Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7319
2026-07-07
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448385 / JE RK 26-878 en C/02/449588 / JE RK 26-1099
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
1e ots, deels toegewezen
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.082 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/448385 / JE RK 26-878 (verzoek [minderjarige 1] )
C/02/449588 / JE RK 26-1099 (verzoek [minderjarige 2] )
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
, hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.P. Kapteijn in Middelburg,
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen:
de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd in Middelburg.
In de zaak C/02/448385 / JE RK 26-878 als belanghebbende en in de zaak
C/02/449588 / JE RK 26-1099 als informant:
[de vader]
, hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 mei 2026.
het bericht met bijlage van mr. Kapteijn, ontvangen op 6 juli 2026;
de pleitnota van mr. Kapteijn, overgelegd ter zitting op 7 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader;
een vertegenwoordigster van de Raad;
een vertegenwoordiger van de GI.
2De feiten
2.1.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] wordt uitgeoefend door de ouders.
2.2.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij de moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift heeft de Raad toegelicht dat de zorgen met name zien op de relatie tussen de ouders en de veiligheid van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Onduidelijk is of de moeder voldoende in staat is om de kinderen in de contacten met de vader te beschermen. Tussen de ouders hebben heftige escalaties plaatsgevonden en de Raad stelt dat er een reëel risico op herhaling van geweld door de vader richting de moeder is. Het gedwongen kader is noodzakelijk, nu de inzet van een casusregisseur te vrijblijvend is en de GI meer mogelijkheden en middelen heeft om in te zetten. Belangrijk is dat er zicht op de vader komt en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] veilig zijn.
4.2.
Door en namens de moeder is primair verzocht om het verzoek af te wijzen. Subsidiair om de periode te beperken tot zes maanden. Het gaat goed met de kinderen en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] worden niet in hun ontwikkeling bedreigd. De moeder erkent dat er veel tussen de ouders is gebeurd, maar nu is er rust. In de afgelopen elf maanden zijn er geen signalen meer geweest dat er tussen ouders escalaties hebben plaatsgevonden. Daar komt bij dat de ouders nog niet de kans hebben gekregen om in het vrijwillig kader de hulpverlening aan te gaan. Na de aanvraag in juni 2025 heeft het lang geduurd voordat er een casusregisseur beschikbaar was, waarna de casusregie uiteindelijk niet gestart in afwachting van het onderzoek door de Raad. De moeder staat steeds open voor hulpverlening en heeft in de tussentijd ook hulp vanuit het GIA-team en een psycholoog gehad. De moeder meent dat er vooral behoefte aan duidelijkheid over het contact tussen de kinderen en de vader nodig is. Daarnaast kan de inzet van de casusregisseur helpend zijn en deze is ook nog steeds beschikbaar. Desgevraagd heeft de moeder toegelicht dat de ouders sinds december 2025 (digitaal) contact over de kinderen hebben en dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] videobelmomenten met de vader hebben. Dit spreken de ouders onderling af.
4.3.
De vader is het niet eens met het verzoek. Hij heeft de kinderen in oktober 2025 voor het laatst gezien, maar heeft wel videobelmomenten met hen. Voor de mishandeling van de moeder moest de vader naast reclasseringstoezicht een EMDR-cursus volgen.
4.4.
De GI geeft aan dat er wordt gewerkt met een instroomteam en dat er geen zicht is op hoelang het duurt voordat er een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Het instroomteam zal een eerste contact met de ouders leggen en een veiligheidsplan opstellen.
5De beoordeling
Vader als belanghebbende / informant
5.1.
