Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6794

2026-07-08 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447052 / JE RK 26-641
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447052 / JE RK 26-641
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bs tav vervanging GI, schriftelijke aanwijzing en informele rechtsingang

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (46.924 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/447052 / JE RK 26-641
Zaaknummer: C/02/445765 / JE RK 26-390
Zaaknummer: C/02/445634 / JE RK 26-360
Zaaknummer: C/02/446586 / FA RK 26-1631



Datum uitspraak: 8 juli 2026




Beschikking van de meervoudige kamer over vervanging GI, bekrachtiging c.q. vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing en informele rechtsingang




in de zaken met kenmerk C/02/447052 / JE RK 26-641 en C/02/445634 / JE RK 26-360 van





[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Sijnesael uit Middelburg,



en



in de zaak met kenmerk C/02/445765 / JE RK 26-390 van



de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,


[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .



De rechtbank merkt naast verzoekers in de voornoemde procedures als belanghebbende aan:





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,



alsmede op het verzoek met kenmerk C/02/446586 / FA RK 26-1631 van





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] .



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend en gehoord:

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad.





1Het verloop van de procedures



C/02/445634 / JE RK 26-360



1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026;
- de brief van mr. Sijnesael d.d. 27 mei 2026 met bijlagen.




C/02/445765 / JE RK 26-390




1.2.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 maart 2026;


het bericht van de GI van 4 mei 2026 met bijlagen;


de brief van mr. Sijnesael d.d. 27 mei 2026 met bijlagen.





C/02/447052 / JE RK 26-641




1.3.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2026;


de brief van mr. Sijnesael d.d. 27 mei 2026 met bijlagen.





C/02/446586 / FA RK 26-1631




1.4.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de brief van [minderjarige 1] d.d. 24 maart 2026.




1.5.
De voornoemde procedures zijn gelijktijdig met het verzoek van de GI strekkende tot de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] (zaaknr. C/02/448085 / JE RK 26-816) door de meervoudige kamer van deze rechtbank ter zitting van 1 juni 2026 behandeld. Daarbij waren aanwezig:


de moeder met haar advocaat;


de vader;


een tweetal vertegenwoordigsters van de GI


- een vertegenwoordiger van de Raad.
De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering is als informant uitgenodigd voor de zitting, maar is niet verschenen.



1.6.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft naar aanleiding van de brief die zij heeft geschreven aan de rechtbank (C/02/446586 / FA RK 26-1631) op 14 april 2026 gesproken met de kinderrechter. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter op 26 mei 2026 [minderjarige 1] een brief teruggestuurd. Op 28 mei 2026 heeft [minderjarige 1] opnieuw een brief gestuurd. [minderjarige 2] heeft op 28 mei 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft deze kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft geschreven en verteld en wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.



1.7.
Ten aanzien van het verzoek van de GI strekkende tot de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] heeft de rechtbank op 22 juni 2026 een separate beschikking gegeven.






2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2

[minderjarige 1] woont bij de moeder. [minderjarige 2] verblijft sinds eind april 2026 bij haar vader.



2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 augustus 2024

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 22 augustus 2024 en tot
22 augustus 2025.




2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 21 augustus 2025 deze maatregel verlengd tot 22 augustus 2026.



2.5.
De GI heeft op 11 februari 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Hierin is het volgende besluit opgenomen:








2.6.
Bij beschikking van 22 juni 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 22 juni 2026 en tot 22 augustus 2026.





3De verzoeken



C/02/445634 / JE RK 26-360



3.1.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI d.d. 11 februari 2026 vervallen te verklaren en de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



C/02/445765 / JE RK 26-390




3.2.
De GI verzoekt de rechtbank:


op grond van artikel 1:263 lid 3 BW de schriftelijke aanwijzing gedeeltelijk te bekrachtigen, namelijk met uitzondering van het punt onder ‘contact tussen [minderjarige 1] en haar vader’: “u zorgt ervoor dat [minderjarige 1] naar de afspraken gaat zoals hierboven weergegeven (zie schema pagina 3 en 4; op 11 februari, 22 februari, 4 maart en 11 maart 2026)”;


op grond van artikel 1:263 lid 3 BW het gevraagde dwangmiddel op te leggen, te weten een dwangsom conform artikel 611a Rv ter hoogte van € 50,- voor iedere dag/keer dat de moeder de aanwijzing niet naleeft;


de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





C/02/447052 / JE RK 26-641




3.3.
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


primair de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te heffen;


subsidiair Stichting Jeugdbescherming west Zeeland als gecertificeerde instelling belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te vervangen door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.


Ter zitting van 1 juni 2026 heeft de moeder het primaire verzoek ingetrokken.



C/02/446586 / FA RK 26-1631




3.4.

[minderjarige 1] heeft in haar brief aan de kinderrechter aangegeven dat zij niet langer gepusht wil worden om naar de vader toe te gaan. Tevens wil zij dat de ondertoezichtstelling wordt beëindigd.





