Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7308
2026-07-07
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/449565 / JE RK 26-1088
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Perspectief van de minderjarigen bij de pleegouders.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.787 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449565 / JE RK 26-1088
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools uit Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels uit Zevenbergen,
[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
hierna te noemen: pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader;
- de advocaat van de moeder;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
de pleegouders;
een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
De moeder en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en de vader wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 2 juli 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 8 juli 2025 en tot 8 juli 2026.
2.3.
Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter aan de GI toestemming verleend om het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te wijzigingen van de grootouders (vaderszijde) naar de pleegouders (tante [pleegouder 2] en oom [pleegouder 1] ). Ook heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (grootouders vaderszijde of tante [pleegouder 2] en oom [pleegouder 1] ) met ingang van 8 juli 2025 tot 8 juli 2026.
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van voornoemde machtiging bij de pleegouders.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. Daarbij geeft de GI, samengevat, aan dat de minderjarigen het sinds de plaatsing bij de pleegouders naar omstandigheden goed doen. In de situatie van de beide ouders is weinig veranderd. Bij beide ouders zijn continu dezelfde patronen zichtbaar die opnieuw terugkomen. Dit is gelegen in het niet nakomen van afspraken en de (on)beschikbaarheid van de ouders voor de minderjarigen. De GI heeft inmiddels een perspectiefbesluit genomen inhoudende dat het perspectief van de minderjarigen niet langer bij de ouders is gelegen. Dit is met de minderjarigen besproken en zij begrijpen dat zij bij de pleegouders zullen opgroeien. [minderjarige 2] heeft daar wel moeite mee. Hij zou het liefst terug willen naar de ouders in [woonplaats] . Ook de ouders zouden dit nog altijd graag anders zien. De GI is voornemens om de Raad te verzoeken om onderzoek te doen naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel. De communicatie tussen de GI en de ouders en het nemen van gezagsbeslissingen verloopt moeizaam. De ouders zijn vaak niet of slecht te bereiken. Het duurt lang voordat de ouders hun toestemming verlenen voor bijvoorbeeld de inzet van hulpverlening. Hierdoor stagneert de hulpverlening voor de minderjarigen. De GI is daarbij tot de conclusie gekomen dat de huidige hulpverlening voor [minderjarige 2] te licht is. De GI wil voor [minderjarige 2] een persoonlijkheidsonderzoek laten afnemen, zodat er een duidelijk beeld komt van waar zijn gedrag vandaan komt. Vanuit daar zal er hulpverlening voor [minderjarige 2] moeten worden ingezet. Zijn gedrag is zorgelijk en daarin worden kenmerken van de vader teruggezien. De GI zou op termijn de casus van de minderjarigen willen overdragen naar regio Rotterdam nu de minderjarigen in [plaats] verblijven. Dit zorgt ervoor dat de hulp voor de minderjarigen makkelijker van de grond kan komen. De GI vindt het belangrijk dat er contact is tussen de ouders en de minderjarigen. De GI zal moeten onderzoeken hoe het contact op een veilige manier kan worden gerealiseerd. Daarbij zal de GI wel voorwaarden moeten stellen aan de ouders.
4.2.
Namens de moeder is ingestemd met het verzoek van de GI. De minderjarigen zitten bij de pleegouders op een goede plek. De moeder waardeert het dat de pleegouders voor de minderjarigen naar [plaats] zijn verhuisd om ze daar de komende jaren te laten opgroeien. Wel heeft de moeder moeite met het perspectiefbesluit dat door de GI is genomen inhoudende dat er niet langer zal worden gewerkt naar een thuisplaatsing van de minderjarigen bij de ouders. Vanwege het ontbreken van structureel contact tussen de moeder en de minderjarigen, kan de moeder het perspectiefbesluit lastig accepteren. Wanneer er wel sprake is van structureel contact, bestaat er voor dit besluit meer draagkracht. Bij de moeder is er af en toe sprake van onmacht in het nakomen van afspraken en het op tijd zijn voor het contact. De moeder doet wel haar best om de afspraken na te komen. Het is voor de moeder lastig dat het contact door de GI is overgelaten aan de pleegmoeder. Zij zou het liefst willen dat er een structurele regeling wordt vastgesteld op een neutrale locatie. Wanneer de voorwaarden voor het contact leiden tot organisatorische problemen, dan zullen de minderjarigen daar de dupe van zijn. Zij hebben recht op omgang met de ouders.