De vader is de biologische en juridische vader van [minderjarige 1] . Om die reden is hij belanghebbende in de zaak van [minderjarige 1] (met zaaknummer C/02/448385 / JE RK 26-878). Met de aanwezigen is voorafgaand aan de zitting besproken dat de vader in de zaak van [minderjarige 2] (met zaaknummer C/02/449588 / JE RK 26-1099) als informant zal worden aangemerkt. De moeder heeft aangegeven dat zij bij voorkeur de situatie van beide kinderen tegelijkertijd en in aanwezigheid van de vader bespreekt. Het is de kinderrechter gebleken dat de vader drie jaar samen met de moeder en de kinderen heeft gewoond, maar dat hij niet de biologische en/of juridische vader van [minderjarige 2] is en dat hij sinds oktober 2025 niet meer samen met de moeder woont en ook de kinderen niet meer fysiek heeft gezien.
Wettelijk kader
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor een
ondertoezichtstelling is voldaan. Zij zal [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de duur van zes maanden onder toezicht van de GI stellen, te weten met ingang van 7 juli 2026 en tot 7 januari 2027 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Zij legt dit hierna uit.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, waarbij de zorgen vooral betrekking hebben op relatie en de dynamiek tussen de ouders. Tijdens de zitting is door en namens de moeder aangegeven dat de situatie tot rust is gekomen en dat in de afgelopen periode geen escalaties meer tussen de ouders hebben plaatsgevonden. Dat vindt de kinderrechter positief om te horen en zij ziet en hoort ook dat de ouders stappen hebben gezet. Tegelijkertijd stelt zij vast dat er op dit moment sprake is van een strak kader, zowel door het reclasseringstoezicht voor de vader als door de beschikking van deze rechtbank van 30 oktober 2025 waarin is bepaald dat er voorlopig geen contact tussen de vader en [minderjarige 1] mag zijn in afwachting van het Raadsadvies en de nadere beslissing van de rechtbank. Het reclasseringstoezicht van de vader zal op zeer korte termijn in juli 2026 aflopen en het is de kinderrechter gebleken dat er eerder ernstig psychisch en fysiek geweld in relatie tussen de ouders van de vader naar de moeder heeft plaatsgevonden, ook in aanwezigheid van de kinderen. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn getuige geweest van fysiek geweld, ruzies en spanningen en dit heeft gevolgen voor hun basisveiligheid en mogelijk ook voor hun identiteit en zelfbeeld. In februari 2025 heeft de vader de moeder mishandeld en in juli 2025 zou hij de moeder en de kinderen een weekend thuis hebben opgesloten, waarbij hij de moeder ook met een mes zou hebben bedreigd. Voor de mishandeling is de vader strafrechtelijk veroordeeld. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat de ouders deze gebeurtenissen verschillend benaderen. Verder is gebleken dat tussen de ouders sprake is van een patroon van aantrekken en afstoten en een patroon van dwang, manipulatie en controle vanuit de vader naar de moeder met een reële kans op herhaling van geweld. Het gedrag van de vader is lastig te begrenzen en de moeder is nog onvoldoende weerbaar. Tijdens de zitting is door en namens de moeder aangegeven dat zij hierin met behulp van de hulpverlening stappen heeft gezet. Dat vindt de kinderrechter positief om te horen. De behandeling van de vader is echter nog niet gestart. Ook is er nog geen zicht op zijn functioneren en mogelijke problematiek, net als dat er geen zicht is op (de veiligheid van) de communicatie tussen de ouders. Sinds december 2025 hebben zij telefonisch contact met elkaar en hebben [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wekelijkse videobelmomenten met de vader. Het is onduidelijk hoe dit verloopt en of het veilig genoeg voor de kinderen is. Tijdens de zitting heeft de moeder verder aangegeven bereid te zijn om in het vrijwillige kader mee te werken aan de hulpverlening. De kinderrechter stelt vast dat de moeder dat ook heeft gedaan, maar dat de ouders daarvan nog onvoldoende hebben kunnen profiteren en het de ouders niet is gelukt om zelf de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] weg te nemen. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het noodzakelijk is dat de GI betrokken raakt, als regievoerder in het gedwongen kader.
5.5.
