Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7005
2026-07-30
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/3650 WLZ
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Intrekking pgb. Nu schending van pgb-verplichtingen vaststaat, was het Zorgkantoor in beginsel bevoegd de verleningsbeschikking vanaf 1 januari 2025 in te trekken. Geen onevenredige belangenafweging. Het Zorgkantoor mocht van zijn bevoegdheid tot intrekking van de verleningsbeschikking gebruik maken. Geen aanleiding voor de conclusie dat sprake zou zijn van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM wegens een ‘individual and excessive burden’. Beroep ongegrond.
Citeert (6)
- ECLI:NL:CRVB:2022:250 Centrale Raad van Beroep 16-02-2022
- ECLI:NL:CRVB:2025:621 Centrale Raad van Beroep 03-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3834 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:CRVB:2021:727 Centrale Raad van Beroep 31-03-2021
- ECLI:NL:CRVB:2022:250 Centrale Raad van Beroep 16-02-2022
- ECLI:NL:CRVB:2025:1720 Centrale Raad van Beroep 20-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.732 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3650 WLZ
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser]
te [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri)
en
[B.V.] , het Zorgkantoor.
(gemachtigde: mr. A.H. Gohari)
Samenvatting
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen de intrekking van zijn persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Zorgkantoor bevoegd was om de verleningsbeschikking van eisers pgb in te trekken vanaf 1 januari 2025. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.3.
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn en het procesverloop in deze zaak. Onder 3 is het wettelijk kader opgenomen. De standpunten van partijen zijn opgenomen onder 4 en 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
Primaire fase
2.1.
Eiser ontving van het Zorgkantoor sinds 6 december 2021 een pgb voor zorgverlening op grond van een Wlz-indicatie.
2.2.
Op 20 mei 2022 ontving het Zorgkantoor een melding van de SVB dat eisers zorgverlener en stiefvader, [persoon 1] , sinds december 2021 meer dan 40 uur per week declareert voor eisers zorg. Het Zorgkantoor heeft eiser met een brief van 23 mei 2022 laten weten dat hij er zorg voor moet dragen dat [persoon 1] niet meer dan 40 uur zorg per week declareert per 1 juni 2022 en dat eiser anders het risico loopt dat het pgb wordt beëindigd.
2.3.
Met een brief van 29 maart 2023 heeft het Zorgkantoor de bevindingen van het huisbezoek van 21 maart 2023 met eiser gedeeld. Tijdens het huisbezoek is gesproken met eisers gewaarborgde hulp en moeder, [persoon 2] , en is de pgb-administratie besproken. Het Zorgkantoor heeft eiser geadviseerd om te onderzoeken of hij een tweede zorgverlener kan inzetten op basis van een nul-urencontract en heeft eiser nogmaals meegedeeld dat een zorgverlener nooit meer dan 40 uur per week uit pgb mag werken. Het Zorgkantoor heeft vastgesteld dat het jaar daarvoor soms meer dan 40 uur per week werd gedeclareerd, waardoor eiser aan het einde van het jaar budget te kort kwam.
2.4.
Met een brief van 4 april 2024 heeft het Zorgkantoor de bevindingen van het beeldbelhuisbezoek van 14 maart 2024 met eiser gedeeld. Het Zorgkantoor acht het niet aannemelijk dat eiser de gedeclareerde 10 uur persoonlijke verzorging per dag nodig heeft. De gewaarborgde hulp heeft aangegeven dat die declaraties niet juist zijn, dat eiser alleen aansturing nodig heeft. Er is ook gesproken over het meer dan 40 uur per week zorg declareren. De weken waarin de ene maand overloopt in de andere maand wordt meer dan 40 uur zorg per week gedeclareerd. Daarnaast is besproken dat het niet is toegestaan om zorgverleners [persoon 1] en eisers zus [persoon 3] op gezamenlijke momenten begeleiding aan eiser te laten bieden in plaats van één op één begeleiding. Het is niet doelmatig om van twee zorgverleners tegelijk begeleiding te ontvangen. Het Zorgkantoor heeft eiser gevraagd om een weekschema te overleggen, waarin staat wanneer welke zorgverlener eiser begeleiding biedt.
2.5.
Met een brief van 8 augustus 2024 heeft het Zorgkantoor eiser gevraagd om een schriftelijke toelichting waarom hij gemiddeld meer dan 12 uur zorg per dag declareert voor zijn zorgverleners. Daarnaast heeft het Zorgkantoor gevraagd om uiterlijk 28 augustus 2024 een voldoende gedetailleerd weekschema te overleggen, waarin staat wanneer welke zorgverlener welke zorg heeft verleend in de periode van januari 2024 tot en met juni 2024.
Eiser heeft op 22 augustus 2024 een Wlz-indicatiebesluit van 6 december 2021, een brief van de gewaarborgde hulp met daarin een beschrijving van de geleverde zorg en een verzoek voor meer budget en zorgbeschrijvingen van zijn zorgverleners overgelegd aan het Zorgkantoor.
2.6.
Met een brief van 24 september 2024 heeft het Zorgkantoor aan eiser laten weten dat het alsnog uiterlijk 10 oktober 2024 de gevraagde weekschema’s over de periode van januari 2024 tot en met juni 2024 wil ontvangen. Het Zorgkantoor heeft eiser ook laten weten dat zijn pgb niet wordt opgehoogd, omdat hij volgens het budgetplan uit zou moeten komen met het huidige budget, en dat alleen daadwerkelijk geleverde zorg mag worden gedeclareerd vanuit het pgb, niet passief toezicht. Als het weekschema niet wordt ontvangen, heeft dit gevolgen voor het pgb.
