Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7137

2026-07-03 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/449493 / JE RK 26-1072
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-03
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/449493 / JE RK 26-1072
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Restant voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.909 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/449493 / JE RK 26-1072



Datum uitspraak: 3 juli 2026




Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Middelburg,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer uit Middelburg,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof uit Goes,




LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 22 juni 2026 en alle daarin genoemde stukken.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader via een digitale verbinding, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder via een digitale verbinding, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.




2De feiten

2.1.

[minderjarige] is erkend door de vader.


2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .


2.3.
Bij beschikking van 22 juni 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 juni 2026 en tot 6 juli 2026. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 22 juni 2026 en tot 6 juli 2026.



2.4.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij de vader.





3Het verzoek


3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van
drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij
de andere ouder met gezag te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 juni 2026 reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek.





4De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het resterende deel van het verzoek. De Raad maakt zich grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Er is sprake van instabiliteit en geweld in de relatie van de moeder met haar huidige partner en de moeder lijkt het huiselijk geweld dat in die relatie heeft plaatsgevonden te bagatelliseren. Zij toont onvoldoende inzicht in wat huiselijk geweld voor gevolgen kan hebben voor [minderjarige] en het baart de Raad zorgen dat de moeder de relatie met de vader van [persoon] , het halfbroertje moederszijde, misschien wil voortzetten, aangezien de moeder daardoor mogelijk opnieuw in een onveilige situatie terecht zal komen. Ook vindt de Raad het zorgelijk dat de moeder [minderjarige] naar de vader van [persoon] heeft gebracht terwijl sprake is van een contactverbod en dat zij zich daar geen zorgen over maakt. Er is zicht nodig vanuit de GI op de veiligheid van [minderjarige] en op de houding van de moeder ten opzichte van de hulpverlening. Daarbij is het voor de komende periode verder van belang dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] op een veilige manier wordt vormgegeven.


4.2.
De vader stemt in met het verzoek. Hij maakt zich al langere tijd zorgen over [minderjarige] in de thuissituatie van de moeder en onderschrijft de zorgen zoals opgenomen in het rapport van de Raad. De vader wil graag dat [minderjarige] ook in de komende periode bij hem verblijft en hij is blij dat er een jeugdbeschermer betrokken is die in deze situatie kan meekijken en meedenken. Omdat [minderjarige] inmiddels is ingeschreven op het adres van de vader, is een machtiging tot uithuisplaatsing wellicht niet langer nodig.


4.3.
De moeder refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter voor wat betreft de voorlopige ondertoezichtstelling en voert vervolgens verweer ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder wil namelijk graag dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer bij haar wordt geplaatst zodat zij met [minderjarige] en [persoon] kan terugkeren naar [plaats] . Voorafgaand aan de uithuisplaatsing voelde de moeder zich enorm onder druk gezet. Daardoor heeft zij ermee ingestemd om [minderjarige] tijdelijk naar de vader te brengen, maar deze plaatsing is wat de moeder betreft echt tijdelijk. De moeder betwist een aantal gebeurtenissen zoals deze zijn genoemd in het rapport van de Raad en nuanceert de daarin opgenomen zorgen. Zij ziet in dat er wat moet veranderen bij haar thuis, met name tussen haar en de vader van [persoon] . Het klopt namelijk dat er huiselijk geweld heeft plaatsgevonden op 10 mei 2026. De moeder en de vader van [persoon] staan allebei open voor hulpverlening om te kijken hoe ze de relatie beter kunnen laten verlopen, maar door het huidige contactverbod kunnen zij hier niet aan werken. Evenmin kunnen zij hierdoor laten zien hoe het gaat in de thuissituatie, terwijl de moeder de benodigde hulpverlening accepteert en open staat voor de ambulante spoedhulp. Verder benoemt de moeder dat zij [minderjarige] graag zo snel mogelijk weer wil zien.


4.4.
De GI staat achter het verzoek. De GI maakt zich namelijk grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Er zal op korte termijn een vaste jeugdbeschermer worden betrokken. Deze vaste jeugdbeschermer zal een plan opstellen zodat er zo snel mogelijk contact tussen de moeder en [minderjarige] tot stand kan worden gebracht, waarbij zal worden afgewogen of deze contacten begeleid moeten plaatsvinden en welke frequentie passend is. Hierbij staat de veiligheid van [minderjarige] voorop.