Zij vindt het van groot belang dat de GI zicht gaat krijgen op de opvoedsituatie van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en hun veiligheid en dat de ouders gaan meewerken aan de noodzakelijk geachte hulpverlening. Belangrijk is dat de ouders openheid over de situatie gaan geven en dat zij samen met de hulpverlening tot (veiligheids)afspraken gaan komen. Ook moet er zicht op de vader en zijn situatie komen. Om vinger aan de pols te houden en de voortgang te bewaken, zal de kinderrechter een toetsingsmoment creëren door de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden toe te wijzen en het overige deel van het verzoek aan te houden. De kinderrechter geeft aan de GI mee om onderstaande doelen voor ogen te houden:
De kinderen verblijven in een veilige opvoedsituatie en worden niet meer geconfronteerd met verbaal en fysiek geweld.
Er bestaat duidelijkheid over de veiligheid van de kinderen (en moeder), als er contact zou zijn met vader.
Er bestaat zicht op de mogelijkheden van vader, als het gaat om contact met de kinderen.
Indien mogelijk qua veiligheid en qua mogelijkheden van vader, is er een duidelijke contactregeling tussen de kinderen en vader, die door ouders wordt nageleefd.
5.6.
Nu het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor zes maanden zal worden toegewezen en het resterende deel zal worden aangehouden, verzoekt de kinderrechter de GI om voor de hierna te noemen pro forma datum per brief te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de stand van zaken. In afwijking van de mondelinge uitspraak zal de hierna te noemen pro forma datum één maand voor de afloopdatum van de ondertoezichtstelling zijn, in plaats van twee weken. Verder wordt de Raad verzocht voor de hierna te noemen pro forma datum zijn nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of het restantverzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 7 juli 2026 en tot 7 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een ondertoezichtstelling aan tot 11 december 2026 PRO FORMA en verzoekt de GI om voor deze datum per brief te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de stand van zaken en verzoekt de Raad zijn nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of de Raad het restantverzoek al dan niet handhaaft;
6.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 21 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/448385 / JE RK 26-878 (verzoek [minderjarige 1] )
C/02/449588 / JE RK 26-1099 (verzoek [minderjarige 2] )
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
, hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.P. Kapteijn in Middelburg,
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen:
de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd in Middelburg.
In de zaak C/02/448385 / JE RK 26-878 als belanghebbende en in de zaak
C/02/449588 / JE RK 26-1099 als informant:
[de vader]
, hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 mei 2026.
het bericht met bijlage van mr. Kapteijn, ontvangen op 6 juli 2026;
de pleitnota van mr. Kapteijn, overgelegd ter zitting op 7 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader;
een vertegenwoordigster van de Raad;
een vertegenwoordiger van de GI.
2De feiten
2.1.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] wordt uitgeoefend door de ouders.
2.2.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij de moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift heeft de Raad toegelicht dat de zorgen met name zien op de relatie tussen de ouders en de veiligheid van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Onduidelijk is of de moeder voldoende in staat is om de kinderen in de contacten met de vader te beschermen. Tussen de ouders hebben heftige escalaties plaatsgevonden en de Raad stelt dat er een reëel risico op herhaling van geweld door de vader richting de moeder is. Het gedwongen kader is noodzakelijk, nu de inzet van een casusregisseur te vrijblijvend is en de GI meer mogelijkheden en middelen heeft om in te zetten. Belangrijk is dat er zicht op de vader komt en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] veilig zijn.
4.2.