2.7.
Met een brief van 31 oktober 2024 heeft het Zorgkantoor eiser een herinnering gestuurd aan de brieven van 8 augustus 2024 en 24 september 2024, omdat de weekschema’s niet waren ontvangen. Er wordt wederom verzocht om een uitgebreide, voldoende gedetailleerde toelichting van de geleverde zorg. Als de toelichting niet voor 20 november is ontvangen, heeft dit gevolgen voor het pgb.
2.8.
Het Zorgkantoor heeft met een besluit van 5 december 2024 (primair besluit) de verleningsbeschikking van eisers pgb ingetrokken per 1 januari 2025, omdat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden en omdat zijn zorgverleners structureel meer dan 40 uur per week zorg hebben gedeclareerd.
Bezwaarfase
2.9.
Eiser was het niet eens met het primaire besluit en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.10.
Vervolgens heeft het Zorgkantoor met een besluit van 26 juni 2025 (bestreden besluit) eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Dit betekent dat het Zorgkantoor bij het primaire besluit is gebleven.
Beroepsfase
2.11
Eiser heeft bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.12.
Het Zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.13.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden bij de rechtbank ingediend. Hierop heeft het Zorgkantoor gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
2.14.
De behandeling van het beroep ter zitting stond gepland op 1 december 2025. Ter zitting heeft eisers gemachtigde verzocht om aanhouding van de behandeling wegens privé-omstandigheden van eisers gewaarborgde hulp. Dit verzoek heeft de rechtbank toegewezen.
2.15.
Vervolgens heeft de rechtbank het beroep op 18 mei 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en de gemachtigde van het Zorgkantoor.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijk kader
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt van eiser
4. Eiser heeft zich in beroep – samengevat – op het standpunt gesteld dat de intrekking van zijn pgb te verstrekkend was. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, nu hem onterecht om weekschema’s is gevraagd, terwijl de gewaarborgde hulp al uitgebreide verklaringen had gegeven over de verleende zorg. Eiser heeft ook aangevoerd dat er geen sprake was van structurele overschrijding van 40 uur per week gedeclareerde zorg, dat er geen sprake was van structureel te veel gedeclareerde uren zorg per dag en dat niet gebleken is dat eiser de aan het pgb verbonden taken niet op een verantwoorde wijze zou kunnen uitvoeren. Verder heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, omdat onvoldoende is gemotiveerd waarom de geleverde zorg niet zou aansluiten bij zijn zorgbehoefte, dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de zorg niet voor een vast bedrag per maand kon worden voortgezet én onvoldoende is gemotiveerd waarom niet met een minder vergaande maatregel dan intrekking kon worden volstaan. Ook heeft eiser aangevoerd dat er geen (correcte) belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat, indien die er wel is geweest, deze voor hem een onevenredige uitkomst heeft. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de intrekking van zijn pgb in strijd is met artikel 1 van het Protocol bij het EVRM, omdat dit een ‘individual and excessive burden’ oplevert voor eiser.
Standpunt van het Zorgkantoor
5. Het Zorgkantoor is in beroep gebleven bij het standpunt zoals dat in het bestreden besluit is neergelegd. Het Zorgkantoor acht de intrekking van het pgb niet te verstrekkend en verwijst naar rechtspraak. Dat 24 uur per dag zorg in nabijheid een vereiste is voor toegang tot de Wlz, betekent niet dat men 24 uur per dag zorg moet declareren. Doelmatige besteding van het pgb is niet komen vast te staan, vooral vanaf juni 2023. Er zijn hoge declaraties voor twee zorgverleners, vooral in overgangsweken, ook na bespreking hiervan tijdens het huisbezoek. Ook de willekeur in zorgfuncties valt op en de overlap in zorg. Wanneer het pgb loopt, heeft het Zorgkantoor een controlerende functie (artikel 3.3.3, vierde lid, onder a en b, van de Wlz). Het Zorgkantoor stelt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door meerdere keren onvoldoende toelichting te geven op de hoge declaraties en niet de gevraagde documenten te sturen. Het Zorgkantoor heeft een uitgebreide toelichting nodig om het pgb-recht te kunnen beoordelen en die is niet ontvangen. Eiser heeft structureel meer dan 40 uur per week aan zorg gedeclareerd. Ondanks dat hij sinds 2022 met de overschrijding wordt geconfronteerd door het Zorgkantoor, is het pgb elk jaar vroegtijdig op. De gedeclareerde uren gaan omhoog in overgangsweken van de ene naar de andere maand, tot 160 uur per week aan gedeclareerde zorg. Als er al een systeemfout zou zijn, wil dat niet zeggen dat men de 40 uur per week moet overschrijden. De door eiser aangehaalde rechtspraak geldt alleen als door een zorgverlener zorg wordt geleverd aan meer dan één verzekerde. Verder gaat het maximeren van een pgb op 40 uur per week tegen de pgb-systematiek in en is er geen weekschema of verklaring waarmee de hoeveelheid noodzakelijke zorg voor eiser kan worden beoordeeld. Ook heeft het Zorgkantoor, gelet op het dossier, geen vertrouwen in medewerking aan juiste declaraties. Het Zorgkantoor merkt verder op dat eiser in deze periode 4,5 dag per week naar school is gegaan en voor die uren kan geen zorg worden gedeclareerd. Ten aanzien van de belangenafweging overweegt het Zorgkantoor dat een afweging moet worden gemaakt tussen het belang van handhaving van een niet nagekomen verplichting en de gevolgen van verlaging voor de ontvanger, waarbij de ernst van de tekortkoming en de mate van verwijtbaarheid van belang zijn. De ernst van de tekortkoming is hier groot, want eiser heeft meerdere pgb-verplichtingen geschonden, en er is een hoge mate van verwijtbaarheid, want eiser is meerdere keren gewezen op de pgb-verplichtingen en is gewaarschuwd voor beëindiging. Er is geen doelmatige besteding van maatschappelijke middelen en niet gebleken is dat zorg in natura niet mogelijk zou zijn. Er heeft een zorgvuldig onderzoek en belangenafweging plaatsgevonden. Een ‘lichter’ middel is hier niet gepast.