4.3.
Namens de vader is ingestemd met het verzoek van de GI. De vader staat achter de voorliggende verzoeken. Wel ziet de vader graag dat er sprake is van structureel contact met de minderjarigen en dat dit contact wordt uitgebreid. Dit moet wel op een veilige manier gebeuren. Door de GI moet worden ingezet op hulpverlening voor de problematiek van de minderjarigen gelegen in het verleden. Dit is vooral voor [minderjarige 2] belangrijk.
4.4.
De pleegouders staan achter het verzoek van de GI. In de afgelopen maanden hebben de pleegouders bij beide minderjarigen een duidelijke positieve ontwikkeling gezien. [minderjarige 1] doet het goed op school. Zij heeft veel sociale contacten, beleeft veel plezier aan dansen, voelt zich steeds meer thuis bij de pleegouders en is erg blij met haar eigen kamer. Ook [minderjarige 2] ontwikkelt zich goed. Zijn schoolprestaties zijn op vrijwel alle gebieden verbeterd. [minderjarige 2] vindt het hebben van een eigen kamer nog lastig. Hij mist zijn zus en vindt het moeilijk om alleen te zijn. Hierin zien de pleegouders wel verbetering. Daarnaast merken de pleegouders dat [minderjarige 2] zich steeds meer thuis voelt en zijn gevoelens vaker uit, al is dit regelmatig in boosheid. Dit komt mede voort uit de onzekerheid rondom zijn huidige situatie. [minderjarige 2] mist zijn ouders. Dit heeft zichtbaar invloed op zijn gedrag en emotionele welzijn. Zijn hoofd zit vol en daardoor is er weinig ruimte voor een positieve ontwikkeling op emotioneel gebied. Hij vraagt negatief om aandacht, is beïnvloedbaar en vertoont meeloopgedrag. Het gedrag van [minderjarige 2] herkent de pleegmoeder van de vader. De contactmomenten tussen de minderjarigen en de ouders zijn onvoldoende voorspelbaar verlopen. De ouders zijn geregeld te laat of komen niet. Wanneer zij wel komen gebeurt dit regelmatig in gezelschap van anderen. Met het oog op de rust, duidelijkheid en emotionele veiligheid van de minderjarigen zien de pleegouders voor de toekomst graag een vaste omgangsregeling op een neutrale locatie in een frequentie die voor alle betrokkenen haalbaar is. Deze locatie kan meer in de richting van [woonplaats] zijn gelegen. De pleegouders zijn bereid daarheen te rijden. Ook lukt het geregeld niet om bepaalde zaken voor de minderjarigen te regelen. De ouders verlenen hun toestemming niet of niet tijdig.
4.5.
De Raad kan zich vinden in het verzoek van de GI. Een verlenging van de maatregelen is noodzakelijk voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ondanks dat de minderjarigen op een veilige, structurele en stabiele plek verblijven, zijn er nog zorgen over de minderjarigen. De minderjarigen moeten hun plek nog vinden en hulpverlening krijgen. Ook voor een eventueel onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel is tijd nodig. Dat het perspectief van de minderjarigen volgens de GI is gelegen bij de pleegouders, is een helder uitgangspunt. Dit zegt echter niets over welke rol de ouders in de toekomst in het leven van de minderjarigen kunnen spelen. De Raad vindt het belangrijk dat er wordt gekomen tot structureel contact tussen de ouders en de minderjarigen. Voor de minderjarigen is het belangrijk dat zij blijven voelen dat de ouders van hun houden, hun willen zien en betrokken willen blijven. De Raad kan zich erin vinden dat het contact plaatsvindt op een neutrale plek. Het is fijn dat de pleegouders bereid zijn om richting de ouders te rijden voor de contactmomenten. De Raad sluit zich daarnaast aan bij de GI voor wat betreft het stellen van voorwaarden aan het contact. Deze voorwaarden gelden voor alle ouders. Het is van belang dat de ouders de afspraken nakomen. De ouders moeten op tijd zijn, er mogen geen derden bij de contactmomenten aanwezig zijn, de ouders mogen niet onder invloed zijn en er mag niet over belastende zaken worden gesproken. Het is daarbij van belang dat de minderjarigen weten wat de afspraken zijn en dat ze daarin op kindniveau worden meegenomen.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.