4De standpunten



Standpunt van de moeder




4.1.
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling merkt de moeder op dat dit haar veel spanningen geeft. Ondanks dat er in de afgelopen periode meerdere bemiddelingsgesprekken hebben plaatsgevonden verbetert de samenwerking met de GI niet. Door de GI wordt de focus binnen de ondertoezichtstelling namelijk grotendeels gelegd op het systeem. De moeder onderkent dat er systemische problemen zijn, maar volgens haar is er te weinig aandacht voor de kindeigen problematiek die zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] laten zien. Daarnaast heeft de moeder het gevoel dat de problemen die spelen rondom de kinderen door de GI worden geweten aan de pedagogische kwaliteiten van de moeder en haar gebrek aan sturing van de kinderen. De moeder kan zich hierin niet vinden, want zij doet zeker haar best om zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] te sturen in hetgeen wat van hen wordt verwacht. De moeder vindt dit wel lastig, want zij wil de kinderen niet overvragen. De moeder wil het beste voor [minderjarige 2] en als dit momenteel een verblijf bij vader is, is dat prima voor haar. De moeder heeft wel vernomen dat [minderjarige 2] ook bij hem zelfbeschadigend gedrag laat zien. Dus de stelling van de vader dat het goed gaat met [minderjarige 2] moet volgens de moeder genuanceerd worden. Voor een evenredige verdeling van de zorgtaken ten aanzien van [minderjarige 2] staat de moeder open, ook al zal dit lastig zijn gelet op de moeizame communicatie tussen ouders. Ten aanzien van [minderjarige 1] stelt de moeder dat zij er alles aan doet om [minderjarige 1] te stimuleren om gesprekken met de hulpverlening aan te gaan. Tevens bereidt zij [minderjarige 1] hier goed op voor. Dit heeft ervoor gezorgd dat [minderjarige 1] alle geplande gesprekken met de GI is aangegaan, op één na, wat te maken had met een misgelopen contact met de vader en het abrupt eindigen van de hulp vanuit [jeugdzorginstelling] door de GI. [minderjarige 1] laat inmiddels prille vooruitgang zien. Het lukt [minderjarige 1] om met ondersteuning van [zorginstelling 1] naar het [school] te gaan. Dit wordt zeer laagdrempelig ingezet en zal na acht keer worden geëvalueerd. De eerste keren is dit goed verlopen, de laatste keer heeft [minderjarige 1] moeten overgeven door oplopende spanningen en de keer erna is zij niet gegaan. Het is belangrijk dat er een passende vorm van onderwijs gevonden wordt voor [minderjarige 1] , die rekening houdt met wat zij aankan. De kindeigen problematiek van [minderjarige 1] maakt het complex. De moeder weigert om stappen onder dwang met [minderjarige 1] te zetten, want dit komt de angststoornis van [minderjarige 1] niet ten goede en daarmee wordt [minderjarige 1] overvraagd. Gelukkig zullen de diagnostisch onderzoeken ten aanzien van beide kinderen eindelijk eerdaags starten, zodat er meer zicht komt op de problemen die zij ervaren en hun behoeften. Gelet op de zorgen die er rondom beide kinderen zijn, beseft de moeder dat het niet realistisch is om opheffing van de ondertoezichtstelling te verzoeken. Het gezin heeft de hulp die geboden wordt nodig. Zij trekt dit verzoek dan ook in. Wel handhaaft zij haar verzoek om de huidige GI te vervangen. De moeder vindt dat er in de afgelopen jaren te weinig stappen zijn gezet. De tegengestelde visies van de GI en de moeder zijn hierin niet helpend. De moeder ervaart geen enkele vorm van samenwerking en de bemiddelingsgesprekken hebben niet geleid tot verbetering. Het is in het belang van de kinderen dat er een GI komt die ook aandacht heeft voor de problematiek van de kinderen. De wachtlijstproblematiek bij een andere GI moet hiervoor geen belemmering vormen, nu de hulpverlening die is ingezet in de komende periode gewoon kan doorlopen.



4.2.
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing vindt de moeder dat er te veel van haar wordt verwacht. De GI legt hiermee (te) veel druk op de moeder. De moeder werkt mee aan de hulpverlening, doet haar uiterste best om de kinderen te stimuleren voor school en in het contact met de vader en de GI. Helaas houdt de GI geen rekening met de gezondheidsproblemen van de moeder, waardoor zij soms uitvalt en genoodzaakt is om een afspraak af te zeggen. Daarbij heeft de moeder er veel moeite mee dat de GI moet gaan toetsen of zij de aanwijzing voldoende naleeft, voor zover dit al te toetsen is. Een GI waarmee de moeder een slechte verstandhouding kent. De GI verwijt de moeder dat zij de hulpverlening niet dichtbij laat komen. Dit concludeert zij op basis van de gesprekken die de moeder heeft met de systeemtherapeut, die erg diep is ingegaan op het verleden van de moeder. Hier worden dan vervolgens onterecht allerlei patronen en voorwaarden aan gekoppeld. De moeder is dan ook van mening dat de schriftelijke aanwijzing vervallen moet worden verklaard. Daarbij verzoekt zij de rechtbank om haar geen dwangsom op te leggen ter nakoming van die aanwijzing, nu zij net boven bijstandsniveau leeft en dus beperkte financiële middelen heeft.