Overwegingen van de rechtbank
6. Partijen zijn in de kern verdeeld over de vraag of eiser de aan het pgb verbonden verplichtingen heeft geschonden, of het Zorgkantoor bevoegd was om eisers pgb in te trekken, en zo ja, of het Zorgkantoor conform het bestreden besluit gebruik heeft mogen maken van die bevoegdheid. De rechtbank zal die vragen in deze uitspraak beantwoorden.
Bewijslast
7. Volgens vaste rechtspraak is een besluit tot intrekking van de verleningsbeschikking een voor de verzekerde belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor de intrekking is voldaan in beginsel op het Zorgkantoor. Het Zorgkantoor zal tegen de achtergrond van de Algemene wet bestuursrecht en de Wlz de nodige kennis over de relevante feiten moeten verzamelen en deugdelijk moeten motiveren dat een intrekking of wijziging van de verleningsbeschikking gerechtvaardigd is.
Heeft eiser de aan het pgb verbonden verplichtingen geschonden?
7.1.
Het Zorgkantoor kan op grond van artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b van de Rlz de verleningsbeslissing intrekken als eiser of zijn gewaarborgde hulp de opgelegde verplichtingen niet nakomt. Het Zorgkantoor heeft aan de intrekking van de verleningsbeschikking ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen, omdat geen sprake is van kwalitatief verantwoorde en doelmatige pgb-zorg, eiser de informatieplicht heeft geschonden en eiser structureel meer dan 40 uur per week aan zorg heeft gedeclareerd.
Kwalitatief verantwoorde en doelmatige zorg
7.2.
Uit het dossier en de toelichting van partijen ter zitting komt het beeld naar voren dat eiser veel uren aan persoonlijke verzorging declareert – tot 10 uur per dag – en ook meer dan 12 uur per dag aan zorg, terwijl eiser in de periode waar het hier over gaat ook schoolgaand was voor 4,5 dag per week. Ook heeft eiser uren gedeclareerd waarin beide zorgverleners hem tegelijkertijd begeleiding boden, wat niet doelmatig is, en is zijn pgb jaarlijks vroegtijdig op: in 2022 in november, in 2023 in oktober en in 2024 in augustus. Het Zorgkantoor heeft eiser meermaals verzocht om helderheid te verschaffen over de hoge declaraties en de besteding van zijn pgb middels gedetailleerde verklaringen en weekschema’s om daarmee de rechtmatigheid en doelmatigheid van de pgb-besteding te kunnen beoordelen. Onder doelmatige zorg kan in dit verband worden verstaan: zorg met een optimale balans tussen kosten, volume en kwaliteit, die aansluit op de noden en wensen van de pgb-houder.
7.3.
De rechtbank overweegt dat eiser – ondanks herhaalde verzoeken daartoe – geen schriftelijke, gedetailleerde verklaring en/of weekschema’s heeft overgelegd aan het Zorgkantoor. De gewaarborgde hulp van eiser heeft enkel tijdens een huisbezoek van 14 maart 2024 bevestigd dat de declaraties van 10 uur per dag aan persoonlijke verzorging niet klopten en de uren onder begeleiding hadden moeten staan en zij heeft op 22 augustus 2024 een algemene verklaring gegeven over de verleende zorg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Zorgkantoor zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hiermee onvoldoende onderbouwing gegeven aan het Zorgkantoor om aan te kunnen nemen dat sprake was van kwalitatief verantwoorde en doelmatige zorg als bedoeld is in artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wlz en artikel 5.18, aanhef en onder a en b, van de Rlz, terwijl het wel om zijn weg lag om de bij het Zorgkantoor ontstane onduidelijkheden weg te nemen.
Inlichtingenplicht
7.4.
Eiser is op grond van artikel 5.18, aanhef en onder g, van de Rlz verplicht het Zorgkantoor op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget. Het Zorgkantoor heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser heeft – ondanks herhaalde verzoeken hiertoe van het Zorgkantoor – geen stukken overgelegd die voldoende duidelijkheid geven over wie, wanneer, welke zorg aan eiser heeft verleend. De rechtbank kan het standpunt van het Zorgkantoor volgen dat de mondelinge toelichtingen en de schriftelijke toelichting van 22 augustus 2024 onvoldoende waren. Anders dan eiser meent, heeft het Zorgkantoor hem, gelet op de door het Zorgkantoor vastgestelde omstandigheden, wel mogen vragen om een gedetailleerde verklaring, al dan niet in de vorm van weekschema’s, om zo een volledig beeld te krijgen van eisers pgb-besteding. Door die niet te verstrekken, heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden.
Niet meer dan 40 uur per week
7.5.
Op grond van artikel 5.18, aanhef en onder d, en artikel 5.22, vijfde lid, van de Rlz is eiser als verzekerde verplicht er zorg voor te dragen dat het aantal door de zorgverlener(s) – op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is – voor hem gewerkte en betaalde uren niet meer mag bedragen dan veertig uur per week.