Door en namens de moeder is primair verzocht om het verzoek af te wijzen. Subsidiair om de periode te beperken tot zes maanden. Het gaat goed met de kinderen en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] worden niet in hun ontwikkeling bedreigd. De moeder erkent dat er veel tussen de ouders is gebeurd, maar nu is er rust. In de afgelopen elf maanden zijn er geen signalen meer geweest dat er tussen ouders escalaties hebben plaatsgevonden. Daar komt bij dat de ouders nog niet de kans hebben gekregen om in het vrijwillig kader de hulpverlening aan te gaan. Na de aanvraag in juni 2025 heeft het lang geduurd voordat er een casusregisseur beschikbaar was, waarna de casusregie uiteindelijk niet gestart in afwachting van het onderzoek door de Raad. De moeder staat steeds open voor hulpverlening en heeft in de tussentijd ook hulp vanuit het GIA-team en een psycholoog gehad. De moeder meent dat er vooral behoefte aan duidelijkheid over het contact tussen de kinderen en de vader nodig is. Daarnaast kan de inzet van de casusregisseur helpend zijn en deze is ook nog steeds beschikbaar. Desgevraagd heeft de moeder toegelicht dat de ouders sinds december 2025 (digitaal) contact over de kinderen hebben en dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] videobelmomenten met de vader hebben. Dit spreken de ouders onderling af.
4.3.
De vader is het niet eens met het verzoek. Hij heeft de kinderen in oktober 2025 voor het laatst gezien, maar heeft wel videobelmomenten met hen. Voor de mishandeling van de moeder moest de vader naast reclasseringstoezicht een EMDR-cursus volgen.
4.4.
De GI geeft aan dat er wordt gewerkt met een instroomteam en dat er geen zicht is op hoelang het duurt voordat er een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Het instroomteam zal een eerste contact met de ouders leggen en een veiligheidsplan opstellen.
5De beoordeling
Vader als belanghebbende / informant
5.1.
De vader is de biologische en juridische vader van [minderjarige 1] . Om die reden is hij belanghebbende in de zaak van [minderjarige 1] (met zaaknummer C/02/448385 / JE RK 26-878). Met de aanwezigen is voorafgaand aan de zitting besproken dat de vader in de zaak van [minderjarige 2] (met zaaknummer C/02/449588 / JE RK 26-1099) als informant zal worden aangemerkt. De moeder heeft aangegeven dat zij bij voorkeur de situatie van beide kinderen tegelijkertijd en in aanwezigheid van de vader bespreekt. Het is de kinderrechter gebleken dat de vader drie jaar samen met de moeder en de kinderen heeft gewoond, maar dat hij niet de biologische en/of juridische vader van [minderjarige 2] is en dat hij sinds oktober 2025 niet meer samen met de moeder woont en ook de kinderen niet meer fysiek heeft gezien.
Wettelijk kader
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor een
ondertoezichtstelling is voldaan. Zij zal [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de duur van zes maanden onder toezicht van de GI stellen, te weten met ingang van 7 juli 2026 en tot 7 januari 2027 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Zij legt dit hierna uit.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, waarbij de zorgen vooral betrekking hebben op relatie en de dynamiek tussen de ouders. Tijdens de zitting is door en namens de moeder aangegeven dat de situatie tot rust is gekomen en dat in de afgelopen periode geen escalaties meer tussen de ouders hebben plaatsgevonden. Dat vindt de kinderrechter positief om te horen en zij ziet en hoort ook dat de ouders stappen hebben gezet. Tegelijkertijd stelt zij vast dat er op dit moment sprake is van een strak kader, zowel door het reclasseringstoezicht voor de vader als door de beschikking van deze rechtbank van 30 oktober 2025 waarin is bepaald dat er voorlopig geen contact tussen de vader en [minderjarige 1] mag zijn in afwachting van het Raadsadvies en de nadere beslissing van de rechtbank. Het reclasseringstoezicht van de vader zal op zeer korte termijn in juli 2026 aflopen en het is de kinderrechter gebleken dat er eerder ernstig psychisch en fysiek geweld in relatie tussen de ouders van de vader naar de moeder heeft plaatsgevonden, ook in aanwezigheid van de kinderen. