Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6644
2026-06-19
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448559 / JE RK 26-911
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling. Verstoorde verstandhouding ouders. De minderjarige klem zit. Hulpverlening pas net gestart. Kwalijk dat er beperkt uitvoering is gegeven aan de ondertoezichtstelling vanwege het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.049 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448559 / JE RK 26-911
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.W. Weehuizen uit ‘s-Hertogenbosch,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A.C.M. den Ridder-van der Meijden uit Raamsdonksveer.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026;
het bericht van de GI van 29 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 3 juli 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 juli 2025 en tot 3 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. De GI vindt het ernstig dat [minderjarige] zoveel moeite heeft met het schakelen tussen de ouders, loyaliteitsproblematiek laat zien en geen expliciete toestemming krijgt van de moeder om bij de vader te mogen zijn. Dit is zorgelijk voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] en zal op de lange termijn problemen veroorzaken. De verlenging van de ondertoezichtstelling is daarom nog noodzakelijk. De komende periode wenst de GI met de inzet van hulpverlening te werken aan het vormgeven van een ouderschapstraject, het opgang brengen van een vorm van communicatie tussen de ouders, de inzet van opvoedondersteuning voor beide ouders en het bieden van psycho-educatie aan de ouders, zodat zij leren om [minderjarige] niet langer met de scheiding te belasten. Dit wordt ingezet vanuit [begeleiding] (hierna: [begeleiding] ). De eerder ingezette hulpverlening in het vrijwillig kader heeft niet tot verbetering geleid. Ook de wens van de vader om te komen tot uitbreiding van het contact tussen hem en [minderjarige] zal worden bekeken. De GI kan daarbij niet toezeggen dat de omgang daadwerkelijk zal worden uitgebreid. De GI zal ook de problemen die de man ervaart met de wettelijke informatieplicht vanuit de moeder meenemen. De GI erkent dat het een structureel probleem is om tijdig een vaste jeugdbeschermer aan een gezin toe te wijzen. Deze zaak heeft geen hoge prioritering gekregen binnen de triage van de GI en heeft daarom helaas lang moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer.
4.2.
Namens de moeder is ingestemd met het verzoek van de GI. Zij verzet zich niet tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder erkent dat er zorgen zijn over [minderjarige] . De communicatie tussen de ouders verloopt niet goed en moet worden verbeterd. De moeder benadrukt daarbij dat het de ouders tot op heden niet voldoende is gelukt om er samen uit te komen. De oorzaak van de problematiek is niet enkel bij de moeder gelegen. De moeder ervaart dezelfde problemen als de vader. In dat kader is het jammer dat de GI niet eerder actie heeft ondernomen. De afgelopen periode is er vanuit de GI te weinig gebeurd. De geformuleerde doelen zijn begrijpelijk. De moeder staat echter niet te popelen om naar uitbreiding van het contact tussen de man en [minderjarige] te streden. Het vastleggen van de huidige regeling is niet makkelijk gegaan en daarover is lang geprocedeerd. Het is dan ook niet duidelijk wat er sinds de beschikking gewijzigd zou zijn, behoudens de wens van de vader.
4.3.
Door en namens de vader is eveneens ingestemd met het verzoek van de GI. De vader staat achter de verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader heeft baat bij de ondertoezichtstelling. Er zal nog veel moeten veranderen en afspraken moeten verder worden geconcretiseerd. Het lukt de vader niet om samen met de moeder afspraken te maken en de ouders hebben hulp nodig. De voorstellen die de vader doet worden door de moeder pertinent afgewezen en de moeder komt niet met tegenvoorstellen. De vader heeft dan de GI nodig om knopen door te hakken. De vader loopt er daarnaast ook tegenaan dat het delen van de informatie niet goed verloopt, omdat de communicatie met de moeder slecht en minimaal is. Het is daarbij niet helemaal terecht dat de verwijten ook richting de vader worden geuit. De vader heeft vanaf dag 1 opengestaan voor hulpverlening en zijn medewerking daaraan verleend. Het grootste probleem is dat de moeder nog altijd weinig emotionele toestemming geeft voor het contact tussen [minderjarige] en de vader.