7.6.
De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn standpunt dat hij niet structureel meer dan 40 uur per week aan zorg heeft gedeclareerd, en dat als dit al zo is dit komt door een systeemfout bij de Sociale verzekeringsbank (Svb) en eiser te goeder trouw was. Uit het dossier volgt dat op beide zorgverleners van eiser niet het Arbeidstijdenbesluit van toepassing is en eiser dus voor door hen verleende zorg niet meer dan 40 uur per week per zorgverlener mocht declareren. De uitspraak van de CRVB waarnaar eiser verwijst ziet op een andere situatie, namelijk een waarin een zorgverlener zorg levert aan meer dan één verzekerde. Het Zorgkantoor heeft eiser sinds de brief van 23 mei 2022 meermaals op de verplichting om niet meer dan 40 uur per zorgverlener per week aan zorg te declareren gewezen. Desondanks is volgens de declaratieoverzichten meermalen fors meer dan 40 uur per week aan zorg per zorgverlener gedeclareerd, met name in weken waarin de ene maand op de volgende maand overging. In week 5 van 2024 is zelfs 160 uur per week aan zorg gedeclareerd. Dit betekent dat eiser structureel de pgb-verplichtingen omtrent het niet meer dan 40 uur per week zorg declareren heeft geschonden. Ook eisers beroep op een systeemfout bij de Svb en goede trouw slagen niet. De rechtbank overweegt dat het Zorgkantoor eiser herhaaldelijk heeft gewaarschuwd voor de hoge declaraties. Daar komt bij dat eiser geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat in weken waarin de ene maand overging in de andere maand, er de laatste dagen van de maand meer uren werden gedeclareerd dan op dezelfde dagen in andere weken. Dat dit kwam door een systeemfout is niet nader onderbouwd.
Was het Zorgkantoor bevoegd om eisers pgb in te trekken conform het bestreden besluit?
7.7.
Nu vaststaat dat eiser de pgb-verplichtingen uit artikel 5.18, aanhef en onder a, b, d, en g, van de Rlz heeft geschonden, was het Zorgkantoor in beginsel op grond van artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz bevoegd de verleningsbeschikking vanaf 1 januari 2025 in te trekken.
Is sprake van een evenredige belangenafweging?
7.8.
Het Zorgkantoor diende bij de vraag of tot intrekking kan worden overgegaan de betrokken belangen af te wegen. De rechtbank overweegt dat het Zorgkantoor in het bestreden besluit op steekhoudende wijze heeft onderbouwd waarom geen overwegend gewicht is toegekend aan eisers belang bij het voortzetten van het pgb ter betaling van zijn stiefvader en zus voor verleende zorg. Het Zorgkantoor mocht bij de belangenafweging onder meer belang hechten aan de omstandigheid dat doelmatig moet worden omgegaan met maatschappelijke middelen en dat het pgb een eigen keuze is. Ontvangers van een pgb worden in de verleningsbeschikking expliciet gewezen op de pgb-verplichtingen. Uit het dossier blijken geen omstandigheden die erop wijzen dat de intrekking leidt tot een onredelijkheid of onbillijkheid van overwegende aard. Ook heeft het Zorgkantoor van belang kunnen achten dat het een langdurige schending van meerdere verplichtingen betreft en eiser herhaaldelijk geen gebruik heeft gemaakt van kansen om de schendingen van pgb-verplichtingen te beëindigen. De rechtbank kan het Zorgkantoor eveneens volgen in het standpunt dat maximering van het pgb, zodat niet boven het budget kan worden gedeclareerd, tegen de pgb-systematiek van ‘eigen regie centraal’ ingaat en het geen passend alternatief wordt geacht, ook niet omdat hiervoor medewerking van eiser nodig is. Het Zorgkantoor heeft eiser daarnaast in het bestreden besluit uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van zorg in natura en omschreven op welke manier die zorg kan worden geregeld. Eiser heeft wel gesteld, maar niet met onderbouwende stukken aannemelijk gemaakt, dat zorg in natura voor hem niet mogelijk is.
7.9.
Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van een onevenredige belangenafweging. Het Zorgkantoor mocht van zijn bevoegdheid tot intrekking van de verleningsbeschikking gebruik maken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor de conclusie dat sprake zou zijn van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM wegens een ‘individual and excessive burden’.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 30 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Bijlage: wettelijk kader
Wet langdurige zorg (Wlz)
Artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a en b:
Het persoonsgebonden budget wordt, onverminderd het vijfde lid en andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, verleend, indien:
a. naar het oordeel van het zorgkantoor met het persoonsgebonden budget op doelmatige wijze zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit;
b. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, de aan een budget verbonden taken en verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren;
Regeling langdurige zorg
Artikel 5.18, aanhef en onder a, b, d en g:
Bij de verlening van het persoonsgebonden budget worden de verzekerde in ieder geval de volgende verplichtingen opgelegd:
a.de verzekerde gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor het doen betalen door de Sociale verzekeringsbank van zorg als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid;
b.de zorg die de verzekerde inkoopt, is kwalitatief verantwoord;
d.de verzekerde draagt er zorg voor dat een zorgverlener op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht;
g.de verzekerde deelt het zorgkantoor op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget.
Artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b:
Het zorgkantoor kan de verleningsbeschikking intrekken of wijzigen met ingang van de dag waarop de verzekerde, of de derde die aan de verzekerde gewaarborgde hulp biedt, de opgelegde verplichtingen niet nakomt of niet langer voldoet aan de voorwaarden of verleningsgrond van het persoonsgebonden budget of aan de eisen van gewaarborgde hulp
Artikel 5.22, vijfde lid:
Het aantal door de zorgverlener voor de verzekerde gewerkte en betaalde uren mag niet afwijken van het Arbeidstijdenbesluit en mag indien het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is, niet meer bedragen dan veertig uur per week.
Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
Artikel 1. Bescherming van eigendom
1. Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
2. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:250, en van 3 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:621, en een uitspraak van deze rechtbank van 4 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3834.
Zie de uitspraak van de CRvB van 31 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:727.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:250.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1720.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3650 WLZ
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser]
te [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri)
en
[B.V.] , het Zorgkantoor.
(gemachtigde: mr. A.H. Gohari)
Samenvatting
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen de intrekking van zijn persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Zorgkantoor bevoegd was om de verleningsbeschikking van eisers pgb in te trekken vanaf 1 januari 2025. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.3.
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn en het procesverloop in deze zaak. Onder 3 is het wettelijk kader opgenomen. De standpunten van partijen zijn opgenomen onder 4 en 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
Primaire fase
2.1.
Eiser ontving van het Zorgkantoor sinds 6 december 2021 een pgb voor zorgverlening op grond van een Wlz-indicatie.
2.2.
Op 20 mei 2022 ontving het Zorgkantoor een melding van de SVB dat eisers zorgverlener en stiefvader, [persoon 1] , sinds december 2021 meer dan 40 uur per week declareert voor eisers zorg. Het Zorgkantoor heeft eiser met een brief van 23 mei 2022 laten weten dat hij er zorg voor moet dragen dat [persoon 1] niet meer dan 40 uur zorg per week declareert per 1 juni 2022 en dat eiser anders het risico loopt dat het pgb wordt beëindigd.
2.3.
Met een brief van 29 maart 2023 heeft het Zorgkantoor de bevindingen van het huisbezoek van 21 maart 2023 met eiser gedeeld. Tijdens het huisbezoek is gesproken met eisers gewaarborgde hulp en moeder, [persoon 2] , en is de pgb-administratie besproken. Het Zorgkantoor heeft eiser geadviseerd om te onderzoeken of hij een tweede zorgverlener kan inzetten op basis van een nul-urencontract en heeft eiser nogmaals meegedeeld dat een zorgverlener nooit meer dan 40 uur per week uit pgb mag werken. Het Zorgkantoor heeft vastgesteld dat het jaar daarvoor soms meer dan 40 uur per week werd gedeclareerd, waardoor eiser aan het einde van het jaar budget te kort kwam.
2.4.
Met een brief van 4 april 2024 heeft het Zorgkantoor de bevindingen van het beeldbelhuisbezoek van 14 maart 2024 met eiser gedeeld. Het Zorgkantoor acht het niet aannemelijk dat eiser de gedeclareerde 10 uur persoonlijke verzorging per dag nodig heeft. De gewaarborgde hulp heeft aangegeven dat die declaraties niet juist zijn, dat eiser alleen aansturing nodig heeft. Er is ook gesproken over het meer dan 40 uur per week zorg declareren. De weken waarin de ene maand overloopt in de andere maand wordt meer dan 40 uur zorg per week gedeclareerd. Daarnaast is besproken dat het niet is toegestaan om zorgverleners [persoon 1] en eisers zus [persoon 3] op gezamenlijke momenten begeleiding aan eiser te laten bieden in plaats van één op één begeleiding. Het is niet doelmatig om van twee zorgverleners tegelijk begeleiding te ontvangen. Het Zorgkantoor heeft eiser gevraagd om een weekschema te overleggen, waarin staat wanneer welke zorgverlener eiser begeleiding biedt.
2.5.
Met een brief van 8 augustus 2024 heeft het Zorgkantoor eiser gevraagd om een schriftelijke toelichting waarom hij gemiddeld meer dan 12 uur zorg per dag declareert voor zijn zorgverleners. Daarnaast heeft het Zorgkantoor gevraagd om uiterlijk 28 augustus 2024 een voldoende gedetailleerd weekschema te overleggen, waarin staat wanneer welke zorgverlener welke zorg heeft verleend in de periode van januari 2024 tot en met juni 2024.
Eiser heeft op 22 augustus 2024 een Wlz-indicatiebesluit van 6 december 2021, een brief van de gewaarborgde hulp met daarin een beschrijving van de geleverde zorg en een verzoek voor meer budget en zorgbeschrijvingen van zijn zorgverleners overgelegd aan het Zorgkantoor.
2.6.
Met een brief van 24 september 2024 heeft het Zorgkantoor aan eiser laten weten dat het alsnog uiterlijk 10 oktober 2024 de gevraagde weekschema’s over de periode van januari 2024 tot en met juni 2024 wil ontvangen. Het Zorgkantoor heeft eiser ook laten weten dat zijn pgb niet wordt opgehoogd, omdat hij volgens het budgetplan uit zou moeten komen met het huidige budget, en dat alleen daadwerkelijk geleverde zorg mag worden gedeclareerd vanuit het pgb, niet passief toezicht. Als het weekschema niet wordt ontvangen, heeft dit gevolgen voor het pgb.
2.7.
Met een brief van 31 oktober 2024 heeft het Zorgkantoor eiser een herinnering gestuurd aan de brieven van 8 augustus 2024 en 24 september 2024, omdat de weekschema’s niet waren ontvangen. Er wordt wederom verzocht om een uitgebreide, voldoende gedetailleerde toelichting van de geleverde zorg. Als de toelichting niet voor 20 november is ontvangen, heeft dit gevolgen voor het pgb.
2.8.