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn getuige geweest van fysiek geweld, ruzies en spanningen en dit heeft gevolgen voor hun basisveiligheid en mogelijk ook voor hun identiteit en zelfbeeld. In februari 2025 heeft de vader de moeder mishandeld en in juli 2025 zou hij de moeder en de kinderen een weekend thuis hebben opgesloten, waarbij hij de moeder ook met een mes zou hebben bedreigd. Voor de mishandeling is de vader strafrechtelijk veroordeeld. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat de ouders deze gebeurtenissen verschillend benaderen. Verder is gebleken dat tussen de ouders sprake is van een patroon van aantrekken en afstoten en een patroon van dwang, manipulatie en controle vanuit de vader naar de moeder met een reële kans op herhaling van geweld. Het gedrag van de vader is lastig te begrenzen en de moeder is nog onvoldoende weerbaar. Tijdens de zitting is door en namens de moeder aangegeven dat zij hierin met behulp van de hulpverlening stappen heeft gezet. Dat vindt de kinderrechter positief om te horen. De behandeling van de vader is echter nog niet gestart. Ook is er nog geen zicht op zijn functioneren en mogelijke problematiek, net als dat er geen zicht is op (de veiligheid van) de communicatie tussen de ouders. Sinds december 2025 hebben zij telefonisch contact met elkaar en hebben [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wekelijkse videobelmomenten met de vader. Het is onduidelijk hoe dit verloopt en of het veilig genoeg voor de kinderen is. Tijdens de zitting heeft de moeder verder aangegeven bereid te zijn om in het vrijwillige kader mee te werken aan de hulpverlening. De kinderrechter stelt vast dat de moeder dat ook heeft gedaan, maar dat de ouders daarvan nog onvoldoende hebben kunnen profiteren en het de ouders niet is gelukt om zelf de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] weg te nemen. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het noodzakelijk is dat de GI betrokken raakt, als regievoerder in het gedwongen kader.
5.5.
Zij vindt het van groot belang dat de GI zicht gaat krijgen op de opvoedsituatie van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en hun veiligheid en dat de ouders gaan meewerken aan de noodzakelijk geachte hulpverlening. Belangrijk is dat de ouders openheid over de situatie gaan geven en dat zij samen met de hulpverlening tot (veiligheids)afspraken gaan komen. Ook moet er zicht op de vader en zijn situatie komen. Om vinger aan de pols te houden en de voortgang te bewaken, zal de kinderrechter een toetsingsmoment creëren door de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden toe te wijzen en het overige deel van het verzoek aan te houden. De kinderrechter geeft aan de GI mee om onderstaande doelen voor ogen te houden:
De kinderen verblijven in een veilige opvoedsituatie en worden niet meer geconfronteerd met verbaal en fysiek geweld.
Er bestaat duidelijkheid over de veiligheid van de kinderen (en moeder), als er contact zou zijn met vader.
Er bestaat zicht op de mogelijkheden van vader, als het gaat om contact met de kinderen.
Indien mogelijk qua veiligheid en qua mogelijkheden van vader, is er een duidelijke contactregeling tussen de kinderen en vader, die door ouders wordt nageleefd.
5.6.
Nu het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor zes maanden zal worden toegewezen en het resterende deel zal worden aangehouden, verzoekt de kinderrechter de GI om voor de hierna te noemen pro forma datum per brief te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de stand van zaken. In afwijking van de mondelinge uitspraak zal de hierna te noemen pro forma datum één maand voor de afloopdatum van de ondertoezichtstelling zijn, in plaats van twee weken. Verder wordt de Raad verzocht voor de hierna te noemen pro forma datum zijn nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of het restantverzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 7 juli 2026 en tot 7 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een ondertoezichtstelling aan tot 11 december 2026 PRO FORMA en verzoekt de GI om voor deze datum per brief te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de stand van zaken en verzoekt de Raad zijn nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of de Raad het restantverzoek al dan niet handhaaft;
6.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 21 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.