4.3
Tot slot vraagt de moeder aandacht voor haar contact met [minderjarige 2] . Zij woont inmiddels al een tijdje bij haar vader en de GI heeft nog altijd geen plan opgesteld voor het opstarten van een gestructureerd contact.



Standpunt van de GI





4.4.
De GI erkent dat de samenwerking met de moeder stroef verloopt, ondanks de meerdere bemiddelingsgesprekken die in de afgelopen periode zijn ingezet. De GI verwacht niet dat het overdragen van de ondertoezichtstelling naar een andere GI helpend gaat zijn. De huidige jeugdbeschermers zijn inmiddels langdurig bij het gezin betrokken, waardoor het risico bestaat dat er veel informatie verloren zal gaan en alles van voor af aan weer moet worden opgepakt. De GI ziet dat er veel systemisch aan de hand is en dat er echt wel stappen zijn gezet in de afgelopen periode. Sinds de moeder een schriftelijke aanwijzing is gegeven wordt wel meer medewerking vanuit de moeder gezien en zijn er stappen gezet in de schoolgang van [minderjarige 1] . De moeder en [minderjarige 1] betreuren dat de betrokkenheid van [jeugdzorginstelling] door de GI is beëindigd, maar volgens de GI is dit in goed overleg met [jeugdzorginstelling] gegaan. [jeugdzorginstelling] is ingezet met een bepaalde opdracht, waarbij de focus vooral op de schoolgang van [minderjarige 1] lag. De GI heeft in nauw contact met [jeugdzorginstelling] moeten concluderen dat voor [jeugdzorginstelling] het hoogst haalbare is behaald. [jeugdzorginstelling] is gespecialiseerd in autisme, maar kwam niet voldoende in gesprek met [minderjarige 1] en heeft minder kennis van systeemproblematiek. [zorginstelling 2] heeft daarentegen een goed contact met [minderjarige 1] . De hulpverlener van deze instantie lukt het wel om met [minderjarige 1] in gesprek te gaan. Het is belangrijk dat de onderwijs- en ontwikkelingsbehoefte van [minderjarige 1] in kaart wordt gebracht en dat er een advies komt voor het nieuwe schooljaar. Ten aanzien van [minderjarige 2] merkt de GI dat zij het lastig vindt om met de jeugdbeschermer in gesprek te gaan en om zaken naar de jeugdbeschermer te benoemen. [minderjarige 2] geeft aan dat het goed met haar gaat. Op school worden geen zorgsignalen gezien, ook niet dat er sprake is van pesten. [minderjarige 2] lijkt het wel zo te beleven. De GI wil de komende tijd bezien hoe het gaat en hoe het verder moet en of wellicht een andere zorgverdeling tussen ouders mogelijk is. Daarbij moet er rekening mee gehouden worden dat [minderjarige 2] klem zit tussen haar ouders en dat zij bij beiden ander gedrag laat zien. Ten aanzien van [minderjarige 1] erkent de GI dat stimulering door de moeder ten aanzien van het contact met de vader lastig te meten is. Het negatieve beeld van [minderjarige 1] ten aanzien van haar vader vindt de GI erg schrijnend. [minderjarige 1] moet de kans krijgen om dit te herstellen. Gezien wordt dat het voor moeder erg lastig is om [minderjarige 1] de emotionele toestemming te geven voor het contact met vader. Ook wordt gezien dat het de moeder niet lukt om gevolg te geven aan het gedrag van [minderjarige 1] , want opgemerkt wordt dat zodra de hulpverlening vertrekt [minderjarige 1] meteen uit haar kamer en naar beneden komt zonder dat de moeder [minderjarige 1] hierop aanspreekt. Binnen de systeemtherapie wordt gezien dat het niet lukt om met de moeder tot de kern te komen, waardoor het patroon wat zij laat zien niet doorbroken wordt. Voor nu kan het niet anders dan de mening van [minderjarige 1] ten aanzien van haar vader te respecteren door het contact met hem niet af te dwingen. De GI wil wel de ouders verantwoordelijk hiervoor gaan maken, zodat [minderjarige 1] voortaan in de luwte wordt gehouden. De GI weet niet waar het gedrag van [minderjarige 1] door veroorzaakt wordt. Het is een wereld van verschil ten opzichte van enkele jaren geleden. De GI is van mening dat de oorzaak ligt binnen het systeem en wat [minderjarige 1] hierin heeft meegemaakt. De sleutel ligt dan ook bij de ouders, zij moeten dit gedrag van [minderjarige 1] rechttrekken middels de inzet van systeemtherapie.