Het Zorgkantoor heeft met een besluit van 5 december 2024 (primair besluit) de verleningsbeschikking van eisers pgb ingetrokken per 1 januari 2025, omdat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden en omdat zijn zorgverleners structureel meer dan 40 uur per week zorg hebben gedeclareerd.
Bezwaarfase
2.9.
Eiser was het niet eens met het primaire besluit en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.10.
Vervolgens heeft het Zorgkantoor met een besluit van 26 juni 2025 (bestreden besluit) eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Dit betekent dat het Zorgkantoor bij het primaire besluit is gebleven.
Beroepsfase
2.11
Eiser heeft bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.12.
Het Zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.13.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden bij de rechtbank ingediend. Hierop heeft het Zorgkantoor gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
2.14.
De behandeling van het beroep ter zitting stond gepland op 1 december 2025. Ter zitting heeft eisers gemachtigde verzocht om aanhouding van de behandeling wegens privé-omstandigheden van eisers gewaarborgde hulp. Dit verzoek heeft de rechtbank toegewezen.
2.15.
Vervolgens heeft de rechtbank het beroep op 18 mei 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en de gemachtigde van het Zorgkantoor.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijk kader
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt van eiser
4. Eiser heeft zich in beroep – samengevat – op het standpunt gesteld dat de intrekking van zijn pgb te verstrekkend was. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, nu hem onterecht om weekschema’s is gevraagd, terwijl de gewaarborgde hulp al uitgebreide verklaringen had gegeven over de verleende zorg. Eiser heeft ook aangevoerd dat er geen sprake was van structurele overschrijding van 40 uur per week gedeclareerde zorg, dat er geen sprake was van structureel te veel gedeclareerde uren zorg per dag en dat niet gebleken is dat eiser de aan het pgb verbonden taken niet op een verantwoorde wijze zou kunnen uitvoeren. Verder heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, omdat onvoldoende is gemotiveerd waarom de geleverde zorg niet zou aansluiten bij zijn zorgbehoefte, dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de zorg niet voor een vast bedrag per maand kon worden voortgezet én onvoldoende is gemotiveerd waarom niet met een minder vergaande maatregel dan intrekking kon worden volstaan. Ook heeft eiser aangevoerd dat er geen (correcte) belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat, indien die er wel is geweest, deze voor hem een onevenredige uitkomst heeft. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de intrekking van zijn pgb in strijd is met artikel 1 van het Protocol bij het EVRM, omdat dit een ‘individual and excessive burden’ oplevert voor eiser.
Standpunt van het Zorgkantoor
5. Het Zorgkantoor is in beroep gebleven bij het standpunt zoals dat in het bestreden besluit is neergelegd. Het Zorgkantoor acht de intrekking van het pgb niet te verstrekkend en verwijst naar rechtspraak. Dat 24 uur per dag zorg in nabijheid een vereiste is voor toegang tot de Wlz, betekent niet dat men 24 uur per dag zorg moet declareren. Doelmatige besteding van het pgb is niet komen vast te staan, vooral vanaf juni 2023. Er zijn hoge declaraties voor twee zorgverleners, vooral in overgangsweken, ook na bespreking hiervan tijdens het huisbezoek. Ook de willekeur in zorgfuncties valt op en de overlap in zorg. Wanneer het pgb loopt, heeft het Zorgkantoor een controlerende functie (artikel 3.3.3, vierde lid, onder a en b, van de Wlz). Het Zorgkantoor stelt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door meerdere keren onvoldoende toelichting te geven op de hoge declaraties en niet de gevraagde documenten te sturen. Het Zorgkantoor heeft een uitgebreide toelichting nodig om het pgb-recht te kunnen beoordelen en die is niet ontvangen. Eiser heeft structureel meer dan 40 uur per week aan zorg gedeclareerd. Ondanks dat hij sinds 2022 met de overschrijding wordt geconfronteerd door het Zorgkantoor, is het pgb elk jaar vroegtijdig op. De gedeclareerde uren gaan omhoog in overgangsweken van de ene naar de andere maand, tot 160 uur per week aan gedeclareerde zorg. Als er al een systeemfout zou zijn, wil dat niet zeggen dat men de 40 uur per week moet overschrijden. De door eiser aangehaalde rechtspraak geldt alleen als door een zorgverlener zorg wordt geleverd aan meer dan één verzekerde. Verder gaat het maximeren van een pgb op 40 uur per week tegen de pgb-systematiek in en is er geen weekschema of verklaring waarmee de hoeveelheid noodzakelijke zorg voor eiser kan worden beoordeeld. Ook heeft het Zorgkantoor, gelet op het dossier, geen vertrouwen in medewerking aan juiste declaraties. Het Zorgkantoor merkt verder op dat eiser in deze periode 4,5 dag per week naar school is gegaan en voor die uren kan geen zorg worden gedeclareerd. Ten aanzien van de belangenafweging overweegt het Zorgkantoor dat een afweging moet worden gemaakt tussen het belang van handhaving van een niet nagekomen verplichting en de gevolgen van verlaging voor de ontvanger, waarbij de ernst van de tekortkoming en de mate van verwijtbaarheid van belang zijn. De ernst van de tekortkoming is hier groot, want eiser heeft meerdere pgb-verplichtingen geschonden, en er is een hoge mate van verwijtbaarheid, want eiser is meerdere keren gewezen op de pgb-verplichtingen en is gewaarschuwd voor beëindiging. Er is geen doelmatige besteding van maatschappelijke middelen en niet gebleken is dat zorg in natura niet mogelijk zou zijn. Er heeft een zorgvuldig onderzoek en belangenafweging plaatsgevonden. Een ‘lichter’ middel is hier niet gepast.