5De nadere beoordelingHet wettelijk kader


5.1.
Op grond van artikel 1:257, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.


5.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen.



De inhoudelijke beoordeling





5.3.
Bij beschikking van 22 juni 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 22 juni 2026 en tot 6 juli 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 3 juli 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 22 juni 2026 moet worden herroepen.


5.4.
De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt. Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat er nog steeds ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . Er zijn ernstige zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder. Deze zorgen komen met name voort uit het huiselijk geweld van de vader van [persoon] naar de moeder, maar zien ook op de opvoedvaardigheden van de moeder. Hoewel deze zorgen deels door de moeder zijn betwist, is naar het oordeel van de kinderrechter voldoende gebleken dat op dit moment sprake is van veel onduidelijkheid en onrust in de opvoedsituatie van de moeder. Zo verblijft de moeder op dit moment bij haar oma om bij [minderjarige] in de buurt te zijn, is het onduidelijk waar de moeder gaat verblijven, al zegt zij het liefst terug te willen keren naar haar woning in [woonplaats 1] , en of zij de relatie met de vader van [persoon] zal voortzetten. Bovendien lijkt de moeder de ernst van de zorgen niet in te zien en de zorgen over [minderjarige] te bagatelliseren. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat de moeder met [minderjarige] meermaals naar de vader van [persoon] is gegaan, terwijl sprake was van een contactverbod naar aanleiding van het huiselijk geweld dat heeft plaatsgevonden. Dit terwijl contact tussen de moeder en de vader van [persoon] kan leiden tot spanningen en huiselijk geweld waar [minderjarige] getuige van kan zijn. Ook baart het de kinderrechter zorgen dat [minderjarige] aan de hulpverlening heeft verteld dat zij dit van de moeder geheim moest houden voor anderen en dat [minderjarige] al langere tijd niet naar school gaat. Daarnaast heeft de kinderrechter zorgen over de samenwerking en communicatie tussen de vader en de moeder, nu is gebleken dat sprake is van onderlinge spanningen en de communicatie niet goed verloopt. De kinderrechter vindt het ook zorgelijk en niet in het belang van [minderjarige] dat er sinds de uithuisplaatsing nog geen enkel contact tussen de moeder en [minderjarige] is geweest, terwijl de moeder speciaal daarvoor in de buurt van [minderjarige] is gebleven. Daar komt bij dat de moeder weliswaar heeft verklaard dat zij openstaat voor hulpverlening, maar ook is gebleken dat zij ambivalent is ten aanzien van de ingezette hulpverlening en in de afgelopen periode meerdere keren van verblijfplaats is veranderd waardoor diverse hulpverlening niet heeft kunnen starten.


5.5.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Er dient een jeugdbeschermer te worden betrokken die zicht houdt op de belangen en veiligheid van [minderjarige] . Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat zij ook in de komende periode uit huis wordt geplaatst bij de andere ouder met gezag, te weten de vader. Hoewel [minderjarige] inmiddels staat ingeschreven op het adres van de vader, acht de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk om het verblijf van [minderjarige] bij de vader te borgen omdat de moeder niet kan instemmen met het verblijf bij de vader en de ouders het derhalve niet eens zijn over een wijziging van haar hoofdverblijf. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek daarom toewijzen voor de verzochte duur, te weten van 6 juli 2026 en tot 22 september 2026.


5.6.

De kinderrechter vindt het van belang dat in de komende periode meer zicht wordt verkregen op de opvoedsituatie van [minderjarige] middels het onderzoek van de Raad. Ook is het van belang dat de GI de communicatie tussen de vader en de moeder gaat vormgeven. Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat op kortst mogelijke termijn onder regie van de GI een vorm van contact wordt gerealiseerd tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij de veiligheid van [minderjarige] uiteraard geborgd dient te zijn. Door de moeder is toegelicht dat zij in de komende periode samen met de vader van [persoon] hulpverlening wil aangaan om te bezien hoe zij hun relatie op een gezonde manier kunnen vormgeven, maar de kinderrechter wil de moeder meegeven dat ook individuele hulpverlening in deze situatie passend kan zijn, waarbij wordt gedacht aan individuele hulpverlening op het gebied van weerbaarheid en geweld in relaties (bijvoorbeeld via het GIA-team van Emergis)


Uitvoerbaar bij voorraad





5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af
te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct
geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.






6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 6 juli 2026 en tot 22 september 2026;



6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 6 juli 2026 en tot 22 september 2026;


6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.




Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.





Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).