4.5.
De GI is van mening dat de ondertoezichtstelling ongewijzigd moet doorlopen, dat wil zeggen bij de huidige GI. De GI zal in de komende weken een visie vormen over de noodzaak om deze maatregel te verlengen. Daarnaast handhaaft de GI haar verzoek ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing en de op te leggen dwangsom. De GI hoopt met een beslissing van de rechtbank de strijd met de moeder te kunnen parkeren. Deze strijd leidt namelijk af van hetgeen gedaan moet worden om de situatie van de kinderen te verbeteren.



Standpunt van de vader





4.6.
De vader vindt het fijn dat [minderjarige 2] nu bij hem woont. Hij merkt dat zij steeds meer tot rust komt en positief verandert. De vader is inmiddels van baan veranderd om zodoende meer beschikbaar voor zijn kinderen te zijn en een betere invulling te kunnen geven aan zijn zorgtaken. Hoewel [minderjarige 2] school een hel vindt, probeert de vader haar hier toch voor te motiveren. Met school zijn inmiddels goede afspraken gemaakt voor als [minderjarige 2] het gevoel heeft gepest te worden. De vader heeft ook aandacht voor het zelfbeschadigende gedrag van [minderjarige 2] . Dit gebeurt bij oplopende spanningen, zoals met Moederdag toen zij een cadeautje voor moeder had gemaakt. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige 2] ook haar moeder ziet. Het contact met [minderjarige 1] laat hij aan [minderjarige 1] over. Hij wil namelijk niet nog meer druk op haar leggen. De vader is het niet eens met het verzoek van de moeder om de huidige GI te vervangen. Hij ervaart een goede samenwerking met deze GI. De vader deelt de visie van de Raad. Vervanging van de GI zal ertoe leiden dat alles weer van voor af aan begint en veel vertraging zal opleveren. Tevens dient de hulpverlening opnieuw te worden aangevraagd.



Advies van de Raad





4.7.
De Raad stelt vast dat het verzoek tot het opheffen van de ondertoezichtstelling is ingetrokken, waardoor een inhoudelijk advies op dit punt niet meer nodig is. Ten aanzien van het verzoek tot het vervangen van de GI concludeert de Raad dat de GI voornamelijk inzet op de systeemproblematiek, terwijl de moeder vindt dat de focus vooral moet liggen op de kindeigen problematiek. Dit verschil in visie zorgt voor de moeizame samenwerking. De Raad betwijfelt of een overdracht naar een andere GI de situatie voor de kinderen gaat verbeteren. Het risico bestaat dat het visieverschil tussen de GI en de moeder behouden blijft op het moment dat er een andere GI betrokken wordt. Daarbij komt dat er vanuit de huidige GI twee jeugdbeschermers inmiddels langdurig bij het gezin zijn betrokken. Op het moment dat de casus wordt overgedragen naar een andere GI gaat hiermee veel kennis verloren. De Raad vraagt zich daarom af of vervanging van de GI in het belang van de kinderen is, ook omdat niet bekend is of een andere GI direct kan starten.



4.8.
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing stelt de Raad vast dat er in deze aanwijzing meerdere zaken van de moeder verlangd worden die volgens de Raad moeilijk te toetsen zijn. De Raad begrijpt aan de hand van de ter zitting verkregen informatie dat in de voorgaande periode een aantal afspraken met de GI niet zijn doorgegaan, maar dat inmiddels deze afspraken wel beter verlopen. Ook heeft het lang geduurd voordat een volgend bemiddelingsgesprek heeft kunnen plaatsvinden. Om de voortgang zeker te stellen adviseert de Raad om de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. De Raad betwijfelt of het opleggen van een dwangsom aan de moeder ter nakoming van de aanwijzing passend is, want dit kan ervoor zorgen dat de samenwerking tussen de GI en de moeder nog meer onder druk komt te staan.



4.9.
Tot slot vraagt de Raad aandacht voor het contact tussen [minderjarige 1] en de vader, alsook het negatieve beeld wat zij van hem heeft. Het contact kan op dit moment niet bij [minderjarige 1] worden afgedwongen, maar er kan wel gezocht worden naar mogelijkheden waardoor [minderjarige 1] dit beeld kan gaan bijstellen.



Mening [minderjarige 1]





4.10.

Omdat [minderjarige 1] in april jl. al een gesprek met de rechter heeft gevoerd in het kader van de informele rechtsingang heeft zij dit keer ervoor gekozen om niet naar de rechtbank te komen maar om haar mening in een brief aan de rechter te schrijven. In het eerdere gesprek met de rechter heeft [minderjarige 1] verteld dat zij zich niet gehoord en gezien voelt door haar vader. Zij voelt geen oprechte interesse vanuit hem, want volgens haar volgt de vader alleen de instructies van de GI op. [minderjarige 1] wil niet gepusht worden in het contact met vader. Zij wil alleen contact wanneer zij daar aan toe is. [minderjarige 1] wil heel graag terug naar school. [jeugdzorginstelling] zou haar hierbij helpen, maar de GI heeft dit gestopt.