Overwegingen van de rechtbank
6. Partijen zijn in de kern verdeeld over de vraag of eiser de aan het pgb verbonden verplichtingen heeft geschonden, of het Zorgkantoor bevoegd was om eisers pgb in te trekken, en zo ja, of het Zorgkantoor conform het bestreden besluit gebruik heeft mogen maken van die bevoegdheid. De rechtbank zal die vragen in deze uitspraak beantwoorden.
Bewijslast
7. Volgens vaste rechtspraak is een besluit tot intrekking van de verleningsbeschikking een voor de verzekerde belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor de intrekking is voldaan in beginsel op het Zorgkantoor. Het Zorgkantoor zal tegen de achtergrond van de Algemene wet bestuursrecht en de Wlz de nodige kennis over de relevante feiten moeten verzamelen en deugdelijk moeten motiveren dat een intrekking of wijziging van de verleningsbeschikking gerechtvaardigd is.
Heeft eiser de aan het pgb verbonden verplichtingen geschonden?
7.1.
Het Zorgkantoor kan op grond van artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b van de Rlz de verleningsbeslissing intrekken als eiser of zijn gewaarborgde hulp de opgelegde verplichtingen niet nakomt. Het Zorgkantoor heeft aan de intrekking van de verleningsbeschikking ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen, omdat geen sprake is van kwalitatief verantwoorde en doelmatige pgb-zorg, eiser de informatieplicht heeft geschonden en eiser structureel meer dan 40 uur per week aan zorg heeft gedeclareerd.
Kwalitatief verantwoorde en doelmatige zorg
7.2.
Uit het dossier en de toelichting van partijen ter zitting komt het beeld naar voren dat eiser veel uren aan persoonlijke verzorging declareert – tot 10 uur per dag – en ook meer dan 12 uur per dag aan zorg, terwijl eiser in de periode waar het hier over gaat ook schoolgaand was voor 4,5 dag per week. Ook heeft eiser uren gedeclareerd waarin beide zorgverleners hem tegelijkertijd begeleiding boden, wat niet doelmatig is, en is zijn pgb jaarlijks vroegtijdig op: in 2022 in november, in 2023 in oktober en in 2024 in augustus. Het Zorgkantoor heeft eiser meermaals verzocht om helderheid te verschaffen over de hoge declaraties en de besteding van zijn pgb middels gedetailleerde verklaringen en weekschema’s om daarmee de rechtmatigheid en doelmatigheid van de pgb-besteding te kunnen beoordelen. Onder doelmatige zorg kan in dit verband worden verstaan: zorg met een optimale balans tussen kosten, volume en kwaliteit, die aansluit op de noden en wensen van de pgb-houder.
7.3.
De rechtbank overweegt dat eiser – ondanks herhaalde verzoeken daartoe – geen schriftelijke, gedetailleerde verklaring en/of weekschema’s heeft overgelegd aan het Zorgkantoor. De gewaarborgde hulp van eiser heeft enkel tijdens een huisbezoek van 14 maart 2024 bevestigd dat de declaraties van 10 uur per dag aan persoonlijke verzorging niet klopten en de uren onder begeleiding hadden moeten staan en zij heeft op 22 augustus 2024 een algemene verklaring gegeven over de verleende zorg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Zorgkantoor zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hiermee onvoldoende onderbouwing gegeven aan het Zorgkantoor om aan te kunnen nemen dat sprake was van kwalitatief verantwoorde en doelmatige zorg als bedoeld is in artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wlz en artikel 5.18, aanhef en onder a en b, van de Rlz, terwijl het wel om zijn weg lag om de bij het Zorgkantoor ontstane onduidelijkheden weg te nemen.
Inlichtingenplicht
7.4.
Eiser is op grond van artikel 5.18, aanhef en onder g, van de Rlz verplicht het Zorgkantoor op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget. Het Zorgkantoor heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser heeft – ondanks herhaalde verzoeken hiertoe van het Zorgkantoor – geen stukken overgelegd die voldoende duidelijkheid geven over wie, wanneer, welke zorg aan eiser heeft verleend. De rechtbank kan het standpunt van het Zorgkantoor volgen dat de mondelinge toelichtingen en de schriftelijke toelichting van 22 augustus 2024 onvoldoende waren. Anders dan eiser meent, heeft het Zorgkantoor hem, gelet op de door het Zorgkantoor vastgestelde omstandigheden, wel mogen vragen om een gedetailleerde verklaring, al dan niet in de vorm van weekschema’s, om zo een volledig beeld te krijgen van eisers pgb-besteding. Door die niet te verstrekken, heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden.
Niet meer dan 40 uur per week
7.5.
Op grond van artikel 5.18, aanhef en onder d, en artikel 5.22, vijfde lid, van de Rlz is eiser als verzekerde verplicht er zorg voor te dragen dat het aantal door de zorgverlener(s) – op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is – voor hem gewerkte en betaalde uren niet meer mag bedragen dan veertig uur per week.
7.6.
