Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7221
Inhoudsindicatie
Incidenteel vonnis. Partijen zijn het er niet over eens of een eerder gewezen incidenteel vonnis al dan niet in gezag van gewijsde is gegaan. Door het debat zoals dat tussen partijen in de vorige procedure is gevoerd, is de kantonrechter niet in staat gesteld de rechtsbetrekking in geschil te onderzoeken en vast te stellen of de door eiser ingeroepen rechtsgevolgen uit de door hem gestelde feiten of rechten voortvloeien. Geen van partijen heeft in de vorige procedure een beroep gedaan op artikel 9 van de algemene voorwaarden, waarin is vastgelegd dat betalingsgeschillen, in afwijking van artikel 15, kunnen worden voorgelegd aan de rechter die volgens de wettelijke competentieregels bevoegd is. Het is evident dat de kantonrechter op grond van artikel 9 bevoegd is om kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak. In deze omstandigheden is het incidentele vonnis niet in gezag van gewijsde gegaan.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1993:ZC1151 Hoge Raad 19-11-1993
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.341 tekens)
Civiel recht
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 12112157 CV EXPL 26-670
Vonnis in het incident van 15 juli 2026
in de zaak van
[persoon 1] , h.o.d.n. [bedrijf] ,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: mr. L.H.A.M. Andriessen,
tegen
1de vennootschap onder firma [V.O.F.] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] ,
2. [persoon 2] ,
wonende te [plaats 2] ,
3. [persoon 3] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [partij 2] ,
gemachtigde: mr. S.M.J. Heeren.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 februari 2026 met producties 1 tot en met 12,- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid,- de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De feiten in het incident
2.1.
Beide partijen exploiteren een bedrijf in de schoonmaakbranche. Gedaagden in de hoofdzaak sub 2 en 3 zijn beherend vennoot van gedaagde in de hoofdzaak sub 1.
2.2.
Partijen hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan [partij 1] in opdracht van [partij 2] schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht op diverse locaties.
2.3.
Op deze overeenkomst zijn de “algemene voorwaarden van onderaanneming” vastgesteld door de Ondernemersorganisatie Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten (OSB) van toepassing. In de algemene voorwaarden is het volgende bepaald:
“
Artikel 9 Betaling
(…)
f. Betalingsgeschillen kunnen, in afwijking van artikel 15, worden voorgelegd aan de rechter, die volgens de wettelijke competentieregels bevoegd is.”
“
Artikel 15 Geschillen
a. Alle geschillen omtrent interpretatie, uitvoering én beëindiging van de overeenkomst zullen, met uitsluiting van de burgerlijke rechter en van Hoger Beroep, ter berechting worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Schoonmaak- en Bedrijfsdienstenbranche. Een geschil is aanwezig wanneer één van partijen verklaart dat zulks het geval is.
(…)”
2.4.
[partij 1] heeft voor door haar verrichte werkzaamheden aan [partij 2] facturen gestuurd van 2 mei, 1 juni en 25 juni 2024 voor een totaalbedrag van € 8.950,99. Van dit bedrag heeft [partij 2] een bedrag van € 1.710,86 betaald. Zij heeft, ondanks sommaties, door [partij 1] het restantbedrag van € 7.240,13 onbetaald gelaten.
2.5.
In de hoofdzaak vordert [partij 1] veroordeling van [partij 2] tot betaling van een bedrag van € 7.240,13, vermeerderd met rente en kosten.
2.6.
Bij dagvaarding van 27 september 2024 is [partij 1] een procedure gestart. Bij incidentele conclusie heeft [partij 2] zich op de onbevoegdheid van de kantonrechter beroepen vanwege een arbitragebeding in artikel 15 van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden. Bij incidenteel vonnis van 12 maart 2025 (met nummer 11341392 CV EXPL 24-3367) heeft de kantonrechter te Bergen op Zoom zich onbevoegd verklaard. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
3Het geschil in het incident
3.1.
[partij 2] vordert dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart. Zij stelt dat over de bevoegdheid van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, locatie Bergen op Zoom eerder inhoudelijk is geprocedeerd. Hierdoor komt het incidentele vonnis van 12 maart 2025 gezag van gewijsde toe en is de kantonrechter niet bevoegd om kennis te nemen van het geschil.
3.2.