5.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.3.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en maximaal voor de duur van een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) zijn voldaan.
5.4.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog altijd ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Deze zorgen zijn onder meer gelegen in de opvoedomgeving van de minderjarigen bij de ouders thuis. Hierover zijn nog altijd grote zorgen vanwege de persoonlijke problematiek van de ouders en het ontbreken van veiligheid en voorspelbaarheid. De ouders zijn wisselend betrokken bij de minderjarigen en het lukt de ouders onvoldoende om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de belangen van de minderjarigen voorop te zetten. Inmiddels is er al geruime tijd geen structureel contact meer tussen de minderjarigen en de ouders. De ouders komen de gemaakte afspraken onvoldoende na. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] missen de ouders. Vooral [minderjarige 2] heeft veel moeite met de situatie en dit heeft een negatieve invloed op zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Deze zorgen kunnen niet voldoende worden weggenomen in het vrijwillig kader. De kinderrechter acht het daarom in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat de GI de komende periode zicht houdt op hun welbevinden en regie blijft voeren over de ingezette hulpverlening.
5.7.
Verder is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegouders in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] doen het bij de pleegouders naar omstandigheden goed en laten een positieve ontwikkeling zien. Zij ervaren bij de pleegouders rust en zij zijn gebaat bij de stabiliteit en veiligheid die hen daar wordt geboden. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat de GI het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegouders heeft bepaald. Dit betekent dat de GI niet meer zal toewerken naar een thuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouders. Hoewel de wet niet voorziet in de mogelijkheid om het perspectiefbesluit als zodanig te toetsen, kan de kinderrechter een door de GI genomen perspectiefbesluit wel betrekken bij de beoordeling van andere verzoeken, zoals de onderhavige. In dat kader overweegt de kinderrechter dat zij geen redenen heeft om aan de juistheid van het perspectiefbesluit van de GI te twijfelen. De kinderrechter kan zich binnen het kader van de beschermingsmaatregelen dan ook vinden in het perspectiefbesluit van de GI en vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat hun verblijf bij de pleegouders wordt voortgezet. Gelet op het feit dat het de ouders vanwege hun eigen problematiek nog altijd niet is gelukt om hun leven duurzaam op orde te krijgen en om blijvend voorspelbaar te zijn in het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , is de kinderrechter het eens met de GI en de Raad om niet meer in te zetten op een thuisplaatsing. Ook vindt de kinderrechter het van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duidelijkheid krijgen over waar zij verder mogen opgroeien. Zij kunnen hierover niet langer in onzekerheid verkeren, zonder dat dit schadelijk is voor hun ontwikkeling.
5.8.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds nodig is. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (bij de pleegouders) van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. De kinderrechter vindt het van belang dat er de komende periode duidelijkheid ontstaat over welke juridische situatie het meest passend is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is voor de minderjarigen, maar ook voor de ouders en de pleegouders, noodzakelijk dat er duidelijkheid komt over een eventuele gezagsbeëindigende maatregel. Het is aan de GI om in dat kader de nodige vervolgstappen in gang te zetten ten einde duidelijkheid te creëren voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 8 juli 2026 en tot 8 juli 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegouders ([pleegouder 1] en [pleegouder 2] ) met ingang van 8 juli 2026 en tot 8 juli 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 15 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449565 / JE RK 26-1088
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools uit Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels uit Zevenbergen,
[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
hierna te noemen: pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader;
- de advocaat van de moeder;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
de pleegouders;
een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
De moeder en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en de vader wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 2 juli 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 8 juli 2025 en tot 8 juli 2026.
