Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7387
2026-07-08
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/435358/HA ZA 25-290
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdeling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (33.698 tekens)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
C/02/427901 / HA ZA 24-59130 april 2025
Team Familie-en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/435358/ HA ZA 25-290
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. M.M. van der Marel,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaten mrs. R.F. de Jong en Q.E.M. Verboven.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:-
- het tussenvonnis van 16 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de brief van mr. Van der Marel van 26 september 2025 met producties genummerd 20 tot en met 24;
- het B3 formulier van mr. De Jong van 16 februari 2025 met productie genummerd 11;
- de brief van mr. Van der Marel van 13 februari 2026 met producties genummerd 25 en 26;
- de akte vermeerdering van eis van mr. Van der Marel met producties genummerd 27 tot en met 29;
- het B3 formulier van mr. De Jong van 13 mei 2026 met productie 12;
- de pleitnota van mrs. De Jong en Verboven;
- het vonnis van 16 juli 2025.
1.2
De mondelinge behandeling is gehouden op 22 mei 2026. Daarbij zijn verschenen partijen en hun advocaten.
2De feiten
2.1
Tussen partijen staat het volgende vast:
- partijen hebben tot november 2024 een affectieve relatie met elkaar gehad;
- uit deze relatie is op [geboortedag] 2024 geboren de [minderjarige] ;
- bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 7 februari 2025 is de man onder meer veroordeeld tot afgifte van de in dat vonnis opgesomde goederen onder verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag;
- bij beschikking van deze rechtbank van 27 oktober 2025 is de teruggave gelast van de motorfiets met [kenteken 1] aan de vrouw.
3Het geschil
3.1
De vrouw vordert in conventie, nu, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen tot afgifte van de goederen - opgesomd onder punt 15 van de dagvaarding - binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag of dagdeel dat de man in gebreke blijft in de nakoming van het vonnis, tot een maximum van € 10.000,=, althans een dwangsom in goede justitie te bepalen;
II. de man te veroordelen tot afgifte van de fatbike type H9, de motor Harley Davidson met [kenteken 1] , babykameruitzet en kinderwagen en de als productie 14 overlegde lijst met goederen, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag of dagdeel dat de man in gebreke blijft in de nakoming van het vonnis, tot een maximum van € 10.000,=, althans een dwangsom in goede justitie te bepalen;
III. de caravan met kenteken [kenteken 2] aan de man toe te bedelen en de man te veroordelen om 3 dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de vrouw een bedrag van € 1.000,= uit hoofde van over- en onderbedeling;
IV. de man te veroordelen om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= aan verbeurde dwangsommen, althans een bedrag in goede justitie te bepalen;
V. de man te veroordelen om 3 dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk
bewijs van kwijting (terug) te betalen aan de vrouw een bedrag van € 11.200,= , althans een bedrag in goede justitie te bepalen, uit hoofde van de geldleningsovereenkomst(en);
VI. de man te veroordelen om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis een
schadevergoeding aan haar te betalen ter hoogte van € 1.019,51;
VII. de man te veroordelen tot het verlenen van zijn volledige medewerking aan het opheffen dan wel het overzetten van de en- of bankrekening met [rekeningnummer] op zijn naam, binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000.= per dag of dagdeel dat de man in gebreke blijft in de nakoming van het vonnis met een maximum van
€ 100.000,=, althans een dwangsom in een goede justitie te bepalen;
VIII. de man te veroordelen om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis tegen
behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de vrouw de wettelijke rente over de onder lV., V., en VI. gevorderde bedragen vanaf de datum van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
IX.. de man te veroordelen in de (na-)kosten van deze procedure.
3.2
De man vordert in reconventie, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de vrouw te veroordelen om binnen 7 dagen na dit vonnis al hetgene te doen dat
nodig is om het kentekenbewijs van de motor te doen overschrijven op naam van de man, op straffe van een dwangsom van € 250,= voor iedere dag dat de vrouw daarmee in gebreke blijft en indien het OM besluit om de motor in bezit te stellen van de vrouw, de vrouw te veroordelen om over te gaan tot afgifte van de motor aan de man binnen 7 dagen na dit vonnis, op straffe van een dwangsom van
€ 250,= voor iedere dag dat de vrouw daarmee in gebreke bljjft.
4De beoordeling in conventie en in reconventie
4.1
Deze zaak gaat over de resterende financiële afwikkeling van de samenleving van partijen. Ter beoordeling staan de vorderingen tot:
1- afgifte van goederen zoals bepaald in kort geding vonnis van 7 februari 2025 en
verbeurde dwangsommen (vorderingen I. en IV.);
2- afgifte van een motor (en overschrijving kentekenbewijs), fatbike, babykameruitzet, kinderwagen en de goederen zoals genoemd in productie 14 bij dagvaarding (vorderingen II. en 1.);
3- verdeling van de caravan; (vordering III.);
4- vaststelling van geldvorderingen (vorderingen V.);
5- schadevergoeding (vordering VI.);
6- opheffing van de en/of rekening; (vordering VII.).
Ad 1. vordering I. en IV. in conventie, afgifte goederen en verbeurde dwangsommen ad € 10.000,=
4.2
De rechtbank ziet aanleiding om de vorderingen genoemd onder I. en IV. in conventie gezamenlijk te behandelen. De vrouw legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. Bij vonnis in kort geding van 7 februari 2025 is de man veroordeeld tot afgifte van de in dat vonnis genoemde goederen. Een deel heeft zij ontvangen, maar zij mist nog steeds de onder punt 15. van de dagvaarding opgesomde goederen. Zij vordert nu afgifte daarvan door de man. Verder vordert zij € 10.000,= aan verbeurde dwangsommen naar aanleiding van het niet volledig nakomen van de veroordeling tot afgifte van de goederen zoals genoemd in het vonnis in het kort geding van 7 februari 2025.
4.3
De man stelt dat het merendeel van de spullen zoals opgesomd in het kort geding vonnis op 24 februari 2025 is opgehaald door vrienden van de vrouw. De rest van de spullen heeft de vrouw op 17 maart 2025 meegenomen. De vrouw heeft dus geen belang bij haar vordering onder I., aldus de man. Omdat hij heeft voldaan aan het kort geding vonnis zijn er geen dwangsommen verbeurd. Bovendien kan vrouw volgens de man in de bodemprocedure geen nakoming van de dwangsommen vorderen die bij vonnis in kort geding zijn opgelegd. Verder zijn de dwangsommen nooit opgeëist. Ook de vordering onder IV. dient volgens de man te worden afgewezen.
4.4
De rechtbank stelt voorop dat de vrouw al een executoriale titel heeft voor afgifte van de door haar aangegeven goederen, namelijk het kort geding vonnis van 7 februari 2025. Op basis van die titel kan ze executeren. Niet gesteld noch is gebleken van een belang van de vrouw bij nog een executoriale titel voor afgifte van de goederen waarvoor ze al een titel heeft. De vordering onder I. ligt daarom voor afwijzing gereed.
4.5
Voor wat betreft de vordering onder IV. stelt de vrouw dat de man niet alle goederen aan haar heeft afgegeven op basis van het vonnis van 7 februari 2025. Het maximum aan te verbeuren dwangsommen ter hoogte van € 10.000,= is daarmee bereikt.
