Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7395
2026-07-08
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/449235 / JE RK 26-1031
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.272 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449235 / JE RK 26-1031
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
bijgestaan door mr. M. Czarnota uit Oosterhout,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 2 juni 2026, ontvangen op 11 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
een vertegenwoordiger van de GI;
de vader;
- de moeder met haar advocaat.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij beschikking van 25 juli 2024 onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 24 juli 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 25 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de GI
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. De afgelopen periode zijn er positieve stappen gezet in het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er is om de week op vrijdagochtend twee uur begeleid contact. Het contact verloopt overwegend goed, maar er is nog ruimte om te groeien. Zo is er bijna twee maanden geen contact geweest, omdat de vader een paar keer heeft afgezegd in verband met ziekte en vakantie. Voor kinderen van zo’n jonge leeftijd is dit een heel lange periode. De vader wil graag meer contact. [minderjarige 1] heeft bij de opbouw van het contact wat meer aandacht nodig dan [minderjarige 2] , vanwege zijn kind-eigenproblematiek. Het is daarom belangrijk dat het contact zorgvuldig wordt opgebouwd. [hulpverlening] begeleidt het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het contact zal vanaf de week na de zitting niet meer plaatsvinden op het kantoor van [hulpverlening] maar bij de vader thuis. [hulpverlening] is ook betrokken in verband met de oudercommunicatie. De samenwerking tussen de ouders verloopt niet altijd goed en er is soms nog strijd. [hulpverlening] is gestart met een parallel solo ouderschapstraject en heeft aangegeven dat het traject in november zal stoppen. De GI is voornemens hierover met [hulpverlening] in gesprek te gaan. De ouders zijn er nog niet aan toe om het traject af te ronden.
5De standpunten van belanghebbenden
5.1.
Door en namens de moeder is verzocht het verzoek toe te wijzen. Samengevat is naar voren gebracht dat er nog steeds zorgen zijn. Het is, zeker vanwege de kind-eigenproblematiek van [minderjarige 1] , belangrijk dat sprake is van continuïteit in de contacten met de vader. De moeder vraagt de vader daarom de contactmomenten niet af te zeggen of te verplaatsen. Aan de oudercommunicatie moet nog gewerkt worden en de moeder is dan ook van mening dat het traject bij [hulpverlening] nog niet beëindigd kan worden.
5.2.
Door de vader is eveneens verzocht het verzoek toe te wijzen. Samengevat heeft hij naar voren gebracht dat de samenwerking met de GI en [hulpverlening] goed verloopt. De vader is blij dat het contact met de kinderen voortaan bij hem thuis kan plaatsvinden. De vader heeft aangegeven dat hem niet alleen kan worden verweten dat het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] enkele keren geen doorgang heeft gevonden, omdat het ook kwam doordat de omgangsbegeleider niet beschikbaar was.
6De beoordeling
Wettelijk kader
6.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.
6.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Hoewel er lange tijd geen contact is geweest tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zijn er in het afgelopen jaar positieve stappen gezet in het contactherstel. Het contact verloopt overwegend goed, maar er zijn wel zorgen over de continuïteit van de contacten en het is nog onduidelijk wat de mogelijkheden in het contact op de lange termijn zijn. De kinderrechter merkt op dat continuïteit, stabiliteit en voorspelbaarheid voor ieder kind belangrijk is, maar dat dit voor [minderjarige 1] -vanwege zijn kind-eigenproblematiek- des te belangrijker is. Van de vader wordt dan ook verwacht dat hij de contactmomenten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet afzegt of verplaatst.
6.4.