De vader acht het wenselijk dat ook de uitbreiding van het contact als concreet doel binnen de ondertoezichtstelling wordt opgenomen. De eerdere beschikking biedt daarvoor ruimte, omdat de regie daarvoor bij de GI is belegd. De vader maakt zich er zorgen over dat door de moeder rigide wordt omgegaan met de beschikking. In de beschikking is opgenomen dat de vader [minderjarige] moet ophalen. Wanneer de vader een keer niet op tijd kan ophalen en om die reden de grootmoeder vraagt om [minderjarige] op te halen, leidt dit tot problemen met de moeder. Ook voor de vader is het vervelend dat het zolang heeft geduurd voordat de GI kon starten.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.
5.2.
Op grond van artikel 1:255 eerste lid BW kan de kinderechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.4.
[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De kinderrechter maakt zich nog altijd zorgen over de opvoedomgeving van [minderjarige] . De onderlinge verstandhouding tussen de ouders is ernstig verstoord. Het lukt de ouders niet om in het belang van [minderjarige] op een constructieve manier met elkaar te communiceren en het ouderlijk gezag over [minderjarige] gezamenlijk vorm te geven. Als gevolg van de verstoorde verstandhouding tussen de ouders zit [minderjarige] nog altijd klem tussen de ouders. Daarnaast ervaart de moeder nog altijd weerstand ten aanzien van het contact tussen [minderjarige] en de vader. [minderjarige] kan daardoor onvoldoende onbelast contact onderhouden met zijn beide ouders. [minderjarige] zelf toont in zijn gedrag dat hij zich bewust is van het feit dat zijn vader en zijn moeder niet met elkaar overweg kunnen en heeft moeite met het schakelen tussen de verschillende opvoedomgevingen van de ouders. Dit baart de kinderrechter grote zorgen.
5.5.
De kinderrechter ziet dat de ouders vooralsnog onvoldoende in staat zijn om onder eigen verantwoordelijkheid de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De ouders hebben hulpverlening nodig om verbeteringen te bewerkstelligen, deze vast te houden en te zorgen voor een duurzame oplossing voor de minderjarige. Het lukt de ouders nog niet om samen afspraken te maken. De benodigde hulpverlening is binnen de ondertoezichtstelling pas recent opgestart en bevindt zich daardoor nog in de kennismakingsfase. De kinderrechter vindt het dan ook in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat ook de komende periode hulp en regie in een gedwongen kader betrokken blijft, zodat met behulp van het traject bij [begeleiding] de nodige eerste stappen kunnen worden gezet. Het stemt de kinderrechter in dat kader positief dat zowel de moeder als de vader de noodzaak van de ondertoezichtstelling en de inzet van hulpverlening inziet.
5.6.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het – onweersproken – verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de verzochte duur van een jaar. De komende periode vindt de kinderrechter het belangrijk dat met inzet van hulpverlening vanuit [begeleiding] wordt gewerkt aan het vormgeven van het ouderschapstraject, het op gang brengen van de oudercommunicatie, het inzetten van opvoedondersteuning én het bieden van psycho-educatie aan beide ouders. Daarnaast zal worden onderzocht of er een mogelijkheid bestaat tot het uitbreiden van het contact tussen [minderjarige] en de vader.
5.7.