De man betwist dat en stelt dat de vrouw over alle goederen beschikt. Dat onderbouwt hij met een video opname en licht hij toe door te stellen dat vrienden van de vrouw op 24 februari 2025 spullen hebben opgehaald en later, op 17 maart 2025, de resterende spullen. Hij betwist om die reden dat de dwangsommen zijn verbeurd.
4.6
De rechtbank overweegt met betrekking tot de gevorderde dwangsommen als volgt. De vrouw beschikt met het vonnis van 7 februari 2025 over een executoriale titel om dwangsommen te innen als vast komt te staan dat de man in strijd heeft gehandeld met de veroordeling die hem is opgelegd in voornoemd vonnis. Tussen partijen is in geschil of er dwangsommen zijn verbeurd. Ingeval van een executiegeschil als het onderhavige rust de stelplicht en bewijslast dat dwangsommen zijn verbeurd op de vrouw. De rechtbank overweegt dat de vrouw weliswaar heeft gesteld welke goederen niet zijn afgegeven, maar in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man heeft zij die stelling onvoldoende nader toegelicht en onderbouwd. Dit betekent dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan. De vordering onder IV. wordt om die reden afgewezen.
Ad 2 en 3, vordering II., III in conventie en 1. in reconventie,
de motor en afgifte kentekenbewijs,
de fatbike,
de babykameruitzet en kinderwagen,
e caravan,
de overige in productie 14 genoemde goederen,
4.7
De rechtbank stelt ten aanzien van deze vorderingen het volgende voorop. Vaststaat dat partijen hebben samengewoond zonder samenlevingsovereenkomst. Ook was er geen sprake van een geregistreerd partnerschap. De Nederlandse wet kent geen regeling die de juridische verhouding tussen samenwonende partners (zonder geregistreerd partnerschap en samenlevingsovereenkomst) regelt, zoals het huwelijksvermogensrecht dat voor echtgenoten en geregistreerde partners doet in Boek 1 BW. Dit brengt mee dat het enkele feit dat partners samenwonen geen vermogensrechtelijke gevolgen heeft. Er ontstaat geen gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW van de door partners ter samenleving aangebrachte zaken en zolang de relatie voortduurt, blijven hun vermogens gescheiden. Als de partners uiteengaan, vindt verdeling van vermogens in goederenrechtelijke zin alleen plaats als tussen partijen een gemeenschap is ontstaan, bijvoorbeeld doordat gemeenschappelijke goederen zijn verworven.
4.8
Voor de vraag wie eigenaar is, gelden voorts de hoofdregels van boek 3 en boek 5 BW. Uitgangspunt daarbij is de formele verkrijgingsleer: degene aan wie een goed is geleverd, is rechthebbende (artikel 3:84 BW). Een ander uitgangspunt is dat degene die een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden en daarmee bezitter van dat goed te zijn (artikel 3:109 BW). De bezitter van dat goed wordt vermoed rechthebbend te zijn (artikel 3:119 BW). Dit vermoeden kan door de partij zijnde niet de houder worden weerlegd door aan te tonen dat er bij de andere partij slechts sprake is van houderschap voor een ander.
4.9
Bij de onderdelen van de vorderingen II. en 1. is steeds de vraag of de goederen eigendom zijn van de man of de vrouw dan wel van partijen gemeenschappelijk.
Ad a. De motor Harley Davidson met [kenteken 1] met de daarbij behorende sleutels
4.10
De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie in 2025 de motor op verzoek van de vrouw in beslag heeft genomen bij de man. Daarop hebben beide partijen een klaagschrift ingediend. Bij beschikking van 27 oktober 2025 is het klaagschrift van de vrouw gegrond verklaard en is de teruggave van de motor aan de vrouw gelast. De vrouw is nu feitelijk in het bezit van de motor. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij om die reden niet langer belang heeft bij haar vordering tot afgifte van de motor door de man.
4.11
Ter beoordeling staat de vordering van de man tot afgifte van motor aan hem. De man stelt dat de motor door de vrouw aan hem is geschonken en voor de inbeslagname ook feitelijk in zijn bezit was. Daarmee wordt hij op grond van artikel 3:119 BW vermoed eigenaar te zijn. Het verweer van de vrouw dat zij eigenaar is omdat de factuur en de tenaamstelling op haar naam staan gaat volgens de man niet op omdat dit voor het bepalen van de eigendom niet doorslaggevend is. Uitsluitend om verzekeringstechnische redenen is de motor op naam van de vrouw gezet. Bovendien heeft de vrouw niet eens een motorrijbewijs, aldus de man
4.12
De vrouw betwist dat de motor een verjaardagscadeau voor de man was. Zij heeft
de motor gekocht en betaald. Het kenteken staat op haar naam. De motor is enkel mede
ter beschikking gesteld van de man. Zij heeft de motor gekocht met het doel om haar
motorrijbewijs te halen. Zij betwist dat de man bezitter is geweest. Toen zij de gezamenlijke
bewoonde woning noodgedwongen heeft verlaten kon zij niet anders dan de motor
achterlaten. Zij heeft direct daarna om afgifte van de motor gevorderd.
4.13
Nu de man afgifte vordert van zijn vermeende eigendom ligt de stelplicht en bewijslast bij hem. De man beroept zich in dit verband enerzijds op artikel 3:119 BW (rechtsvermoeden) en anderzijds op artikel 7:175 BW (schenking).
4.14
Voor wat betreft zijn beroep op 3:119 BW stelt de man dat hij voor de inbeslagname de laatste feitelijke bezitter van de motor was en daarmee op grond van artikel 3:119 BW wordt vermoed rechthebbende te zijn. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de man op dit rechtsvermoeden hem niet baat. Immers het enkele feit dat de relatie is geëindigd en een van de partners (in dit geval de vrouw) de woning verlaat en daarmee niet langer de feitelijke macht uitoefent over de spullen in de woning brengt niet mee dat de partner afstand doet van het bezit van zijn spullen.
4.15
De man beroept zich er verder op dat de motor door de vrouw aan hem is geschonken. Uit artikel 7:175 BW volgt dat schenking een overeenkomst om niet is die er toe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt. Het beroep op schenking veronderstelt dat eerst de vrouw eigenaar van de motor was en dat zij vervolgens de motor aan de man heeft geschonken. Schenking is een overeenkomst en komt daarom tot stand door aanbod en aanvaarding. Omdat de man zich bij zijn vordering op een schenkingsovereenkomst beroept en daaraan rechtsgevolgen verbindt, ligt het op de weg van de man om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, waaruit volgt dat de motor door de vrouw aan hem is geschonken.
4.16
De rechtbank is van oordeel dat de enkele stelling van de man, dat de motor een verjaardagscadeau was aan hem, in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende is. Het door de man als productie 6 overgelegde Whatsapp bericht van 23 september 2023 dat luidt “Super, echt een dikke motor mooi verjaardagscadeau” maakt het voorgaande niet anders. Het feit dat de verzender van het bericht kennelijk of mogelijk heeft verondersteld dat sprake was van een schenking aan de man legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw. Bovendien kan uit het bericht niet worden afgeleid dat het om een verjaardagscadeau van de vrouw aan de man zou gaan en evenmin dat het ziet op de onderhavige motor. Uit de stukken en wat is besproken op zitting blijkt niet dat de vrouw heeft bedoeld de motor aan de man te schenken, in die zin dat zij heeft aangeboden dat de eigendom daarvan op de man zou overgaan en dat dit aanbod door man is aanvaard. Daarbij komt dat het kentekenbewijs op naam van de vrouw is blijven staan. Indien er sprake was van een schenking had het voor de hand gelegen dat het kentekenbewijs op naam van de man was gezet. Een verklaring waarom dat niet is gebeurd, heeft de man niet kunnen geven.