[minderjarige 1] schrijft vervolgens in haar brief van 28 mei 2026 dat zij voor het laatst in april 2026 contact met haar vader heeft gehad. Met ondersteuning van [zorginstelling 1] is het [minderjarige 1] gelukt om te starten op het [school] . [minderjarige 1] is hier blij mee, want hier heeft zij lang om gevraagd en dit werd steeds tegengehouden door de GI. Volgens de GI weigert [minderjarige 1] hulpverlening. Dit is niet zo. [minderjarige 1] moet er het nut van inzien. Ook schrijft [minderjarige 1] dat het inmiddels beter met haar gaat. Ze onderneemt meer, haar moeder helpt haar hierbij. Het beeld van [minderjarige 1] ten aanzien van de GI is niet veranderd. [minderjarige 1] wil het liefst dat de ondertoezichtstelling wordt beëindigd.




Mening [minderjarige 2]





4.11.

[minderjarige 2] heeft in het afzonderlijke gesprek aan de rechter verteld dat zij school verschrikkelijk vindt. Ze wordt daar uitgescholden en gepest, vooral door de jongens in haar klas. Ook op de zorgboerderij is ze uitgescholden. Daar wil ze ook niet meer naar toe. [minderjarige 2] weet niet waarom PMT is gestopt, want eigenlijk had zij hier best wel baat bij. Met de jeugdbeschermers heeft [minderjarige 2] geen klik. [minderjarige 2] woont nu volledig bij haar vader, maar wil het liefst op basis van een 50-50-regeling bij beide ouders wonen. Op de vraag van de rechter wat haar ouders moeten leren, vertelt [minderjarige 2] dat papa meer moet leren om over zijn gevoelens te praten en dat mama moet leren niet meer zo boos te doen in de ochtend.





5De beoordeling



Schriftelijke aanwijzing




5.1.
Ingevolge artikel 1:263 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak een schriftelijke aanwijzing geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder niet instemt, niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan of als dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Het tweede lid bepaalt dat de met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing opvolgt.



5.2.
Een schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader hiervan dient de kinderrechter te beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. Ook dient de schriftelijke aanwijzing het doel van de ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te worden geacht.



5.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:263 lid 3 BW kan de GI de kinderrechter verzoeken om een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tegelijkertijd kan een door de wet toegelaten dwangmiddel worden verzocht bij niet nakoming van deze aanwijzing tenzij het belang van het kind zich tegen oplegging daarvan verzet.



5.4.
Ingevolge artikel 1:264 lid 1 BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Het derde lid bepaalt dat een dergelijk verzoek binnen twee weken, met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt, moet worden ingediend.



5.5.
De kinderrechter dient dus allereerst te beoordelen of de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. Vast is komen te staan dat aan de moeder, als gezaghebbende ouder, een schriftelijke aanwijzing is gegeven op 11 februari 2026, welke kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van de Awb. Het betreft immers een schriftelijk bericht dat afkomstig is van een bestuursorgaan. In dat bericht wordt een beslissing meegedeeld die een rechtsgevolg voor de moeder teweegbrengt, namelijk dat zij dient mee te werken aan de door de GI in de schriftelijke aanwijzing genoemde punten.



5.6.
De GI heeft de moeder op 11 februari 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven en het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing is op 24 februari 2026 door de rechtbank ontvangen. Dit betekent dat het verzoek binnen de hiervoor gestelde termijn van twee weken is ingediend. De rechtbank zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoek. Ook de GI zal worden ontvangen in haar verzoek.



5.7.
In de schriftelijke aanwijzing wordt van de moeder verlangd dat zij zal meewerken aan de in de daarin opgesomde specifieke onderdelen, te weten: de inzet van [zorginstelling 1] en de systeemtherapie, het contact tussen [minderjarige 1] en de vader, de schoolgang van [minderjarige 1] en de afspraken met de GI. De GI merkt dat de moeder voor vertraging zorgt als het gaat om de afspraken met de hulpverlening en waardoor niet voldoende gewerkt kan worden aan de doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn gesteld. De GI verwacht van de moeder intrinsieke motivatie en emotionele betrokkenheid. In de onderbouwing van de schriftelijke aanwijzing staat vermeld dat de moeder zich negatief uitlaat over de vader en dat het voor de GI niet mogelijk is om de ontwikkeling en het perspectief van [minderjarige 1] zelfstandig te toetsen, aangezien het zeer lastig is gebleken om [minderjarige 1] in persoon te spreken. Door de GI wordt het onderzoek bij [zorginstelling 1] als ook de systeemtherapie essentieel geacht om de ontwikkelingsbedreigingen voor de kinderen weg te nemen en om uitvoering te geven aan de doelen die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling. Begin van dit jaar is door de GI getracht om het contact tussen [minderjarige 1] en de vader opnieuw vorm te geven. De vader heeft een laagdrempelig plan met [minderjarige 1] gedeeld, deze afspraken zijn echter niet nagekomen. [minderjarige 1] heeft een zeer negatief beeld van haar vader en staat op dit moment niet open voor contact, hetgeen een zeer zorgelijke ontwikkeling is. Tevens heeft [persoon] , de broer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zijn zorgen gedeeld met de GI over de (negatieve) invloed van de moeder op de kinderen. Deze zorgen bevestigen volgens de GI de eerdere waarnemingen en onderstrepen de noodzaak tot verandering.