Hoewel de kinderrechter begrip heeft voor de moeilijke omstandigheden bij de GI, vindt de kinderrechter het zeer kwalijk dat de betrokkenheid van een vaste jeugdbeschermer in deze zaak dusdanig lang op zich heeft laten wachten. Eind maart 2026 is er voor het eerst een vaste jeugdbeschermer bij het gezin betrokken geraakt, terwijl [minderjarige] al op 3 juli 2025 onder toezicht is gesteld. In de tussenliggende periode is niet of nauwelijks uitvoering gegeven aan de ondertoezichtstelling. Ondanks de tekorten binnen de GI, mag het niet zo zijn dat niet wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen van de GI. Nu er inmiddels wel een vaste jeugdbeschermer bij het gezin is betrokken, gaat de kinderrechter er vanuit dat de ondertoezichtstelling met de nodige voortvarendheid zal worden uitgevoerd.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 3 juli 2026 en tot 3 juli 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 3 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448559 / JE RK 26-911
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.W. Weehuizen uit ‘s-Hertogenbosch,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A.C.M. den Ridder-van der Meijden uit Raamsdonksveer.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026;
het bericht van de GI van 29 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 3 juli 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 juli 2025 en tot 3 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. De GI vindt het ernstig dat [minderjarige] zoveel moeite heeft met het schakelen tussen de ouders, loyaliteitsproblematiek laat zien en geen expliciete toestemming krijgt van de moeder om bij de vader te mogen zijn. Dit is zorgelijk voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] en zal op de lange termijn problemen veroorzaken. De verlenging van de ondertoezichtstelling is daarom nog noodzakelijk. De komende periode wenst de GI met de inzet van hulpverlening te werken aan het vormgeven van een ouderschapstraject, het opgang brengen van een vorm van communicatie tussen de ouders, de inzet van opvoedondersteuning voor beide ouders en het bieden van psycho-educatie aan de ouders, zodat zij leren om [minderjarige] niet langer met de scheiding te belasten. Dit wordt ingezet vanuit [begeleiding] (hierna: [begeleiding] ). De eerder ingezette hulpverlening in het vrijwillig kader heeft niet tot verbetering geleid. Ook de wens van de vader om te komen tot uitbreiding van het contact tussen hem en [minderjarige] zal worden bekeken. De GI kan daarbij niet toezeggen dat de omgang daadwerkelijk zal worden uitgebreid. De GI zal ook de problemen die de man ervaart met de wettelijke informatieplicht vanuit de moeder meenemen. De GI erkent dat het een structureel probleem is om tijdig een vaste jeugdbeschermer aan een gezin toe te wijzen. Deze zaak heeft geen hoge prioritering gekregen binnen de triage van de GI en heeft daarom helaas lang moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer.
4.2.
Namens de moeder is ingestemd met het verzoek van de GI. Zij verzet zich niet tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder erkent dat er zorgen zijn over [minderjarige] . De communicatie tussen de ouders verloopt niet goed en moet worden verbeterd. De moeder benadrukt daarbij dat het de ouders tot op heden niet voldoende is gelukt om er samen uit te komen. De oorzaak van de problematiek is niet enkel bij de moeder gelegen. De moeder ervaart dezelfde problemen als de vader. In dat kader is het jammer dat de GI niet eerder actie heeft ondernomen. De afgelopen periode is er vanuit de GI te weinig gebeurd. De geformuleerde doelen zijn begrijpelijk. De moeder staat echter niet te popelen om naar uitbreiding van het contact tussen de man en [minderjarige] te streden. Het vastleggen van de huidige regeling is niet makkelijk gegaan en daarover is lang geprocedeerd. Het is dan ook niet duidelijk wat er sinds de beschikking gewijzigd zou zijn, behoudens de wens van de vader.
4.3.
Door en namens de vader is eveneens ingestemd met het verzoek van de GI. De vader staat achter de verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader heeft baat bij de ondertoezichtstelling. Er zal nog veel moeten veranderen en afspraken moeten verder worden geconcretiseerd. Het lukt de vader niet om samen met de moeder afspraken te maken en de ouders hebben hulp nodig. De voorstellen die de vader doet worden door de moeder pertinent afgewezen en de moeder komt niet met tegenvoorstellen. De vader heeft dan de GI nodig om knopen door te hakken. De vader loopt er daarnaast ook tegenaan dat het delen van de informatie niet goed verloopt, omdat de communicatie met de moeder slecht en minimaal is. Het is daarbij niet helemaal terecht dat de verwijten ook richting de vader worden geuit. De vader heeft vanaf dag 1 opengestaan voor hulpverlening en zijn medewerking daaraan verleend. Het grootste probleem is dat de moeder nog altijd weinig emotionele toestemming geeft voor het contact tussen [minderjarige] en de vader.