4.17
Gelet op het voorgaande heeft de man niet voldaan aan zijn stelplicht en is niet komen vast te staan dat er tussen partijen een schenkingsovereenkomst tot stand is gekomen.
Het had in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw op de weg van de man gelegen meer invulling te geven aan feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat de vrouw de motor aan hem heeft geschonken. Nu hij dat heeft nagelaten wordt zijn vordering onder 1. afgewezen.
Ad b. De fatbike
4.18
De vrouw vordert afgifte door de man van de fatbike. Zij heeft deze op 8 april 2024
gekocht voor de verjaardag van haar oudste dochter. Weliswaar is de factuur gesteld op
naam van [bedrijf] maar de fatbike is geleverd aan haar, aldus de vrouw.
4.19
De man betwist dat de fatbike is gekocht voor de verjaardag van de dochter van de vrouw. De fatbike was voor gezamenlijk gebruik en is eigendom van [bedrijf] .
4.20
De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de vrouw afgifte vordert van haar gestelde eigendom ligt de stelplicht en bewijslast bij haar. Uit de stukken (productie 6 bij dagvaarding) blijkt dat de vrouw de betaling voor de fatbike heeft verricht. Daarbij heeft de vrouw toegelicht dat de fatbike aan haar is geleverd en dat de factuur enkele vanwege fiscale redenen op [bedrijf] is gesteld namelijk omdat [bedrijf] zo de over de fatbike verschuldigde BTW kon ontvangen. Daarmee heef de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat de fatbike eigendom is van haar. De enkele stelling die de man hiertegen over stelt, volstaat niet gelet op de gemotiveerde en specifieke toelichting die door de vrouw is gegeven. Dit betekent dat de man gehouden is de fatbike aan de vrouw af te geven. De rechtbank zal beslissen als na te melden waarbij de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.
Ad c. De babykameruitzet en kinderwagen
4.21
De vrouw vordert afgifte door de man van de babykameruitzet en de kinderwagen.
Zij stelt zich op het standpunt dat deze goederen haar eigendom zijn, althans gemeenschappelijke eigendom. Daarnaast voert de vrouw aan dat zij de uitzet nodig heeft omdat zij de volledige zorg voor [minderjarige] draagt.
4.22
Volgens de man zijn de uitzet en de kinderwagen zijn eigendom. Hij heeft deze betaald en de spullen zijn aan hem geleverd.
4.23
De rechtbank overweegt dat op grond van de stukken en wat is besproken op zitting voldoende vast is komen te staan dat partijen samen naar [opvang] in [plaats] zijn gegaan, dat zij daar samen de in de orderbevestiging (productie 20) genoemde goederen hebben besteld en dat deze op enig moment daarna op het adres van de woning waar partijen toen woonden zijn afgeleverd. Hieruit volgt volgens artikel 3:84 BW, ondanks dat de orderbevestiging op naam van de vrouw staat en de man stelt dat hij het volledige aankoopbedrag heeft voldaan, dat de goederen geacht moeten worden gemeenschappelijk te zijn verworven. De kinderwagen is eveneens gemeenschappelijk eigendom nu de man ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zijn moeder deze aan hen samen heeft gegeven.
4.24
De rechtbank stelt vast dat beide partijen toedeling van de babykameruitzet en de kinderwagen wensen. Gelet op het gegeven dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw en daar ook feitelijk verblijft ziet de rechtbank aanleiding de uitzet en kinderwagen toe te delen aan de vrouw. De man dient de goederen aan haar af te geven. De vordering zal als na te melden worden toegewezen waarbij de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.
4.25
Tegen de stelling van de vrouw dat er gelet op de aard van de goederen geen sprake dient te zijn van een overbedelingsvergoeding heeft de man heeft geen verweer gevoerd zodat de vrouw in haar stelling wordt gevolgd.
Ad d. De caravan
4.26
De vrouw stelt dat partijen de caravan in mei 2024 voor € 2.000,= samen hebben gekocht. De caravan is betaald van de gemeenschappelijke rekening. De vrouw verzoekt om de caravan voor dat bedrag toe te delen aan de man onder gehoudenheid voor de man om aan haar te voldoen € 1.000,=.
4.27
De man betwist dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de caravan. De caravan was oorspronkelijk eigendom van zijn vader. De man heeft de caravan vanwege de emotionele waarde daarvan teruggekocht van de heer [persoon] voor € 2.000,=. De caravan stond in Spanje en daar heeft hij de caravan opgehaald. Hij is niet gehouden om enig bedrag aan de vrouw te voldoen, aldus de man.
4.28
De stelplicht en bewijslast van de stelling dat de caravan gemeenschappelijk is rust op de vrouw, omdat zij zich beroept op het rechtsgevolg hiervan, namelijk op verdeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man niet aan haar stelplicht voldaan. Zij heeft immers alleen gesteld dat de caravan van gezamenlijk geld is betaald. De man heeft dat betwist. De vrouw heeft echter niet betwist dat de caravan in Spanje aan de man is geleverd. Gelet hierop gaat de rechtbank er op grond van artikel 3:84 BW vanuit dat de man eigenaar is geworden. Dat sprake is van een geldige titel en van beschikkingsbevoegdheid bij verkoper [persoon] staat niet ter discussie. De vordering van de vrouw wordt in zoverre afgewezen.
Ad e. De overige in productie 14 genoemde goederen
4.29
De vrouw vordert voorts afgifte door de man van de overige goederen die staan vermeld op productie 14 bij dagvaarding. De vrouw stelt dat deze goederen haar eigendom zijn. Zij heeft deze meegenomen uit haar vorige woning toen zij bij de man introk. Zij heeft deze goederen bij haar vertrek uit de woning moeten achter laten. De vrouw verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar facturen (productie 15) en foto’s (productie 16). De man betwist dat hij de betreffende goederen heeft, dan wel heeft gehad.
4.30
Uitgangspunt is dat de partij die zich op de rechtsgevolgen van de door hem/haar gestelde feiten beroept, in dit geval de vrouw, de bewijslast daarvan draagt. De enkele stelling van de vrouw dat zij de goederen opgesomd in productie 14 bij haar vertrek uit de woning daar heeft achtergelaten, en dat de man ze dus nog heeft, acht de rechtbank onvoldoende. Het had op de weg van de vrouw gelegen om een en ander deugdelijk te stellen en tegenover de gemotiveerde betwisting door de man te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. Uit de overgelegde facturen en foto’s kan niet worden afgeleid dat de betreffende goederen zich nog in de woning bevinden. Daarmee heeft de vrouw niet aan haar stelplicht voldaan. Nu niet is komen vast te staan dat de man de feitelijke macht (nog) heeft over de overige op productie 14 genoemde goederen, kan hij ook niet tot afgifte daarvan worden gedwongen. Dat deel van de vordering wordt afgewezen.