5.8.

De rechtbank concludeert uit de onderbouwing van de schriftelijke aanwijzing dat de GI met het geven van een schriftelijke aanwijzing vooral een andere grondhouding c.q. opstelling van de moeder tracht te bewerkstelligen. Gezien het zeer moeizame verloop van de ondertoezichtstelling in het afgelopen jaar waarbij de GI onvoldoende stappen heeft kunnen zetten in het belang van de ontwikkeling van de kinderen, kan de rechtbank dit uitgangspunt van de GI wel volgen, maar acht daarentegen de schriftelijke aanwijzing niet op alle daarin genoemde onderdelen het geëigende middel om dit doel te bereiken. Naar het oordeel van de rechtbank is de schriftelijke aanwijzing op diverse punten namelijk onvoldoende doelmatig en niet toetsbaar. Hoewel de GI vindt dat de moeder meer intrinsieke motivatie moet laten zien, zich meer moet openstellen naar de hulpverlening en de kinderen meer moet stimuleren, zegt de moeder binnen haar mogelijkheden er alles eraan te doen om de situatie van de kinderen te verbeteren en daarbij de kinderen wel degelijk te stimuleren in de stappen die in hun belang worden geacht. De inspanningsverplichting die de moeder wordt opgelegd en de mate waarin de moeder aan deze verplichting voldoet, kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd en is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet feitelijk verifieerbaar en toetsbaar.
Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit de volgende punten van de schriftelijke aanwijzing:



U bent bereid om deel te nemen aan de therapie(sessies);


U stelt zich open en constructief op tijdens het traject;


U stimuleert [minderjarige 1] neutraal tot positief om contact aan te gaan met haar vader;


U zet zich in om stap voor stap toe te werken naar onderwijsdeelname.


De rechtbank zal de schriftelijke aanwijzing op deze punten dan ook vervallen verklaren.


Nu de GI tijdens de zitting heeft aangegeven dat de GI (net als de vader, de moeder en de Raad), vindt dat [minderjarige 1] gestimuleerd maar niet gedwongen moet worden tot contact met de vader, is het de vraag wat bedoeld wordt met de aanwijzing:

- U werkt mee aan afspraken die worden gemaakt om het contact tussen [minderjarige 1] en vader op een veilige en passende manier vorm te geven.
Gelet op deze onduidelijkheid zal de rechtbank de aanwijzing ook op dit onderdeel vervallen verklaren.


De rechtbank stelt vast dat de volgende punten reeds zijn komen te vervallen:



U zorgt ervoor dat [minderjarige 1] naar de afspraken gaat zoals hierboven weergegeven (zie schema pagina 3 en 4: op 11 februari, 22 februari, 4 maart en 11 maart 2026;


U ondersteunt het contact rondom [minderjarige 1] haar verjaardag actief en frustreert niet.




De overige punten van de schriftelijke aanwijzing zijn naar het oordeel van de rechtbank wel doelmatig en ook voldoende gemotiveerd. Deze zullen bekrachtigd worden met als doel om een positieve verandering in de houding van de moeder te bewerkstelligen en de situatie in het belang van de kinderen te kunnen doorbreken. De rechtbank zal afzien van het opleggen van een dwangsom aan de moeder. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat dit de verstandhouding tussen de GI en de moeder nog meer onder druk zal zetten. De rechtbank gaat er daarbij wel vanuit dat de moeder gevolg zal geven aan de onderdelen in de schriftelijke aanwijzing die bekrachtigd zijn.





Opheffing ondertoezichtstelling/vervanging GI





5.9.
De rechtbank stelt vast dat de moeder haar verzoek tot het opheffen van de ondertoezichtstelling niet langer handhaaft. Dit verzoek heeft zij ter zitting ingetrokken en zal dan ook door de rechtbank worden afgewezen. Dit maakt dat nog ter beoordeling voorligt het subsidiaire verzoek van de moeder om op grond van artikel 1:259 BW de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, te vervangen door een andere gecertificeerde instelling. De kinderrechter kan dit onder meer doen op verzoek van een met het gezag belaste ouder wanneer de verhoudingen tussen de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert en de betrokkenen dermate slecht zijn dat het belang van het kind vereist dat een andere gecertificeerde instelling met het toezicht wordt belast.