2.3.
Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter aan de GI toestemming verleend om het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te wijzigingen van de grootouders (vaderszijde) naar de pleegouders (tante [pleegouder 2] en oom [pleegouder 1] ). Ook heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (grootouders vaderszijde of tante [pleegouder 2] en oom [pleegouder 1] ) met ingang van 8 juli 2025 tot 8 juli 2026.
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van voornoemde machtiging bij de pleegouders.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. Daarbij geeft de GI, samengevat, aan dat de minderjarigen het sinds de plaatsing bij de pleegouders naar omstandigheden goed doen. In de situatie van de beide ouders is weinig veranderd. Bij beide ouders zijn continu dezelfde patronen zichtbaar die opnieuw terugkomen. Dit is gelegen in het niet nakomen van afspraken en de (on)beschikbaarheid van de ouders voor de minderjarigen. De GI heeft inmiddels een perspectiefbesluit genomen inhoudende dat het perspectief van de minderjarigen niet langer bij de ouders is gelegen. Dit is met de minderjarigen besproken en zij begrijpen dat zij bij de pleegouders zullen opgroeien. [minderjarige 2] heeft daar wel moeite mee. Hij zou het liefst terug willen naar de ouders in [woonplaats] . Ook de ouders zouden dit nog altijd graag anders zien. De GI is voornemens om de Raad te verzoeken om onderzoek te doen naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel. De communicatie tussen de GI en de ouders en het nemen van gezagsbeslissingen verloopt moeizaam. De ouders zijn vaak niet of slecht te bereiken. Het duurt lang voordat de ouders hun toestemming verlenen voor bijvoorbeeld de inzet van hulpverlening. Hierdoor stagneert de hulpverlening voor de minderjarigen. De GI is daarbij tot de conclusie gekomen dat de huidige hulpverlening voor [minderjarige 2] te licht is. De GI wil voor [minderjarige 2] een persoonlijkheidsonderzoek laten afnemen, zodat er een duidelijk beeld komt van waar zijn gedrag vandaan komt. Vanuit daar zal er hulpverlening voor [minderjarige 2] moeten worden ingezet. Zijn gedrag is zorgelijk en daarin worden kenmerken van de vader teruggezien. De GI zou op termijn de casus van de minderjarigen willen overdragen naar regio Rotterdam nu de minderjarigen in [plaats] verblijven. Dit zorgt ervoor dat de hulp voor de minderjarigen makkelijker van de grond kan komen. De GI vindt het belangrijk dat er contact is tussen de ouders en de minderjarigen. De GI zal moeten onderzoeken hoe het contact op een veilige manier kan worden gerealiseerd. Daarbij zal de GI wel voorwaarden moeten stellen aan de ouders.
4.2.
Namens de moeder is ingestemd met het verzoek van de GI. De minderjarigen zitten bij de pleegouders op een goede plek. De moeder waardeert het dat de pleegouders voor de minderjarigen naar [plaats] zijn verhuisd om ze daar de komende jaren te laten opgroeien. Wel heeft de moeder moeite met het perspectiefbesluit dat door de GI is genomen inhoudende dat er niet langer zal worden gewerkt naar een thuisplaatsing van de minderjarigen bij de ouders. Vanwege het ontbreken van structureel contact tussen de moeder en de minderjarigen, kan de moeder het perspectiefbesluit lastig accepteren. Wanneer er wel sprake is van structureel contact, bestaat er voor dit besluit meer draagkracht. Bij de moeder is er af en toe sprake van onmacht in het nakomen van afspraken en het op tijd zijn voor het contact. De moeder doet wel haar best om de afspraken na te komen. Het is voor de moeder lastig dat het contact door de GI is overgelaten aan de pleegmoeder. Zij zou het liefst willen dat er een structurele regeling wordt vastgesteld op een neutrale locatie. Wanneer de voorwaarden voor het contact leiden tot organisatorische problemen, dan zullen de minderjarigen daar de dupe van zijn. Zij hebben recht op omgang met de ouders.