Ad 4. vorderingen V. en VI. in conventie, geldvorderingen
4.31
De vrouw vordert dat de man veroordeeld wordt tot betaling van € 11.200,= uit hoofde van 2 geldleningen. Volgens de vrouw heeft zij € 10.000,= aan de man geleend voor de voldoening van achterstallige stallingskosten van zijn paarden. Voor de betaling van dit bedrag was beslag gelegd. Zij heeft dit bedrag namens de man rechtstreeks aan de schuldeiser voldaan. Partijen zijn overeengekomen dat de man haar zou terugbetalen als de echtscheiding tussen hem en zijn vorige partner zou zijn afgerond. Omdat die procedure in 2024 is afgerond is de lening nu opeisbaar. Daarnaast heeft zij € 1.200,= aan de man geleend. Ondanks mondelinge verzoeken heeft de man nog niet terugbetaald, een en ander aldus nog steeds de vrouw.
4.32
De man betwist dat hij € 10.000,= heeft geleend van de vrouw. Er was beslag gelegd op de paarden. Hij wilde de achterstallige kosten contant betalen, maar dit kon alleen per bank. Er is toen afgesproken dat de vrouw € 10.000,= zou betalen van haar bankrekening, welk bedrag direct door hem aan de vrouw is terugbetaald. Van een geldlening of een voorgeschoten bedrag is geen sprake. Ook de € 1.200,= is geen lening, aldus de man.
4.33
De rechtbank stelt vast dat vrouw zich beroept op het bestaan van twee geldleningsovereenkomsten met de man. Een geldlening is een overeenkomst waarbij de uitlener zich verbindt om aan de lener een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen (zie artikel 7:129 Burgerlijk Wetboek). Beide partijen nemen dus een verplichting op zich.
4.34
De rechtbank stelt voorop dat op de vrouw de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van de gestelde overeenkomsten. Daaraan heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Over de gestelde leningen is niets op papier is gezet. Wel zijn als productie 18 en 19 bankafschriften overgelegd waarop de overboeking van de vermelde bedragen zijn te zien. De stellingen van partijen over of en wat zij in dat verband hebben afgesproken staan echter lijnrecht tegenover elkaar, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat er sprake is van leningen. Voor zover uit de stellingen van de vrouw al zou kunnen worden afgeleid dat het haar bedoeling was om het geld uit te lenen, kan daaruit niet worden afgeleid dat de man de verplichting om het geld terug te betalen, heeft aanvaard. Dat is voor de vaststelling van het bestaan van een geldleningsovereenkomst wel noodzakelijk.
De enkele toevoeging door de vrouw van het woord “lening” op de overschrijving van € 1.200.= maakt het voorgaande niet anders. De slotsom is dat niet is komen vast te staan dat tussen de man en de vrouw de door de vrouw gestelde overeenkomsten van geldlening tot stand zijn gekomen. De vorderingen tot nakoming daarvan zullen daarom worden afgewezen.
Ad 5. vordering VI. in conventie, schadevergoedingsvordering
4.35
De vrouw vordert betaling van € 1.019,51 en legt daaraan het volgende ten
grondslag. Nadat de motor Harley Davidson met [kenteken 1] in haar bezit is
gekomen was deze nog niet te gebruiken omdat de man 2 reservesleutels en een
alarmdruppel in zijn bezit had en deze niet wilde afgeven. Daarmee heeft hij onrechtmatig
gehandeld. Om de motor gebruiksklaar te maken heeft zij kosten moeten maken ter hoogte
van € 1.019.51. Dit bedrag vordert zij van de man als schadevergoeding.
4.36
De man betwist dat hij gehouden is tot betaling van schadevergoeding. Ten eerste ontbreekt een grondslag voor de vordering omdat ten tijde van het instellen daarvan de eigendomsverhouding van de motor nog niet was vastgesteld. Ten tweede betwist hij dat hij de sleutels en alarmdruppel in zijn bezit had. Voor zover hij deze spullen zou hebben was hij niet gehouden tot afgifte omdat de beschikking van 27 oktober 2025 uitsluitend ziet op afgifte van de motor. Tot slot betwist hij dat sprake is van causaal verband. Als hij in bezit zou zijn geweest van de reservesleutels en de alarmdruppel, dan maakt dat niet dat de motor niet zou kunnen worden gebruikt.
4.37
De rechtbank overweegt dat nu de man gemotiveerd heeft betwist dat hij over de reservesleutels en alarmdruppel beschikt, de vordering voor afwijzing gereed ligt. Niet is immers komen vast te staan dat hij over die zaken beschikt zodat ook geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen door te weigeren deze af te geven. De vordering van de vrouw wordt afgewezen.
Ad 6. vordering VII. in conventie, de opheffing van de en/of rekening
4.38
De vrouw vordert de medewerking van de man aan opheffing van de en/of rekening met [rekeningnummer] . Na het uiteengaan heeft de man een creditcard op naam van deze rekening aangevraagd. De vrouw wenst niet aansprakelijk te zijn voor creditcardschulden. De man weigert echter medewerking aan het opheffen van de rekening, dan wel aan het op zijn naam laten zetten van de rekening.
4.39
De man stelt dat hij belang heeft bij het aanhouden van deze rekening in verband
met een procedure die de vrouw heeft aangespannen tegen zijn B.V.. Aan de hand van
diverse transacties op deze rekening kan hij mogelijk bewijs leveren, aldus de man.
4.40
De rechtbank begrijpt dat de vrouw zich erop beroept dat de man misbruik van
recht maakt en onrechtmatig handelt door zijn toestemming te onthouden aan opheffing van
de en/of rekening. Als reden voor het weigeren van medewerking noemt de man dat de
rekening moet worden voortgezet in verband met eventuele bewijslevering, maar dat vormt
naar het oordeel van de rechtbank geen rechtens te respecteren belang. Partijen zijn bijna 2
jaar uit elkaar zodat de man alle gelegenheid heeft gehad om transacties op de rekening te
kopiëren en op te slaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een financiële
ontvlechting tussen partijen nu eenmaal samenhangt met het verbreken van de relatie.
Verder heeft de man niets concreets gesteld waaruit kan worden afgeleid dat hij in zijn
belangen wordt geschaad als de rekening wordt opgeheven. Dat de vrouw daar belang bij
heeft is daarentegen duidelijk omdat zij bij handhaving van de rekening nog steeds
hoofdelijk aansprakelijk blijft voor een eventueel (aanvulling van) negatief saldo nog
daargelaten dat van haar niet gevergd hoeft te worden dat de rekening 2 jaar na het
uiteengaan blijft bestaan. De man heeft nog betwist dat zijn medewerking voor
het opheffen van de rekening nodig is maar naar het oordeel van de rechtbank valt op
voorhand niet uit te sluiten dat de man zijn medewerking wel dient te verlenen. De
vordering van de vrouw zal dan ook worden toegewezen als na te melden.