5.10.
De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek moet worden afgewezen. Hoewel de rechtbank constateert dat het abrupt stoppen van betrokkenheid van [jeugdzorginstelling] en het geven van de schriftelijke aanwijzing het vertrouwen van de moeder in de GI heeft geschaad, verwacht de rechtbank niet dat het overdragen van de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan een andere GI de situatie, zoals beschreven in de voorgaande overwegingen, zal doorbreken en oplossen. Zolang de moeder haar houding niet verandert, lukt het onvoldoende om de problemen die binnen het gezin ervaren worden op te lossen en wordt het patroon waarbij de wensen van de kinderen leidend zijn en de moeder zich terugtrekt bij druk en spanning niet doorbroken. Het risico bestaat dan ook dat het visieverschil tussen de GI en de moeder behouden blijft op het moment dat er een andere GI betrokken wordt. Daarnaast zijn de huidige jeugdbeschermers langdurig betrokken bij het gezin. Bij een overdracht zal hun kennis omtrent het gezinssysteem verloren gaan, wat tevens zal leiden tot vertraging, aangezien de nieuwe GI eerst het gezin zal moeten leren kennen en zich zal moeten inlezen in het dossier. Daarbij wordt betwijfeld of een nieuwe GI per direct kan aanvangen. De rechtbank acht dit alles niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en zal daarom het verzoek van de moeder om de huidige GI te vervangen afwijzen.



Informele rechtsingang [minderjarige 1]





5.11
Ingevolge artikel 1:253a juncto artikel 1:377g BW kan de kinderrechter, indien blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven ter zake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.



5.12

[minderjarige 1] heeft op 24 maart 2026 een brief aan de kinderrechter geschreven, waarin zij kort samengevat aangeeft dat zij zich niet begrepen voelt door haar vader en dat zij niet langer gedwongen wil worden om naar haar vader te gaan. Zij wil dit zelf kunnen beslissen wanneer zij daar aan toe is. Daarnaast wil zij dat de ondertoezichtstelling wordt beëindigd. [minderjarige 1] voelt zich ook door de jeugdbeschermer niet begrepen en heeft het gevoel dat de ondertoezichtstelling voor haar niet helpend is. De kinderrechter heeft hierover op 14 april 2026 met [minderjarige 1] gesproken en naar aanleiding hiervan haar op 26 mei 2026 een brief geschreven, waarin de kinderrechter uitlegt dat zij geen beslissing kan nemen ten aanzien van de vraag van [minderjarige 1] om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Zo’n verzoek mag een kind volgens de wet namelijk niet doen. De kinderrechter heeft in haar brief wel aangekondigd dat zij met de ouders en de jeugdbeschermer zal gaan praten over het contact van [minderjarige 1] met haar vader. Voorafgaand aan dit gesprek heeft de kinderrechter opnieuw een brief van [minderjarige 1] ontvangen.



5.13
De rechtbank stelt vast dat bij beschikking van 3 december 2024 ten aanzien van [minderjarige 1] de zorgregeling in handen van de GI is gelegd. Op basis van deze zorgregeling is het aan de jeugdbeschermer om het contact tussen [minderjarige 1] en de vader vorm te geven. De ouders zijn het erover eens - net als ten tijde van de beslissing in 2024 - dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is om het contact met de vader af te dwingen. De vader heeft dit ook expliciet bevestigd tijdens de zitting van 1 juni 2026 en daarbij aangegeven het (al dan niet aangaan van) contact aan [minderjarige 1] over te laten. De zorgregeling uit 2024, die nog steeds van kracht is, sluit dus aan bij de wens van [minderjarige 1] en behoeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen wijziging. De rechtbank neemt daarom geen ambtshalve beslissing op de (aan)vraag van [minderjarige 1] , waarmee deze procedure zal eindigen. De rechtbank merkt daarbij nog het navolgende op. Het is belangrijk voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige 1] dat zij op termijn enige vorm van een betekenisvol contact met haar vader kan hebben en dat zij een eigen (positief) vaderbeeld kan ontwikkelen. De rechtbank gunt [minderjarige 1] daarom een positief contact met haar vader. Van de GI wordt dan ook verwacht dat zij oog houdt voor de ruimte die [minderjarige 1] hiervoor ervaart en wellicht verder gaat ervaren in de toekomst en hiernaar zal handelen.



5.14
Omdat deze beslissing bij uitstek [minderjarige 1] zelf raakt, en omdat zij daarover middels een brief een verzoek bij de kinderrechter heeft gedaan, vindt de rechtbank het belangrijk dat [minderjarige 1] zelf ook een terugkoppeling krijgt van de beslissing van de rechtbank. Daarom zal in een aparte brief aan [minderjarige 1] worden uitgelegd wat de beslissing is. De rechtbank vindt het belangrijk dat beide ouders op de hoogte zijn van de inhoud van de brief. Daarom wordt hieronder de tekst van de brief weergegeven:



“Beste [minderjarige 1] ,





Op 26 maart 2026 heb je de rechter een brief gestuurd. In die brief vraag jij of de rechter de ondertoezichtstelling wil beëindigen en leg je uit dat je niet gedwongen wil worden in het contact met je vader. Op 14 april 2026 heb jij gepraat met de rechter over die brief. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de rechter jou een brief gestuurd waarin uitgelegd wordt dat zij niet kan beslissen op jouw verzoek om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Een kind mag dit namelijk volgens de wet niet vragen.