De vader acht het wenselijk dat ook de uitbreiding van het contact als concreet doel binnen de ondertoezichtstelling wordt opgenomen. De eerdere beschikking biedt daarvoor ruimte, omdat de regie daarvoor bij de GI is belegd. De vader maakt zich er zorgen over dat door de moeder rigide wordt omgegaan met de beschikking. In de beschikking is opgenomen dat de vader [minderjarige] moet ophalen. Wanneer de vader een keer niet op tijd kan ophalen en om die reden de grootmoeder vraagt om [minderjarige] op te halen, leidt dit tot problemen met de moeder. Ook voor de vader is het vervelend dat het zolang heeft geduurd voordat de GI kon starten.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.
5.2.
Op grond van artikel 1:255 eerste lid BW kan de kinderechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.4.
[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De kinderrechter maakt zich nog altijd zorgen over de opvoedomgeving van [minderjarige] . De onderlinge verstandhouding tussen de ouders is ernstig verstoord. Het lukt de ouders niet om in het belang van [minderjarige] op een constructieve manier met elkaar te communiceren en het ouderlijk gezag over [minderjarige] gezamenlijk vorm te geven. Als gevolg van de verstoorde verstandhouding tussen de ouders zit [minderjarige] nog altijd klem tussen de ouders. Daarnaast ervaart de moeder nog altijd weerstand ten aanzien van het contact tussen [minderjarige] en de vader. [minderjarige] kan daardoor onvoldoende onbelast contact onderhouden met zijn beide ouders. [minderjarige] zelf toont in zijn gedrag dat hij zich bewust is van het feit dat zijn vader en zijn moeder niet met elkaar overweg kunnen en heeft moeite met het schakelen tussen de verschillende opvoedomgevingen van de ouders. Dit baart de kinderrechter grote zorgen.
5.5.
De kinderrechter ziet dat de ouders vooralsnog onvoldoende in staat zijn om onder eigen verantwoordelijkheid de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De ouders hebben hulpverlening nodig om verbeteringen te bewerkstelligen, deze vast te houden en te zorgen voor een duurzame oplossing voor de minderjarige. Het lukt de ouders nog niet om samen afspraken te maken. De benodigde hulpverlening is binnen de ondertoezichtstelling pas recent opgestart en bevindt zich daardoor nog in de kennismakingsfase. De kinderrechter vindt het dan ook in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat ook de komende periode hulp en regie in een gedwongen kader betrokken blijft, zodat met behulp van het traject bij [begeleiding] de nodige eerste stappen kunnen worden gezet. Het stemt de kinderrechter in dat kader positief dat zowel de moeder als de vader de noodzaak van de ondertoezichtstelling en de inzet van hulpverlening inziet.
5.6.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het – onweersproken – verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de verzochte duur van een jaar. De komende periode vindt de kinderrechter het belangrijk dat met inzet van hulpverlening vanuit [begeleiding] wordt gewerkt aan het vormgeven van het ouderschapstraject, het op gang brengen van de oudercommunicatie, het inzetten van opvoedondersteuning én het bieden van psycho-educatie aan beide ouders. Daarnaast zal worden onderzocht of er een mogelijkheid bestaat tot het uitbreiden van het contact tussen [minderjarige] en de vader.
5.7.
Hoewel de kinderrechter begrip heeft voor de moeilijke omstandigheden bij de GI, vindt de kinderrechter het zeer kwalijk dat de betrokkenheid van een vaste jeugdbeschermer in deze zaak dusdanig lang op zich heeft laten wachten. Eind maart 2026 is er voor het eerst een vaste jeugdbeschermer bij het gezin betrokken geraakt, terwijl [minderjarige] al op 3 juli 2025 onder toezicht is gesteld. In de tussenliggende periode is niet of nauwelijks uitvoering gegeven aan de ondertoezichtstelling. Ondanks de tekorten binnen de GI, mag het niet zo zijn dat niet wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen van de GI. Nu er inmiddels wel een vaste jeugdbeschermer bij het gezin is betrokken, gaat de kinderrechter er vanuit dat de ondertoezichtstelling met de nodige voortvarendheid zal worden uitgevoerd.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 3 juli 2026 en tot 3 juli 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 3 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.