Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7355

2026-08-07 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/4726
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/4726
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; V-N Vandaag 2026/1683; NDFR Nieuws 2026/1287

Inhoudsindicatie

Aanmaningskosten en kosten dwangbevel.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.692 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/4726


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 5 augustus 2025.



1.1.
De ontvanger heeft aan belanghebbende een dwangbevel betekend met betrekking tot de naheffingsaanslag omzetbelasting met dagtekening 26 oktober 2024 (het dwangbevel). De ontvanger heeft daarbij € 2.062 vervolgingskosten in rekening gebracht.



1.2.
De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de vervolgingskosten ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de ontvanger mr. K.J.M. van Os en [persoon] deelgenomen.



1.4.
Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 29 mei 2026, naar het adres van gemachtigde ( [adres] ), onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Aangezien uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 30 mei 2026 aan gemachtigde op dit adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze, tijdig, en op het juiste adres is aangeboden, zodat het onderzoek ter zitting doorgang kan vinden.





Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de ontvanger terecht de vervolgingskosten in rekening heeft gebracht en of de kosten juist berekend zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vervolgingskosten terecht berekend en is het bedrag ook juist. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Feiten


3. De inspecteur heeft met dagtekening 26 oktober 2024 aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 15.191. De inspecteur heeft daarbij € 2.772 belastingrente in rekening gebracht.



3.1.
De ontvanger heeft met dagtekening 23 november 2024 aan belanghebbende een aanmaning verzonden. De ontvanger heeft daarbij € 19 aanmaningskosten in rekening gebracht. Aan belanghebbende is een termijn van twee weken gesteld om de naheffingsaanslag omzetbelasting alsnog te voldoen. Belanghebbende heeft niet binnen de gestelde termijn betaald.



3.2.
Op 21 januari 2025 heeft de ontvanger aan belanghebbende een dwangbevel betekend waarbij in totaal € 2.062 vervolgingskosten in rekening zijn gebracht (€ 19 aanmaningskosten en € 2.043 dwangbevelkosten).





Motivering


4. De ontvanger kan, indien een belastingplichtige (na aanmaning) in gebreke blijft om te betalen, een dwangbevel uitreiken om de invordering te bewerkstelligen. Voor het verrichten van werkzaamheden door de ontvanger worden kosten in rekening gebracht bij degene die in gebreke is het verschuldigde bedrag te betalen. De aanmaningskosten bedragen € 9 bij een gevorderde som tot € 454 en € 19 bij een gevorderde som van € 454 of meer. De kosten voor het betekenen van een dwangbevel bedragen € 53 verhoogd met € 5 van elk geheel bedrag van € 45 waarmee de gevorderde som € 45 te boven gaat, met dien verstande dat niet meer verschuldigd is dan € 15.677.



4.1.
De rechtbank stelt vast dat de ontvanger de aanmaningskosten en dwangbevelkosten conform de wettelijke bepalingen juist heeft berekend. Voor zover belanghebbende stelt dat door hem vóór het betekenen van het dwangbevel om uitstel van betaling en een betalingsregeling is verzocht, heeft hij hier geen bewijs van geleverd en acht de rechtbank dit dan ook niet aannemelijk.



4.2.
Naar de rechtbank begrijpt stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de vervolgingskosten disproportioneel zijn. Belanghebbende heeft voor twee ondernemingen een suppletieaangifte omzetbelasting ingediend in verband met een managementvergoeding van de ene onderneming (de holding) aan de andere onderneming (de werkmaatschappij). Belanghebbende vindt het niet rechtvaardig dat op de suppletieaangifte van de holding wel vervolgingskosten in rekening worden gebracht, maar dat op de suppletieaangifte van de werkmaatschappij geen rente wordt vergoed.



4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de door belanghebbende genoemde omstandigheden er niet toe kunnen leiden dat de vervolgingskosten op een lager bedrag vastgesteld moeten of kunnen worden dan wettelijk verschuldigd. De Kostenwet biedt daartoe geen ruimte. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de kosten van het dwangbevel moeten worden heroverwogen in het kader van de redelijkheid en billijkheid merkt de rechtbank op dat het de rechter niet is toegestaan om deze formele wettelijke bepalingen te toetsen op innerlijke waarde of billijkheid. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever.



4.4.
Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.



4.5.
Belanghebbende heeft de ontvanger in de voorfase verzocht de vervolgingskosten uit coulance ambtshalve te verminderen. De rechtbank stelt vast dat de ontvanger die ruimte wel heeft, maar dat hij in dit geval geen aanleiding heeft gezien om uit coulance geen of minder kosten in rekening te brengen. De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat zij niet bevoegd is om de kosten van het dwangbevel uit coulance-overwegingen te verminderen.



4.6.
De rechtbank merkt ten slotte op dat de suppletieaangiften omzetbelasting geen onderdeel uitmaken van dit geschil en dat zij daarom geen oordeel geeft over het in rekening brengen en/of het vergoeden van belastingrente.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de in rekening gebrachte aanmaningskosten en dwangbevelkosten in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
















griffier


rechter








De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.






Artikel 12 van de Invorderingswet 1990 (IW).


Artikel 1 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet).


Artikel 2 van de Kostenwet (tekst 2024).


Artikel 3 van de Kostenwet (tekst 2025).


Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 23 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0896, r.o. 3.4.1.


Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk


Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679.