De rechter heeft toen ook aangegeven dat zij met jouw ouders en de jeugdbeschermer zou gaan praten over jouw vraag over het contact met je vader. Dit gesprek is inmiddels geweest. De rechter heeft ook jouw nieuwe brief nog gelezen, waarin jij vertelt hoe het met je gaat.





Je ouders hebben mij allebei verteld dat het contact van jou met je vader niet afgedwongen moet worden. Je vader laat dit aan jou over. De rechter is het met je ouders eens dat jij je niet gedwongen moet voelen in het contact met je vader. De rechter wil hierbij wel aangeven dat zij jou het contact met je vader gunt. Dit is namelijk belangrijk voor jouw toekomst en verdere ontwikkeling. De rechter hoopt dan ook dat dit contact op een later moment wordt hersteld, wanneer jij daar aan toe bent. De jeugdbeschermer kan jou en je vader daarbij helpen.





Omdat iedereen het hierover eens is en dit ook is wat jij wil, en omdat dit formeel ook al zo is vastgelegd, zal de rechter verder niets meer doen met jouw vraag. Formeel heet dat de procedure afsluiten.





Ik hoop dat ik het duidelijk aan je heb uitgelegd. Als je nog vragen hebt, mag je altijd opnieuw een brief of een e-mail sturen.





Met vriendelijke groet, namens de rechter mr. Van de Merbel,


de griffier.”





Overig





5.15
Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing, welke de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.





6De beslissing


De rechtbank:




C/02/445634 / JE RK 26-360 en C/02/445765 / JE RK 26-390




6.1.

bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 11 februari 2026 voor zover deze ziet op de volgende punten:

Inzet [zorginstelling 1] & inzet Systeemtherapie:

U werkt mee aan [zorginstelling 1] . Daaronder wordt verstaan:



U laat [zorginstelling 1] toe in uw thuissituatie;


U onderneemt iets binnenshuis of buitenshuis met [minderjarige 1] en;


U werkt mee aan systeemtherapie. Daaronder wordt verstaan:


U bent aanwezig bij geplande afspraken;


U houdt zich aan de afspraken die binnen de systeemtherapie worden gemaakt.





Contact tussen [minderjarige 1] en haar vader

U werkt mee aan contactmomenten tussen [minderjarige 1] en vader. Daaronder wordt verstaan:

- U onthoudt zich van negatieve uitlatingen over vader in het bijzijn van de kinderen;



Schoolgang [minderjarige 1]

U stimuleert [minderjarige 1] tot het hervatten van haar schoolgang. Daaronder wordt verstaan:



U volgt het advies van het samenwerkingsverband passend onderwijs op;


U bent aanwezig bij de geplande gesprekken;


U werkt mee aan de afspraken die in het kader van het onderwijstraject gemaakt zijn;





Afspraken Jeugdbescherming west:




U blijft in gesprek blijft met JBw, ook wanneer Jeugdstem niet aanwezig kan zijn; het staat u vrij om iemand anders mee te nemen naar het gesprek;


U vertraagt het hulpverleningsproces niet door de agenda van Jeugdstem leidend te laten zijn;


U werkt mee aan contact tussen [minderjarige 1] en JBw, zodat de doelen van het hulpverlenings-traject voortgang kunnen blijven vinden.





6.2.
verklaart de schriftelijke aanwijzing van 11 februari 2026 ten aanzien van de navolgende punten vervallen;


U bent bereid om deel te nemen aan de therapie(sessies);


U stelt zich open en constructief op tijdens het traject;


U zorgt ervoor dat [minderjarige 1] naar de afspraken gaat zoals hierboven weergegeven (zie schema pagina 3 en 4; op 11 februari, 22 februari, 4 maart en 11 maart 2026);


U stimuleert [minderjarige 1] neutraal tot positief om contact aan te gaan met haar vader;


U ondersteunt het contact rondom [minderjarige 1] haar verjaardag actief en frustreert niet;


U werkt mee aan afspraken die worden gemaakt om het contact tussen [minderjarige 1] en vader op een veilige en passende manier vorm te geven;


U zet zich in om stap voor stap toe te werken naar onderwijsdeelname;





6.3.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



6.4.
wijst het meer of anders verzochte af;



C/02/447052 / JE RK 26-641





6.5.
wijst af de verzoeken tot opheffing van de ondertoezichtstelling en tot vervanging van de GI;



C/02/446586 / FA RK 26-1631





6.6
neemt geen ambtshalve beslissing op de (aan)vraag van [minderjarige 1] .









Deze beschikking is gegeven door mr. Haesen, voorzitter tevens kinderrechter, mr. Voorn en mr. Van de Merbel, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026, in aanwezigheid van de griffier.












































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:


degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.