4.3.
Namens de vader is ingestemd met het verzoek van de GI. De vader staat achter de voorliggende verzoeken. Wel ziet de vader graag dat er sprake is van structureel contact met de minderjarigen en dat dit contact wordt uitgebreid. Dit moet wel op een veilige manier gebeuren. Door de GI moet worden ingezet op hulpverlening voor de problematiek van de minderjarigen gelegen in het verleden. Dit is vooral voor [minderjarige 2] belangrijk.
4.4.
De pleegouders staan achter het verzoek van de GI. In de afgelopen maanden hebben de pleegouders bij beide minderjarigen een duidelijke positieve ontwikkeling gezien. [minderjarige 1] doet het goed op school. Zij heeft veel sociale contacten, beleeft veel plezier aan dansen, voelt zich steeds meer thuis bij de pleegouders en is erg blij met haar eigen kamer. Ook [minderjarige 2] ontwikkelt zich goed. Zijn schoolprestaties zijn op vrijwel alle gebieden verbeterd. [minderjarige 2] vindt het hebben van een eigen kamer nog lastig. Hij mist zijn zus en vindt het moeilijk om alleen te zijn. Hierin zien de pleegouders wel verbetering. Daarnaast merken de pleegouders dat [minderjarige 2] zich steeds meer thuis voelt en zijn gevoelens vaker uit, al is dit regelmatig in boosheid. Dit komt mede voort uit de onzekerheid rondom zijn huidige situatie. [minderjarige 2] mist zijn ouders. Dit heeft zichtbaar invloed op zijn gedrag en emotionele welzijn. Zijn hoofd zit vol en daardoor is er weinig ruimte voor een positieve ontwikkeling op emotioneel gebied. Hij vraagt negatief om aandacht, is beïnvloedbaar en vertoont meeloopgedrag. Het gedrag van [minderjarige 2] herkent de pleegmoeder van de vader. De contactmomenten tussen de minderjarigen en de ouders zijn onvoldoende voorspelbaar verlopen. De ouders zijn geregeld te laat of komen niet. Wanneer zij wel komen gebeurt dit regelmatig in gezelschap van anderen. Met het oog op de rust, duidelijkheid en emotionele veiligheid van de minderjarigen zien de pleegouders voor de toekomst graag een vaste omgangsregeling op een neutrale locatie in een frequentie die voor alle betrokkenen haalbaar is. Deze locatie kan meer in de richting van [woonplaats] zijn gelegen. De pleegouders zijn bereid daarheen te rijden. Ook lukt het geregeld niet om bepaalde zaken voor de minderjarigen te regelen. De ouders verlenen hun toestemming niet of niet tijdig.
4.5.
De Raad kan zich vinden in het verzoek van de GI. Een verlenging van de maatregelen is noodzakelijk voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ondanks dat de minderjarigen op een veilige, structurele en stabiele plek verblijven, zijn er nog zorgen over de minderjarigen. De minderjarigen moeten hun plek nog vinden en hulpverlening krijgen. Ook voor een eventueel onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel is tijd nodig. Dat het perspectief van de minderjarigen volgens de GI is gelegen bij de pleegouders, is een helder uitgangspunt. Dit zegt echter niets over welke rol de ouders in de toekomst in het leven van de minderjarigen kunnen spelen. De Raad vindt het belangrijk dat er wordt gekomen tot structureel contact tussen de ouders en de minderjarigen. Voor de minderjarigen is het belangrijk dat zij blijven voelen dat de ouders van hun houden, hun willen zien en betrokken willen blijven. De Raad kan zich erin vinden dat het contact plaatsvindt op een neutrale plek. Het is fijn dat de pleegouders bereid zijn om richting de ouders te rijden voor de contactmomenten. De Raad sluit zich daarnaast aan bij de GI voor wat betreft het stellen van voorwaarden aan het contact. Deze voorwaarden gelden voor alle ouders. Het is van belang dat de ouders de afspraken nakomen. De ouders moeten op tijd zijn, er mogen geen derden bij de contactmomenten aanwezig zijn, de ouders mogen niet onder invloed zijn en er mag niet over belastende zaken worden gesproken. Het is daarbij van belang dat de minderjarigen weten wat de afspraken zijn en dat ze daarin op kindniveau worden meegenomen.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.