Proceskosten
4.41
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank,
in conventie en in reconventie:
5.1
veroordeelt de man om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis de fatbike type H9, de babykameruitzet en de kinderwagen aan de vrouw ter hand te stellen, op straffe van een dwangsom van € 100,= voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,=;
5.2
veroordeelt de man, daar waar zijn medewerking is vereist, tot het verlenen van
zijn volledige medewerking aan het opheffen van de en- of bankrekening met [rekeningnummer] , dan wel het overzetten daarvan op zijn naam, binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100.= per dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000,=;
5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.5
wijst af meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel en in aanwezigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
C/02/427901 / HA ZA 24-59130 april 2025
Team Familie-en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/435358/ HA ZA 25-290
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. M.M. van der Marel,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaten mrs. R.F. de Jong en Q.E.M. Verboven.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:-
- het tussenvonnis van 16 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de brief van mr. Van der Marel van 26 september 2025 met producties genummerd 20 tot en met 24;
- het B3 formulier van mr. De Jong van 16 februari 2025 met productie genummerd 11;
- de brief van mr. Van der Marel van 13 februari 2026 met producties genummerd 25 en 26;
- de akte vermeerdering van eis van mr. Van der Marel met producties genummerd 27 tot en met 29;
- het B3 formulier van mr. De Jong van 13 mei 2026 met productie 12;
- de pleitnota van mrs. De Jong en Verboven;
- het vonnis van 16 juli 2025.
1.2
De mondelinge behandeling is gehouden op 22 mei 2026. Daarbij zijn verschenen partijen en hun advocaten.
2De feiten
2.1
Tussen partijen staat het volgende vast:
- partijen hebben tot november 2024 een affectieve relatie met elkaar gehad;
- uit deze relatie is op [geboortedag] 2024 geboren de [minderjarige] ;
- bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 7 februari 2025 is de man onder meer veroordeeld tot afgifte van de in dat vonnis opgesomde goederen onder verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag;
- bij beschikking van deze rechtbank van 27 oktober 2025 is de teruggave gelast van de motorfiets met [kenteken 1] aan de vrouw.
3Het geschil
3.1
De vrouw vordert in conventie, nu, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen tot afgifte van de goederen - opgesomd onder punt 15 van de dagvaarding - binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag of dagdeel dat de man in gebreke blijft in de nakoming van het vonnis, tot een maximum van € 10.000,=, althans een dwangsom in goede justitie te bepalen;
II. de man te veroordelen tot afgifte van de fatbike type H9, de motor Harley Davidson met [kenteken 1] , babykameruitzet en kinderwagen en de als productie 14 overlegde lijst met goederen, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag of dagdeel dat de man in gebreke blijft in de nakoming van het vonnis, tot een maximum van € 10.000,=, althans een dwangsom in goede justitie te bepalen;
III. de caravan met kenteken [kenteken 2] aan de man toe te bedelen en de man te veroordelen om 3 dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de vrouw een bedrag van € 1.000,= uit hoofde van over- en onderbedeling;
IV. de man te veroordelen om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= aan verbeurde dwangsommen, althans een bedrag in goede justitie te bepalen;
V. de man te veroordelen om 3 dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk
bewijs van kwijting (terug) te betalen aan de vrouw een bedrag van € 11.200,= , althans een bedrag in goede justitie te bepalen, uit hoofde van de geldleningsovereenkomst(en);
VI. de man te veroordelen om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis een
schadevergoeding aan haar te betalen ter hoogte van € 1.019,51;
VII. de man te veroordelen tot het verlenen van zijn volledige medewerking aan het opheffen dan wel het overzetten van de en- of bankrekening met [rekeningnummer] op zijn naam, binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000.= per dag of dagdeel dat de man in gebreke blijft in de nakoming van het vonnis met een maximum van
€ 100.000,=, althans een dwangsom in een goede justitie te bepalen;
VIII. de man te veroordelen om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis tegen
behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de vrouw de wettelijke rente over de onder lV., V., en VI. gevorderde bedragen vanaf de datum van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
IX.. de man te veroordelen in de (na-)kosten van deze procedure.
3.2
De man vordert in reconventie, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de vrouw te veroordelen om binnen 7 dagen na dit vonnis al hetgene te doen dat
nodig is om het kentekenbewijs van de motor te doen overschrijven op naam van de man, op straffe van een dwangsom van € 250,= voor iedere dag dat de vrouw daarmee in gebreke blijft en indien het OM besluit om de motor in bezit te stellen van de vrouw, de vrouw te veroordelen om over te gaan tot afgifte van de motor aan de man binnen 7 dagen na dit vonnis, op straffe van een dwangsom van
€ 250,= voor iedere dag dat de vrouw daarmee in gebreke bljjft.
4De beoordeling in conventie en in reconventie
4.1
Deze zaak gaat over de resterende financiële afwikkeling van de samenleving van partijen. Ter beoordeling staan de vorderingen tot:
1- afgifte van goederen zoals bepaald in kort geding vonnis van 7 februari 2025 en
verbeurde dwangsommen (vorderingen I. en IV.);
2- afgifte van een motor (en overschrijving kentekenbewijs), fatbike, babykameruitzet, kinderwagen en de goederen zoals genoemd in productie 14 bij dagvaarding (vorderingen II. en 1.);
3- verdeling van de caravan; (vordering III.);
4- vaststelling van geldvorderingen (vorderingen V.);
5- schadevergoeding (vordering VI.);
6- opheffing van de en/of rekening; (vordering VII.).
Ad 1. vordering I. en IV. in conventie, afgifte goederen en verbeurde dwangsommen ad € 10.000,=
4.2
De rechtbank ziet aanleiding om de vorderingen genoemd onder I. en IV. in conventie gezamenlijk te behandelen. De vrouw legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. Bij vonnis in kort geding van 7 februari 2025 is de man veroordeeld tot afgifte van de in dat vonnis genoemde goederen. Een deel heeft zij ontvangen, maar zij mist nog steeds de onder punt 15. van de dagvaarding opgesomde goederen. Zij vordert nu afgifte daarvan door de man. Verder vordert zij € 10.000,= aan verbeurde dwangsommen naar aanleiding van het niet volledig nakomen van de veroordeling tot afgifte van de goederen zoals genoemd in het vonnis in het kort geding van 7 februari 2025.
4.3
De man stelt dat het merendeel van de spullen zoals opgesomd in het kort geding vonnis op 24 februari 2025 is opgehaald door vrienden van de vrouw. De rest van de spullen heeft de vrouw op 17 maart 2025 meegenomen. De vrouw heeft dus geen belang bij haar vordering onder I., aldus de man. Omdat hij heeft voldaan aan het kort geding vonnis zijn er geen dwangsommen verbeurd. Bovendien kan vrouw volgens de man in de bodemprocedure geen nakoming van de dwangsommen vorderen die bij vonnis in kort geding zijn opgelegd. Verder zijn de dwangsommen nooit opgeëist. Ook de vordering onder IV. dient volgens de man te worden afgewezen.
4.4
De rechtbank stelt voorop dat de vrouw al een executoriale titel heeft voor afgifte van de door haar aangegeven goederen, namelijk het kort geding vonnis van 7 februari 2025. Op basis van die titel kan ze executeren. Niet gesteld noch is gebleken van een belang van de vrouw bij nog een executoriale titel voor afgifte van de goederen waarvoor ze al een titel heeft. De vordering onder I. ligt daarom voor afwijzing gereed.
4.5
Voor wat betreft de vordering onder IV. stelt de vrouw dat de man niet alle goederen aan haar heeft afgegeven op basis van het vonnis van 7 februari 2025. Het maximum aan te verbeuren dwangsommen ter hoogte van € 10.000,= is daarmee bereikt.