[partij 1] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van [partij 2] in de kosten van het incident. [partij 1] voert aan dat de kantonrechter geen enkele inhoudelijke beslissing heeft genomen, maar zich slechts onbevoegd heeft verklaard. Het vonnis is niet in gezag van gewijsde gegaan. Ingevolge artikel 236 lid 1 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een kracht van gewijsde gegaan vonnis in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Met ‘de rechtsbetrekking in geschil’ wordt gedoeld op het geschilpunt, de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt, niet op de bevoegdheid van de rechter. Het staat [partij 1] derhalve vrij om zich opnieuw tot de kantonrechter te wenden..
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling in het incident
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de algemene voorwaarden van onderaanneming van toepassing zijn op de tussen hen gesloten overeenkomst.
4.2.
Het door [partij 1] gevoerde verweer slaagt. Het beroep van [partij 2] dat het vonnis in gezag van gewijsde is gegaan slaagt alleen indien er sprake is van een eerder gegeven beslissing aangaande dezelfde rechtsbetrekking in geschil. Dat is niet het geval als de rechter in de eerder gegeven uitspraak niet aan een beoordeling ten gronde van de vordering is toegekomen.
4.3.
Met de ‘rechtsbetrekking in geschil’ is bedoeld het geschilpunt, de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt, niet de vordering. Wordt door de rechter de vordering ontzegd of niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser niet heeft voldaan aan zijn minimale stelplicht ten aanzien van de grondslag van zijn vordering, dan wordt vrij algemeen aangenomen dat die beslissing niet is een beslissing omtrent de rechtsbetrekking in geschil waaraan gezag van gewijsde zou toekomen. In dat geval heeft de eisende partij de rechter niet in staat gesteld de rechtsbetrekking in geschil te onderzoeken en vast te stellen of de door eiser ingeroepen rechtsgevolgen uit de door hem in dat verband gestelde feiten of rechten voortvloeien.
4.4.
In het incidentele vonnis van 12 maart 2025 heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard om van de vordering van [partij 1] kennis te nemen, op grond van het tussen partijen overeengekomen arbitragebeding uit artikel 15 van de algemene voorwaarden. Conform artikel 15 van de algemene voorwaarden dient het tussen partijen gerezen geschil te worden beslecht door de Raad van Arbitrage voor de Schoonmaak- en Bedrijfsdienstenbranche, met uitsluiting van de burgerlijke rechter. [partij 1] heeft weliswaar dezelfde vordering ingesteld (betaling van de openstaande facturen), maar zij heeft de bevoegdheid van de kantonrechter nu gebaseerd op artikel 9 van de algemene voorwaarden, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Volgens artikel 9 van de algemene voorwaarden kunnen betalingsgeschillen, in afwijking van artikel 15, worden voorgelegd aan de bevoegde burgerlijke rechter. Door het debat zoals dat tussen partijen in de vorige procedure is gevoerd, is de kantonrechter niet in staat gesteld de rechtsbetrekking in geschil te onderzoeken en vast te stellen of de door eiser ingeroepen rechtsgevolgen uit de door hem gestelde feiten of rechten voortvloeien.
4.5.
Geen van partijen heeft in de vorige procedure een beroep gedaan op artikel 9 van de algemene voorwaarden, waarin is vastgelegd dat betalingsgeschillen, in afwijking van artikel 15, kunnen worden voorgelegd aan de rechter die volgens de wettelijke competentieregels bevoegd is. Het is evident dat de kantonrechter op grond van artikel 9 bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [partij 1] in de hoofdzaak. In deze omstandigheden is het incidentele vonnis van 12 maart 2025 niet in gezag van gewijsde gegaan en staat het [partij 1] vrij om opnieuw een geding aanhangig te maken. De incidentele vordering zal worden afgewezen.
4.6.
[partij 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 87,00 (1 punt x € 87,00)- nakosten € 43,50 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)Totaal € 130,50
4.7.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
In de hoofdzaak
4.8.
De zaak zal worden verwezen naar na te melden terechtzitting voor het nemen van een conclusie van antwoord door [partij 2] .
4.9.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De kantonrechter
in het incident
5.1.
wijst de vordering van [partij 2] af,
5.2.
veroordeelt [partij 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 130,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in de hoofdzaak
5.3.
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 12 augustus 2026 te 09.00 uur voor conclusie van antwoord door [partij 2] ,
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
HR 19 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1151