De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn standpunt dat hij niet structureel meer dan 40 uur per week aan zorg heeft gedeclareerd, en dat als dit al zo is dit komt door een systeemfout bij de Sociale verzekeringsbank (Svb) en eiser te goeder trouw was. Uit het dossier volgt dat op beide zorgverleners van eiser niet het Arbeidstijdenbesluit van toepassing is en eiser dus voor door hen verleende zorg niet meer dan 40 uur per week per zorgverlener mocht declareren. De uitspraak van de CRVB waarnaar eiser verwijst ziet op een andere situatie, namelijk een waarin een zorgverlener zorg levert aan meer dan één verzekerde. Het Zorgkantoor heeft eiser sinds de brief van 23 mei 2022 meermaals op de verplichting om niet meer dan 40 uur per zorgverlener per week aan zorg te declareren gewezen. Desondanks is volgens de declaratieoverzichten meermalen fors meer dan 40 uur per week aan zorg per zorgverlener gedeclareerd, met name in weken waarin de ene maand op de volgende maand overging. In week 5 van 2024 is zelfs 160 uur per week aan zorg gedeclareerd. Dit betekent dat eiser structureel de pgb-verplichtingen omtrent het niet meer dan 40 uur per week zorg declareren heeft geschonden. Ook eisers beroep op een systeemfout bij de Svb en goede trouw slagen niet. De rechtbank overweegt dat het Zorgkantoor eiser herhaaldelijk heeft gewaarschuwd voor de hoge declaraties. Daar komt bij dat eiser geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat in weken waarin de ene maand overging in de andere maand, er de laatste dagen van de maand meer uren werden gedeclareerd dan op dezelfde dagen in andere weken. Dat dit kwam door een systeemfout is niet nader onderbouwd.
Was het Zorgkantoor bevoegd om eisers pgb in te trekken conform het bestreden besluit?
7.7.
Nu vaststaat dat eiser de pgb-verplichtingen uit artikel 5.18, aanhef en onder a, b, d, en g, van de Rlz heeft geschonden, was het Zorgkantoor in beginsel op grond van artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz bevoegd de verleningsbeschikking vanaf 1 januari 2025 in te trekken.
Is sprake van een evenredige belangenafweging?
7.8.
Het Zorgkantoor diende bij de vraag of tot intrekking kan worden overgegaan de betrokken belangen af te wegen. De rechtbank overweegt dat het Zorgkantoor in het bestreden besluit op steekhoudende wijze heeft onderbouwd waarom geen overwegend gewicht is toegekend aan eisers belang bij het voortzetten van het pgb ter betaling van zijn stiefvader en zus voor verleende zorg. Het Zorgkantoor mocht bij de belangenafweging onder meer belang hechten aan de omstandigheid dat doelmatig moet worden omgegaan met maatschappelijke middelen en dat het pgb een eigen keuze is. Ontvangers van een pgb worden in de verleningsbeschikking expliciet gewezen op de pgb-verplichtingen. Uit het dossier blijken geen omstandigheden die erop wijzen dat de intrekking leidt tot een onredelijkheid of onbillijkheid van overwegende aard. Ook heeft het Zorgkantoor van belang kunnen achten dat het een langdurige schending van meerdere verplichtingen betreft en eiser herhaaldelijk geen gebruik heeft gemaakt van kansen om de schendingen van pgb-verplichtingen te beëindigen. De rechtbank kan het Zorgkantoor eveneens volgen in het standpunt dat maximering van het pgb, zodat niet boven het budget kan worden gedeclareerd, tegen de pgb-systematiek van ‘eigen regie centraal’ ingaat en het geen passend alternatief wordt geacht, ook niet omdat hiervoor medewerking van eiser nodig is. Het Zorgkantoor heeft eiser daarnaast in het bestreden besluit uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van zorg in natura en omschreven op welke manier die zorg kan worden geregeld. Eiser heeft wel gesteld, maar niet met onderbouwende stukken aannemelijk gemaakt, dat zorg in natura voor hem niet mogelijk is.
7.9.
Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van een onevenredige belangenafweging. Het Zorgkantoor mocht van zijn bevoegdheid tot intrekking van de verleningsbeschikking gebruik maken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor de conclusie dat sprake zou zijn van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM wegens een ‘individual and excessive burden’.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 30 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Bijlage: wettelijk kader
Wet langdurige zorg (Wlz)
Artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a en b:
Het persoonsgebonden budget wordt, onverminderd het vijfde lid en andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, verleend, indien:
a. naar het oordeel van het zorgkantoor met het persoonsgebonden budget op doelmatige wijze zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit;
b. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, de aan een budget verbonden taken en verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren;
Regeling langdurige zorg
Artikel 5.18, aanhef en onder a, b, d en g:
Bij de verlening van het persoonsgebonden budget worden de verzekerde in ieder geval de volgende verplichtingen opgelegd:
a.de verzekerde gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor het doen betalen door de Sociale verzekeringsbank van zorg als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid;
b.de zorg die de verzekerde inkoopt, is kwalitatief verantwoord;
d.de verzekerde draagt er zorg voor dat een zorgverlener op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht;
g.de verzekerde deelt het zorgkantoor op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget.
Artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b:
Het zorgkantoor kan de verleningsbeschikking intrekken of wijzigen met ingang van de dag waarop de verzekerde, of de derde die aan de verzekerde gewaarborgde hulp biedt, de opgelegde verplichtingen niet nakomt of niet langer voldoet aan de voorwaarden of verleningsgrond van het persoonsgebonden budget of aan de eisen van gewaarborgde hulp
Artikel 5.22, vijfde lid:
Het aantal door de zorgverlener voor de verzekerde gewerkte en betaalde uren mag niet afwijken van het Arbeidstijdenbesluit en mag indien het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is, niet meer bedragen dan veertig uur per week.
Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
Artikel 1. Bescherming van eigendom
1. Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
2. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:250, en van 3 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:621, en een uitspraak van deze rechtbank van 4 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3834.
Zie de uitspraak van de CRvB van 31 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:727.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:250.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1720.