De man betwist dat en stelt dat de vrouw over alle goederen beschikt. Dat onderbouwt hij met een video opname en licht hij toe door te stellen dat vrienden van de vrouw op 24 februari 2025 spullen hebben opgehaald en later, op 17 maart 2025, de resterende spullen. Hij betwist om die reden dat de dwangsommen zijn verbeurd.
4.6
De rechtbank overweegt met betrekking tot de gevorderde dwangsommen als volgt. De vrouw beschikt met het vonnis van 7 februari 2025 over een executoriale titel om dwangsommen te innen als vast komt te staan dat de man in strijd heeft gehandeld met de veroordeling die hem is opgelegd in voornoemd vonnis. Tussen partijen is in geschil of er dwangsommen zijn verbeurd. Ingeval van een executiegeschil als het onderhavige rust de stelplicht en bewijslast dat dwangsommen zijn verbeurd op de vrouw. De rechtbank overweegt dat de vrouw weliswaar heeft gesteld welke goederen niet zijn afgegeven, maar in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man heeft zij die stelling onvoldoende nader toegelicht en onderbouwd. Dit betekent dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan. De vordering onder IV. wordt om die reden afgewezen.
Ad 2 en 3, vordering II., III in conventie en 1. in reconventie,
de motor en afgifte kentekenbewijs,
de fatbike,
de babykameruitzet en kinderwagen,
e caravan,
de overige in productie 14 genoemde goederen,
4.7
De rechtbank stelt ten aanzien van deze vorderingen het volgende voorop. Vaststaat dat partijen hebben samengewoond zonder samenlevingsovereenkomst. Ook was er geen sprake van een geregistreerd partnerschap. De Nederlandse wet kent geen regeling die de juridische verhouding tussen samenwonende partners (zonder geregistreerd partnerschap en samenlevingsovereenkomst) regelt, zoals het huwelijksvermogensrecht dat voor echtgenoten en geregistreerde partners doet in Boek 1 BW. Dit brengt mee dat het enkele feit dat partners samenwonen geen vermogensrechtelijke gevolgen heeft. Er ontstaat geen gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW van de door partners ter samenleving aangebrachte zaken en zolang de relatie voortduurt, blijven hun vermogens gescheiden. Als de partners uiteengaan, vindt verdeling van vermogens in goederenrechtelijke zin alleen plaats als tussen partijen een gemeenschap is ontstaan, bijvoorbeeld doordat gemeenschappelijke goederen zijn verworven.
4.8
Voor de vraag wie eigenaar is, gelden voorts de hoofdregels van boek 3 en boek 5 BW. Uitgangspunt daarbij is de formele verkrijgingsleer: degene aan wie een goed is geleverd, is rechthebbende (artikel 3:84 BW). Een ander uitgangspunt is dat degene die een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden en daarmee bezitter van dat goed te zijn (artikel 3:109 BW). De bezitter van dat goed wordt vermoed rechthebbend te zijn (artikel 3:119 BW). Dit vermoeden kan door de partij zijnde niet de houder worden weerlegd door aan te tonen dat er bij de andere partij slechts sprake is van houderschap voor een ander.
4.9
Bij de onderdelen van de vorderingen II. en 1. is steeds de vraag of de goederen eigendom zijn van de man of de vrouw dan wel van partijen gemeenschappelijk.
Ad a. De motor Harley Davidson met [kenteken 1] met de daarbij behorende sleutels
4.10
De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie in 2025 de motor op verzoek van de vrouw in beslag heeft genomen bij de man. Daarop hebben beide partijen een klaagschrift ingediend. Bij beschikking van 27 oktober 2025 is het klaagschrift van de vrouw gegrond verklaard en is de teruggave van de motor aan de vrouw gelast. De vrouw is nu feitelijk in het bezit van de motor. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij om die reden niet langer belang heeft bij haar vordering tot afgifte van de motor door de man.
4.11
Ter beoordeling staat de vordering van de man tot afgifte van motor aan hem. De man stelt dat de motor door de vrouw aan hem is geschonken en voor de inbeslagname ook feitelijk in zijn bezit was. Daarmee wordt hij op grond van artikel 3:119 BW vermoed eigenaar te zijn. Het verweer van de vrouw dat zij eigenaar is omdat de factuur en de tenaamstelling op haar naam staan gaat volgens de man niet op omdat dit voor het bepalen van de eigendom niet doorslaggevend is. Uitsluitend om verzekeringstechnische redenen is de motor op naam van de vrouw gezet. Bovendien heeft de vrouw niet eens een motorrijbewijs, aldus de man
4.12
De vrouw betwist dat de motor een verjaardagscadeau voor de man was. Zij heeft
de motor gekocht en betaald. Het kenteken staat op haar naam. De motor is enkel mede
ter beschikking gesteld van de man. Zij heeft de motor gekocht met het doel om haar
motorrijbewijs te halen. Zij betwist dat de man bezitter is geweest. Toen zij de gezamenlijke
bewoonde woning noodgedwongen heeft verlaten kon zij niet anders dan de motor
achterlaten. Zij heeft direct daarna om afgifte van de motor gevorderd.
4.13
Nu de man afgifte vordert van zijn vermeende eigendom ligt de stelplicht en bewijslast bij hem. De man beroept zich in dit verband enerzijds op artikel 3:119 BW (rechtsvermoeden) en anderzijds op artikel 7:175 BW (schenking).
4.14
Voor wat betreft zijn beroep op 3:119 BW stelt de man dat hij voor de inbeslagname de laatste feitelijke bezitter van de motor was en daarmee op grond van artikel 3:119 BW wordt vermoed rechthebbende te zijn. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de man op dit rechtsvermoeden hem niet baat. Immers het enkele feit dat de relatie is geëindigd en een van de partners (in dit geval de vrouw) de woning verlaat en daarmee niet langer de feitelijke macht uitoefent over de spullen in de woning brengt niet mee dat de partner afstand doet van het bezit van zijn spullen.
4.15
De man beroept zich er verder op dat de motor door de vrouw aan hem is geschonken. Uit artikel 7:175 BW volgt dat schenking een overeenkomst om niet is die er toe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt. Het beroep op schenking veronderstelt dat eerst de vrouw eigenaar van de motor was en dat zij vervolgens de motor aan de man heeft geschonken. Schenking is een overeenkomst en komt daarom tot stand door aanbod en aanvaarding. Omdat de man zich bij zijn vordering op een schenkingsovereenkomst beroept en daaraan rechtsgevolgen verbindt, ligt het op de weg van de man om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, waaruit volgt dat de motor door de vrouw aan hem is geschonken.
4.16
De rechtbank is van oordeel dat de enkele stelling van de man, dat de motor een verjaardagscadeau was aan hem, in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende is. Het door de man als productie 6 overgelegde Whatsapp bericht van 23 september 2023 dat luidt “Super, echt een dikke motor mooi verjaardagscadeau” maakt het voorgaande niet anders. Het feit dat de verzender van het bericht kennelijk of mogelijk heeft verondersteld dat sprake was van een schenking aan de man legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw. Bovendien kan uit het bericht niet worden afgeleid dat het om een verjaardagscadeau van de vrouw aan de man zou gaan en evenmin dat het ziet op de onderhavige motor. Uit de stukken en wat is besproken op zitting blijkt niet dat de vrouw heeft bedoeld de motor aan de man te schenken, in die zin dat zij heeft aangeboden dat de eigendom daarvan op de man zou overgaan en dat dit aanbod door man is aanvaard. Daarbij komt dat het kentekenbewijs op naam van de vrouw is blijven staan. Indien er sprake was van een schenking had het voor de hand gelegen dat het kentekenbewijs op naam van de man was gezet. Een verklaring waarom dat niet is gebeurd, heeft de man niet kunnen geven.
