Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7279
2026-02-10
Strafrecht
25-029860 en 25-029861
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
gehele toewijzing aantal dagen rijbewijs ingevorderd geweest.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.039 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 96-277121-25
raadkamernummers: 25-029860 en 25-029861
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 164, negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) en artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda (Duivelsbruglaan 22, 4835 JE Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.
1De procedure
De procedure blijkt uit de volgende stukken:
het op 17 november 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 164 lid 9 WVW94 ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 150,00, voor schade wegens de invordering van het rijbewijs;
het op 17 november 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 340,00 € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving van sepot van 28 oktober 2025;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen.
De rechtbank heeft het verzoekschrift op 27 januari 2026 in openbare raadkamer behandeld, waarbij de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks is verschenen.
De officier van justitie heeft zich in afwijking van de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie in raadkamer op het standpunt gesteld dat het verzoek geheel toewijsbaar is.
2De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 164 lid 9 WVW wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend voor de schade die hij ten gevolge van de invordering van het rijbewijs heeft geleden. De LOVS-uitgangspunten gaan sinds 7 juni 2024 uit van een forfaitaire vergoeding van € 15,00 per dag bij een ingevorderd rijbewijs. Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het rijbewijs van verzoeker is op 15 oktober 2025 ingevorderd ingevolge artikel 164 lid 9 WVW. Bij kennisgeving van 23 oktober 2025 is beslist tot teruggave van het rijbewijs aan verzoeker. Blijkens de track en trace informatie van PostNL is het rijbewijs op 24 oktober 2025 bij verzoeker bezorgd. Dat is de dag waarop de strafrechtelijke invordering daadwerkelijk is geëindigd en die als laatste dag van de invordering heeft te gelden. De verzochte vergoeding gaat terecht uit van die 10 dagen en daarom zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag toekennen van (10 x € 15,00) € 150,00.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van € 340,00 toegekend.
3De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 164 lid 9 WVW94 toe tot een bedrag van € 150,00, voor schade wegens de invordering van het rijbewijs;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van € 340,00, bestaande uit de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 490,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [stichting] onder vermelding van “ [verzoeker] /OM vergoeding”.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 96-277121-25
raadkamernummers: 25-029860 en 25-029861
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 164, negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) en artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda (Duivelsbruglaan 22, 4835 JE Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.
1De procedure
De procedure blijkt uit de volgende stukken:
het op 17 november 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 164 lid 9 WVW94 ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 150,00, voor schade wegens de invordering van het rijbewijs;
het op 17 november 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 340,00 € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving van sepot van 28 oktober 2025;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen.
De rechtbank heeft het verzoekschrift op 27 januari 2026 in openbare raadkamer behandeld, waarbij de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks is verschenen.
De officier van justitie heeft zich in afwijking van de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie in raadkamer op het standpunt gesteld dat het verzoek geheel toewijsbaar is.
2De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 164 lid 9 WVW wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend voor de schade die hij ten gevolge van de invordering van het rijbewijs heeft geleden. De LOVS-uitgangspunten gaan sinds 7 juni 2024 uit van een forfaitaire vergoeding van € 15,00 per dag bij een ingevorderd rijbewijs. Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het rijbewijs van verzoeker is op 15 oktober 2025 ingevorderd ingevolge artikel 164 lid 9 WVW. Bij kennisgeving van 23 oktober 2025 is beslist tot teruggave van het rijbewijs aan verzoeker. Blijkens de track en trace informatie van PostNL is het rijbewijs op 24 oktober 2025 bij verzoeker bezorgd. Dat is de dag waarop de strafrechtelijke invordering daadwerkelijk is geëindigd en die als laatste dag van de invordering heeft te gelden. De verzochte vergoeding gaat terecht uit van die 10 dagen en daarom zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag toekennen van (10 x € 15,00) € 150,00.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van € 340,00 toegekend.
3De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 164 lid 9 WVW94 toe tot een bedrag van € 150,00, voor schade wegens de invordering van het rijbewijs;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van € 340,00, bestaande uit de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 490,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [stichting] onder vermelding van “ [verzoeker] /OM vergoeding”.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.