Daarnaast zijn er nog zorgen over de oudercommunicatie. De ouders zitten niet op één lijn en er is nog sprake van strijd. [hulpverlening] is betrokken en werkt met de ouders aan de oudercommunicatie, het contactherstel en de opbouw van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het lukt de ouders nog niet om zelfstandig, in het vrijwillig kader, de ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen weg te nemen. Gelet op de doelen waaraan nog moet worden gewerkt, is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar nog noodzakelijk is. Het niet weersproken verzoek van de GI zal dan ook worden toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 25 juli 2026 tot 25 juli 2027;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449235 / JE RK 26-1031
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
bijgestaan door mr. M. Czarnota uit Oosterhout,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 2 juni 2026, ontvangen op 11 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
een vertegenwoordiger van de GI;
de vader;
- de moeder met haar advocaat.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij beschikking van 25 juli 2024 onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 24 juli 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 25 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de GI
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. De afgelopen periode zijn er positieve stappen gezet in het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er is om de week op vrijdagochtend twee uur begeleid contact. Het contact verloopt overwegend goed, maar er is nog ruimte om te groeien. Zo is er bijna twee maanden geen contact geweest, omdat de vader een paar keer heeft afgezegd in verband met ziekte en vakantie. Voor kinderen van zo’n jonge leeftijd is dit een heel lange periode. De vader wil graag meer contact. [minderjarige 1] heeft bij de opbouw van het contact wat meer aandacht nodig dan [minderjarige 2] , vanwege zijn kind-eigenproblematiek. Het is daarom belangrijk dat het contact zorgvuldig wordt opgebouwd. [hulpverlening] begeleidt het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het contact zal vanaf de week na de zitting niet meer plaatsvinden op het kantoor van [hulpverlening] maar bij de vader thuis. [hulpverlening] is ook betrokken in verband met de oudercommunicatie. De samenwerking tussen de ouders verloopt niet altijd goed en er is soms nog strijd. [hulpverlening] is gestart met een parallel solo ouderschapstraject en heeft aangegeven dat het traject in november zal stoppen. De GI is voornemens hierover met [hulpverlening] in gesprek te gaan. De ouders zijn er nog niet aan toe om het traject af te ronden.
5De standpunten van belanghebbenden
5.1.
Door en namens de moeder is verzocht het verzoek toe te wijzen. Samengevat is naar voren gebracht dat er nog steeds zorgen zijn. Het is, zeker vanwege de kind-eigenproblematiek van [minderjarige 1] , belangrijk dat sprake is van continuïteit in de contacten met de vader. De moeder vraagt de vader daarom de contactmomenten niet af te zeggen of te verplaatsen. Aan de oudercommunicatie moet nog gewerkt worden en de moeder is dan ook van mening dat het traject bij [hulpverlening] nog niet beëindigd kan worden.
5.2.
Door de vader is eveneens verzocht het verzoek toe te wijzen. Samengevat heeft hij naar voren gebracht dat de samenwerking met de GI en [hulpverlening] goed verloopt. De vader is blij dat het contact met de kinderen voortaan bij hem thuis kan plaatsvinden. De vader heeft aangegeven dat hem niet alleen kan worden verweten dat het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] enkele keren geen doorgang heeft gevonden, omdat het ook kwam doordat de omgangsbegeleider niet beschikbaar was.
6De beoordeling
Wettelijk kader
6.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.
6.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Hoewel er lange tijd geen contact is geweest tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zijn er in het afgelopen jaar positieve stappen gezet in het contactherstel. Het contact verloopt overwegend goed, maar er zijn wel zorgen over de continuïteit van de contacten en het is nog onduidelijk wat de mogelijkheden in het contact op de lange termijn zijn. De kinderrechter merkt op dat continuïteit, stabiliteit en voorspelbaarheid voor ieder kind belangrijk is, maar dat dit voor [minderjarige 1] -vanwege zijn kind-eigenproblematiek- des te belangrijker is. Van de vader wordt dan ook verwacht dat hij de contactmomenten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet afzegt of verplaatst.
6.4.
Daarnaast zijn er nog zorgen over de oudercommunicatie. De ouders zitten niet op één lijn en er is nog sprake van strijd. [hulpverlening] is betrokken en werkt met de ouders aan de oudercommunicatie, het contactherstel en de opbouw van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het lukt de ouders nog niet om zelfstandig, in het vrijwillig kader, de ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen weg te nemen. Gelet op de doelen waaraan nog moet worden gewerkt, is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar nog noodzakelijk is. Het niet weersproken verzoek van de GI zal dan ook worden toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 25 juli 2026 tot 25 juli 2027;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.