4.17
Gelet op het voorgaande heeft de man niet voldaan aan zijn stelplicht en is niet komen vast te staan dat er tussen partijen een schenkingsovereenkomst tot stand is gekomen.
Het had in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw op de weg van de man gelegen meer invulling te geven aan feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat de vrouw de motor aan hem heeft geschonken. Nu hij dat heeft nagelaten wordt zijn vordering onder 1. afgewezen.
Ad b. De fatbike
4.18
De vrouw vordert afgifte door de man van de fatbike. Zij heeft deze op 8 april 2024
gekocht voor de verjaardag van haar oudste dochter. Weliswaar is de factuur gesteld op
naam van [bedrijf] maar de fatbike is geleverd aan haar, aldus de vrouw.
4.19
De man betwist dat de fatbike is gekocht voor de verjaardag van de dochter van de vrouw. De fatbike was voor gezamenlijk gebruik en is eigendom van [bedrijf] .
4.20
De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de vrouw afgifte vordert van haar gestelde eigendom ligt de stelplicht en bewijslast bij haar. Uit de stukken (productie 6 bij dagvaarding) blijkt dat de vrouw de betaling voor de fatbike heeft verricht. Daarbij heeft de vrouw toegelicht dat de fatbike aan haar is geleverd en dat de factuur enkele vanwege fiscale redenen op [bedrijf] is gesteld namelijk omdat [bedrijf] zo de over de fatbike verschuldigde BTW kon ontvangen. Daarmee heef de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat de fatbike eigendom is van haar. De enkele stelling die de man hiertegen over stelt, volstaat niet gelet op de gemotiveerde en specifieke toelichting die door de vrouw is gegeven. Dit betekent dat de man gehouden is de fatbike aan de vrouw af te geven. De rechtbank zal beslissen als na te melden waarbij de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.
Ad c. De babykameruitzet en kinderwagen
4.21
De vrouw vordert afgifte door de man van de babykameruitzet en de kinderwagen.
Zij stelt zich op het standpunt dat deze goederen haar eigendom zijn, althans gemeenschappelijke eigendom. Daarnaast voert de vrouw aan dat zij de uitzet nodig heeft omdat zij de volledige zorg voor [minderjarige] draagt.
4.22
Volgens de man zijn de uitzet en de kinderwagen zijn eigendom. Hij heeft deze betaald en de spullen zijn aan hem geleverd.
4.23
De rechtbank overweegt dat op grond van de stukken en wat is besproken op zitting voldoende vast is komen te staan dat partijen samen naar [opvang] in [plaats] zijn gegaan, dat zij daar samen de in de orderbevestiging (productie 20) genoemde goederen hebben besteld en dat deze op enig moment daarna op het adres van de woning waar partijen toen woonden zijn afgeleverd. Hieruit volgt volgens artikel 3:84 BW, ondanks dat de orderbevestiging op naam van de vrouw staat en de man stelt dat hij het volledige aankoopbedrag heeft voldaan, dat de goederen geacht moeten worden gemeenschappelijk te zijn verworven. De kinderwagen is eveneens gemeenschappelijk eigendom nu de man ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zijn moeder deze aan hen samen heeft gegeven.
4.24
De rechtbank stelt vast dat beide partijen toedeling van de babykameruitzet en de kinderwagen wensen. Gelet op het gegeven dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw en daar ook feitelijk verblijft ziet de rechtbank aanleiding de uitzet en kinderwagen toe te delen aan de vrouw. De man dient de goederen aan haar af te geven. De vordering zal als na te melden worden toegewezen waarbij de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.
4.25
Tegen de stelling van de vrouw dat er gelet op de aard van de goederen geen sprake dient te zijn van een overbedelingsvergoeding heeft de man heeft geen verweer gevoerd zodat de vrouw in haar stelling wordt gevolgd.
Ad d. De caravan
4.26
De vrouw stelt dat partijen de caravan in mei 2024 voor € 2.000,= samen hebben gekocht. De caravan is betaald van de gemeenschappelijke rekening. De vrouw verzoekt om de caravan voor dat bedrag toe te delen aan de man onder gehoudenheid voor de man om aan haar te voldoen € 1.000,=.
4.27
De man betwist dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de caravan. De caravan was oorspronkelijk eigendom van zijn vader. De man heeft de caravan vanwege de emotionele waarde daarvan teruggekocht van de heer [persoon] voor € 2.000,=. De caravan stond in Spanje en daar heeft hij de caravan opgehaald. Hij is niet gehouden om enig bedrag aan de vrouw te voldoen, aldus de man.
4.28
De stelplicht en bewijslast van de stelling dat de caravan gemeenschappelijk is rust op de vrouw, omdat zij zich beroept op het rechtsgevolg hiervan, namelijk op verdeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man niet aan haar stelplicht voldaan. Zij heeft immers alleen gesteld dat de caravan van gezamenlijk geld is betaald. De man heeft dat betwist. De vrouw heeft echter niet betwist dat de caravan in Spanje aan de man is geleverd. Gelet hierop gaat de rechtbank er op grond van artikel 3:84 BW vanuit dat de man eigenaar is geworden. Dat sprake is van een geldige titel en van beschikkingsbevoegdheid bij verkoper [persoon] staat niet ter discussie. De vordering van de vrouw wordt in zoverre afgewezen.
Ad e. De overige in productie 14 genoemde goederen
4.29
De vrouw vordert voorts afgifte door de man van de overige goederen die staan vermeld op productie 14 bij dagvaarding. De vrouw stelt dat deze goederen haar eigendom zijn. Zij heeft deze meegenomen uit haar vorige woning toen zij bij de man introk. Zij heeft deze goederen bij haar vertrek uit de woning moeten achter laten. De vrouw verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar facturen (productie 15) en foto’s (productie 16). De man betwist dat hij de betreffende goederen heeft, dan wel heeft gehad.
4.30
Uitgangspunt is dat de partij die zich op de rechtsgevolgen van de door hem/haar gestelde feiten beroept, in dit geval de vrouw, de bewijslast daarvan draagt. De enkele stelling van de vrouw dat zij de goederen opgesomd in productie 14 bij haar vertrek uit de woning daar heeft achtergelaten, en dat de man ze dus nog heeft, acht de rechtbank onvoldoende. Het had op de weg van de vrouw gelegen om een en ander deugdelijk te stellen en tegenover de gemotiveerde betwisting door de man te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. Uit de overgelegde facturen en foto’s kan niet worden afgeleid dat de betreffende goederen zich nog in de woning bevinden. Daarmee heeft de vrouw niet aan haar stelplicht voldaan. Nu niet is komen vast te staan dat de man de feitelijke macht (nog) heeft over de overige op productie 14 genoemde goederen, kan hij ook niet tot afgifte daarvan worden gedwongen. Dat deel van de vordering wordt afgewezen.