5.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.3.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en maximaal voor de duur van een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) zijn voldaan.
5.4.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog altijd ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Deze zorgen zijn onder meer gelegen in de opvoedomgeving van de minderjarigen bij de ouders thuis. Hierover zijn nog altijd grote zorgen vanwege de persoonlijke problematiek van de ouders en het ontbreken van veiligheid en voorspelbaarheid. De ouders zijn wisselend betrokken bij de minderjarigen en het lukt de ouders onvoldoende om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de belangen van de minderjarigen voorop te zetten. Inmiddels is er al geruime tijd geen structureel contact meer tussen de minderjarigen en de ouders. De ouders komen de gemaakte afspraken onvoldoende na. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] missen de ouders. Vooral [minderjarige 2] heeft veel moeite met de situatie en dit heeft een negatieve invloed op zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Deze zorgen kunnen niet voldoende worden weggenomen in het vrijwillig kader. De kinderrechter acht het daarom in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat de GI de komende periode zicht houdt op hun welbevinden en regie blijft voeren over de ingezette hulpverlening.
5.7.
Verder is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegouders in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] doen het bij de pleegouders naar omstandigheden goed en laten een positieve ontwikkeling zien. Zij ervaren bij de pleegouders rust en zij zijn gebaat bij de stabiliteit en veiligheid die hen daar wordt geboden. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat de GI het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegouders heeft bepaald. Dit betekent dat de GI niet meer zal toewerken naar een thuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouders. Hoewel de wet niet voorziet in de mogelijkheid om het perspectiefbesluit als zodanig te toetsen, kan de kinderrechter een door de GI genomen perspectiefbesluit wel betrekken bij de beoordeling van andere verzoeken, zoals de onderhavige. In dat kader overweegt de kinderrechter dat zij geen redenen heeft om aan de juistheid van het perspectiefbesluit van de GI te twijfelen. De kinderrechter kan zich binnen het kader van de beschermingsmaatregelen dan ook vinden in het perspectiefbesluit van de GI en vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat hun verblijf bij de pleegouders wordt voortgezet. Gelet op het feit dat het de ouders vanwege hun eigen problematiek nog altijd niet is gelukt om hun leven duurzaam op orde te krijgen en om blijvend voorspelbaar te zijn in het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , is de kinderrechter het eens met de GI en de Raad om niet meer in te zetten op een thuisplaatsing. Ook vindt de kinderrechter het van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duidelijkheid krijgen over waar zij verder mogen opgroeien. Zij kunnen hierover niet langer in onzekerheid verkeren, zonder dat dit schadelijk is voor hun ontwikkeling.
5.8.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds nodig is. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (bij de pleegouders) van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. De kinderrechter vindt het van belang dat er de komende periode duidelijkheid ontstaat over welke juridische situatie het meest passend is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is voor de minderjarigen, maar ook voor de ouders en de pleegouders, noodzakelijk dat er duidelijkheid komt over een eventuele gezagsbeëindigende maatregel. Het is aan de GI om in dat kader de nodige vervolgstappen in gang te zetten ten einde duidelijkheid te creëren voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 8 juli 2026 en tot 8 juli 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegouders ([pleegouder 1] en [pleegouder 2] ) met ingang van 8 juli 2026 en tot 8 juli 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 15 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.