vrouw is betekend op haar BRP-adres. Wel is een afschrift daarvan naar de vader van de vrouw toegestuurd. Aldus is niet voldaan aan de voorgeschreven eisen van de betekening van een akte in kort geding. Gezien deze omstandigheid, en het feit dat de akte met datum 24 juni 2026 een dag voor de zitting is overgelegd, concludeert de voorzieningenrechter dat de vrouw niet (tijdig) heeft kunnen kennisnemen van die akte. De in de voormelde akte genoemde vorderingen zullen dan ook, mede vanwege het handelen in strijd met een goede procesorde, niet worden meegenomen in de beoordeling door de voorzieningenrechter. De man zal dan ook niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen III. en IV.




4.9.

Spoedeisend belang



Op grond van de ingediende stukken en de toelichting tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vorderingen, die wel worden beoordeeld, voldoende vast, nu aannemelijk is dat hij [minderjarige 1] inmiddels ruim drie maanden niet heeft gezien in het kader van de zorgregeling.




4.10.

Het standpunt en advies van de Raad



Van de zijde van de Raad is tijdens de zitting, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Er wordt, gelet op de geschetste omstandigheden, op dit moment geen aanleiding gezien om een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verzoeken. Er is nu teveel onduidelijkheid. Wellicht verblijft [minderjarige 1] nu met de vrouw in Afrika. In dat geval kan met een ondertoezichtstelling [minderjarige 1] niet worden teruggehaald naar Nederland. De man kan daartoe wel een verzoek tot terug geleiding indienen bij de Centrale Autoriteit. Het is gezien de situatie lastig om in deze te adviseren. De vastgestelde zorgregeling moet op zich wel worden nagekomen, maar de vrouw is niet ter zitting verschenen en niet bekend is waar zij en [minderjarige 1] op dit moment verblijven.




4.11.

Beoordeling vorderingen dagvaarding



De voorzieningenrechter stelt voorop dat een kind recht heeft op omgang met zijn beide ouders. Dit recht is tot uiting gebracht in de zorgregeling, zoals die ten behoeve van de man en [minderjarige 1] is vastgesteld in het voornoemde vonnis van de rechtbank Antwerpen. Er rust daarnaast een wettelijke verplichting op ouders, bij het uitvoering geven van het ouderlijk gezag, om een vastgestelde zorgregeling na te komen (artikel 1:247 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze verplichting geldt ook voor de vrouw, die in deze als hoofdopvoeder van [minderjarige 1] dient te worden aangemerkt. In artikel 1:247 lid 1 BW is opgenomen dat gezagdragende ouders eveneens het recht en de plicht hebben om hun minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding wordt onder andere verstaan het bieden van onderdak. Nu de man nakoming van de zorgregeling vordert is het bieden van onderdak door hem aan [minderjarige 1] een essentieel vereiste. Immers, die zorgregeling houdt onder meer in een verblijf van [minderjarige 1] bij de man van eens per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur. De voorzieningenrechter heeft ter zitting vastgesteld dat de man in Nederland niet in de BRP-registers van de gemeente Tilburg is ingeschreven, nu uit de beschikbare gemeentelijke informatie is gebleken dat zijn inschrijving in deze gemeente per 25 augustus 2025 is opgeschort vanwege emigratie. Dit betekent dat man vanaf 25 augustus 2025 niet, dus ook niet op de dag van betekening van de dagvaarding aan de vrouw, in Nederland over een bij een gemeente geregistreerd adres van verblijf beschikt. De man heeft als zijn reactie, samengevat, aangegeven dat hij eerder op een adres in [woonplaats] heeft gewoond en dat hij sinds 1 juni 2026 woonachtig is op het [adres] in [woonplaats] . Hij wilde de adreswijziging bij de gemeente doorgeven maar daar is de nodige verwarring ontstaan over het aanleveren van stukken. Hij wist niet dat de adreswijziging niet in de BRP is verwerkt. Volgens de man kan het contact met [minderjarige 1] wel plaatsvinden op het [adres] in [woonplaats] .



De voorzieningenrechter kan echter op geen enkele wijze verifiëren of het aannemelijk is dat de man inderdaad feitelijk op het door hem opgegeven adres in de gemeente [woonplaats] verblijft. Door hem zijn geen concrete feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit dat zou moeten blijken. De voorzieningenrechter ziet zich dan ook gehouden om uit te gaan van de actuele concrete BRP-gegevens. Hieruit volgt dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in staat is om de zorgregeling na te komen door [minderjarige 1] de gewenste twee overnachtingen van eens per twee weken te bieden. Evenmin heeft de man aannemelijk gemaakt dat hij op een ander verifieerbaar adres in Nederland (of in België) met [minderjarige 1] zou kunnen verblijven. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat hij weet op welk adres hij bij de man zal verblijven. Het is ook van belang dat de vrouw weet op welk adres [minderjarige 1] verblijft als hij bij de man is. De man is daarmee niet in staat om de vastgestelde zorgregeling na te komen, althans niet op een wijze die in het belang van [minderjarige 1] is. Met een toewijzing van nakoming van de zorgregeling is het belang van [minderjarige 1] op dit moment dan ook niet gediend. De vordering van de man onder I. zal de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, dan ook afwijzen.




4.12.

Proceskostenveroordeling



De voorzieningenrechter ziet in deze procedure, die betrekking heeft op een familierechtelijk geschil, geen aanleiding tot een veroordeling van de vrouw in de proceskosten. Er wordt geen aanleiding gezien om af te wijken van de hoofdregel om in dit soort geschillen de proceskosten tussen partijen te compenseren. De vordering van de man onder II. zal de voorzieningenrechter daarom eveneens afwijzen.




4.13.

Tot slot



De voorzieningenrechter merkt nog, wellicht ten overvloede, op dat hij de zorgen van de man over de onduidelijkheid van het huidige verblijf van [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) en de houding van de vrouw ten aanzien van het contact tussen de man en [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) begrijpt. Wanneer blijkt dat de vrouw met [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) in een land in Afrika, althans buiten Nederland, zou verblijven en zij niet binnen afzienbare tijd met hen zou terugkeren naar Nederland, dan kan de man zijn mogelijkheden verkennen om een verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige 1] bij de Centrale Autoriteit in te dienen, zoals ook namens de Raad is aangegeven. Daarmee samenhangend kan de man, samen met zijn advocaat, onderzoeken wat zijn opties zijn om te komen tot nakoming van de zorgregeling door zowel hem als de vrouw. Daarbij is het van belang dat de man in Nederland beschikt over een BRP-adres, of een ander adres waarvan aannemelijk is dat hij aldaar verblijft.






5De beslissing


De voorzieningenrechter:



5.1.
wijst de vorderingen van de man onder I. en II. af;



5.2.
verklaart de man niet ontvankelijk in zijn vorderingen onder III. en IV;



5.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. Toekoen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026, in tegenwoordigheid van Dekkers, griffier.