Ad 4. vorderingen V. en VI. in conventie, geldvorderingen
4.31
De vrouw vordert dat de man veroordeeld wordt tot betaling van € 11.200,= uit hoofde van 2 geldleningen. Volgens de vrouw heeft zij € 10.000,= aan de man geleend voor de voldoening van achterstallige stallingskosten van zijn paarden. Voor de betaling van dit bedrag was beslag gelegd. Zij heeft dit bedrag namens de man rechtstreeks aan de schuldeiser voldaan. Partijen zijn overeengekomen dat de man haar zou terugbetalen als de echtscheiding tussen hem en zijn vorige partner zou zijn afgerond. Omdat die procedure in 2024 is afgerond is de lening nu opeisbaar. Daarnaast heeft zij € 1.200,= aan de man geleend. Ondanks mondelinge verzoeken heeft de man nog niet terugbetaald, een en ander aldus nog steeds de vrouw.
4.32
De man betwist dat hij € 10.000,= heeft geleend van de vrouw. Er was beslag gelegd op de paarden. Hij wilde de achterstallige kosten contant betalen, maar dit kon alleen per bank. Er is toen afgesproken dat de vrouw € 10.000,= zou betalen van haar bankrekening, welk bedrag direct door hem aan de vrouw is terugbetaald. Van een geldlening of een voorgeschoten bedrag is geen sprake. Ook de € 1.200,= is geen lening, aldus de man.
4.33
De rechtbank stelt vast dat vrouw zich beroept op het bestaan van twee geldleningsovereenkomsten met de man. Een geldlening is een overeenkomst waarbij de uitlener zich verbindt om aan de lener een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen (zie artikel 7:129 Burgerlijk Wetboek). Beide partijen nemen dus een verplichting op zich.
4.34
De rechtbank stelt voorop dat op de vrouw de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van de gestelde overeenkomsten. Daaraan heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Over de gestelde leningen is niets op papier is gezet. Wel zijn als productie 18 en 19 bankafschriften overgelegd waarop de overboeking van de vermelde bedragen zijn te zien. De stellingen van partijen over of en wat zij in dat verband hebben afgesproken staan echter lijnrecht tegenover elkaar, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat er sprake is van leningen. Voor zover uit de stellingen van de vrouw al zou kunnen worden afgeleid dat het haar bedoeling was om het geld uit te lenen, kan daaruit niet worden afgeleid dat de man de verplichting om het geld terug te betalen, heeft aanvaard. Dat is voor de vaststelling van het bestaan van een geldleningsovereenkomst wel noodzakelijk.
De enkele toevoeging door de vrouw van het woord “lening” op de overschrijving van € 1.200.= maakt het voorgaande niet anders. De slotsom is dat niet is komen vast te staan dat tussen de man en de vrouw de door de vrouw gestelde overeenkomsten van geldlening tot stand zijn gekomen. De vorderingen tot nakoming daarvan zullen daarom worden afgewezen.
Ad 5. vordering VI. in conventie, schadevergoedingsvordering
4.35
De vrouw vordert betaling van € 1.019,51 en legt daaraan het volgende ten
grondslag. Nadat de motor Harley Davidson met [kenteken 1] in haar bezit is
gekomen was deze nog niet te gebruiken omdat de man 2 reservesleutels en een
alarmdruppel in zijn bezit had en deze niet wilde afgeven. Daarmee heeft hij onrechtmatig
gehandeld. Om de motor gebruiksklaar te maken heeft zij kosten moeten maken ter hoogte
van € 1.019.51. Dit bedrag vordert zij van de man als schadevergoeding.
4.36
De man betwist dat hij gehouden is tot betaling van schadevergoeding. Ten eerste ontbreekt een grondslag voor de vordering omdat ten tijde van het instellen daarvan de eigendomsverhouding van de motor nog niet was vastgesteld. Ten tweede betwist hij dat hij de sleutels en alarmdruppel in zijn bezit had. Voor zover hij deze spullen zou hebben was hij niet gehouden tot afgifte omdat de beschikking van 27 oktober 2025 uitsluitend ziet op afgifte van de motor. Tot slot betwist hij dat sprake is van causaal verband. Als hij in bezit zou zijn geweest van de reservesleutels en de alarmdruppel, dan maakt dat niet dat de motor niet zou kunnen worden gebruikt.
4.37
De rechtbank overweegt dat nu de man gemotiveerd heeft betwist dat hij over de reservesleutels en alarmdruppel beschikt, de vordering voor afwijzing gereed ligt. Niet is immers komen vast te staan dat hij over die zaken beschikt zodat ook geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen door te weigeren deze af te geven. De vordering van de vrouw wordt afgewezen.
Ad 6. vordering VII. in conventie, de opheffing van de en/of rekening
4.38
De vrouw vordert de medewerking van de man aan opheffing van de en/of rekening met [rekeningnummer] . Na het uiteengaan heeft de man een creditcard op naam van deze rekening aangevraagd. De vrouw wenst niet aansprakelijk te zijn voor creditcardschulden. De man weigert echter medewerking aan het opheffen van de rekening, dan wel aan het op zijn naam laten zetten van de rekening.
4.39
De man stelt dat hij belang heeft bij het aanhouden van deze rekening in verband
met een procedure die de vrouw heeft aangespannen tegen zijn B.V.. Aan de hand van
diverse transacties op deze rekening kan hij mogelijk bewijs leveren, aldus de man.
4.40
De rechtbank begrijpt dat de vrouw zich erop beroept dat de man misbruik van
recht maakt en onrechtmatig handelt door zijn toestemming te onthouden aan opheffing van
de en/of rekening. Als reden voor het weigeren van medewerking noemt de man dat de
rekening moet worden voortgezet in verband met eventuele bewijslevering, maar dat vormt
naar het oordeel van de rechtbank geen rechtens te respecteren belang. Partijen zijn bijna 2
jaar uit elkaar zodat de man alle gelegenheid heeft gehad om transacties op de rekening te
kopiëren en op te slaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een financiële
ontvlechting tussen partijen nu eenmaal samenhangt met het verbreken van de relatie.
Verder heeft de man niets concreets gesteld waaruit kan worden afgeleid dat hij in zijn
belangen wordt geschaad als de rekening wordt opgeheven. Dat de vrouw daar belang bij
heeft is daarentegen duidelijk omdat zij bij handhaving van de rekening nog steeds
hoofdelijk aansprakelijk blijft voor een eventueel (aanvulling van) negatief saldo nog
daargelaten dat van haar niet gevergd hoeft te worden dat de rekening 2 jaar na het
uiteengaan blijft bestaan. De man heeft nog betwist dat zijn medewerking voor
het opheffen van de rekening nodig is maar naar het oordeel van de rechtbank valt op
voorhand niet uit te sluiten dat de man zijn medewerking wel dient te verlenen. De
vordering van de vrouw zal dan ook worden toegewezen als na te melden.
Proceskosten
4.41
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank,
in conventie en in reconventie:
5.1
veroordeelt de man om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis de fatbike type H9, de babykameruitzet en de kinderwagen aan de vrouw ter hand te stellen, op straffe van een dwangsom van € 100,= voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,=;
5.2
veroordeelt de man, daar waar zijn medewerking is vereist, tot het verlenen van
zijn volledige medewerking aan het opheffen van de en- of bankrekening met [rekeningnummer] , dan wel het overzetten daarvan op zijn naam, binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100.= per dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000,=;
5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.5
wijst af meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel en in aanwezigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.