Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6641

2026-06-19 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447318 / JE RK 26-675
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-19
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447318 / JE RK 26-675
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervanging GI toegewezen vanwege ernstig verstoorde verhoudhouding. Inmiddels is een onwerkbare situatie ontstaan. Vervanging GI is de enige en beste weg om een nieuwe start te maken.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.597 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/447318 / JE RK 26-675
Datum uitspraak: 23 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over de vervanging van de gecertificeerde instelling




in de zaak van



de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R. van Gils-Lessy uit Tilburg.



De kinderrechter merkt als informant aan:



de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.






1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 april 2026;


de op 3 juni 2026 namens de moeder ingediende stukken.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:


de advocaat van de moeder;


twee vertegenwoordigsters van de GI;


twee vertegenwoordigsters van de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.


De moeder was niet aanwezig. Dit heeft zij vooraf via haar advocaat laten weten.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. [minderjarige 2] heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 september 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 11 september 2026.



2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 september 2025 een machtiging verleend om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 11 september 2026.



2.4.

[minderjarige 1] is op 12 december 2025 door middel van een spoedmachtiging uit huis geplaatst. De machtiging werd afgegeven voor de duur van twee weken. Bij beschikking van 1 8 december 2025 is de beschikking van 12 december 2025 herroepen en is het (resterende)verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] met ingang van 18 december 2025 afgewezen. [minderjarige 1] woont op dit moment weer bij de moeder.



2.5.
De beschikking van de kinderrechter van 11 september 2025 is bij beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 12 maart 2026 bekrachtigd.



2.6.

[minderjarige 2] verblijft op basis van de hiervoor genoemde machtiging bij [accommodatie] .





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de kinderrechter om haar als GI die de ondertoezichtstelling uitvoert te vervangen door de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.

De GI handhaaft het verzoek. De reden van het verzoek van de GI is vooral gelegen in de onmogelijkheid om met de moeder samen te werken. De communicatie verloopt erg moeizaam en lukt niet om tot afspraken met de moeder te komen, zoals het opstellen van een gezinsplan of plan van aanpak. Gezien de ernstig verstoorde verhouding tussen de moeder en de GI, zijn de maatregelen van ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing niet langer uitvoerbaar voor de GI. Voor de GI is het hoogst haalbare bereikt; er kunnen geen stappen meer gezet worden. Er zit bij de moeder te veel weerstand. De GI hoopt dat met een wisseling van GI het ‘verleden’ dat de moeder met de huidige GI heeft kan worden afgesloten en dat kan worden gekeken naar wat echt nodig is voor de kinderen. Er moet zicht komen op de ontwikkeling van beide kinderen en op wat [minderjarige 2] nodig heeft om naar school te gaan. De GI hoopt vooral voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de moeder met een andere GI wel de samenwerking wil aangaan, zodat er op die manier aan de doelen van de ondertoezichtstelling gewerkt kan gaan worden.
Over [minderjarige 2] wil de GI nog opmerken dat er een week geleden een Civiel Trajectberaad heeft plaatsgevonden. [minderjarige 2] is inmiddels aangemeld voor open groep Pegasus van Almata. Hij mag op intake komen en zou wellicht in juli 2026 al kunnen verhuizen.




4.2.

Door de moeder is voorafgaand aan de zitting schriftelijk haar standpunt kenbaar gemaakt. Hieruit volgt dat de moeder grote zorgen heeft over de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen. Haar zorgen beperken zich niet meer tot specifieke medewerkers of de huidige GI, maar tot de uitvoering van het systeem als geheel. Gedurende het traject heeft de moeder te maken gehad met meerdere betrokken instanties, hulpverleners, overlegstructuren, klachtenprocedures en besluitvormingsprocessen. Ondanks deze omvangrijke inzet ziet de moeder onvoldoende verbetering in de situatie van [minderjarige 2] en onvoldoende resultaat van de opgelegde maatregelen. Haar zorgen rondom schoolgang, dagbesteding, toezicht, bereikbaarheid, vervoer, naleving van afspraken en praktische begeleiding zijn blijven bestaan.
Dat de GI nu zelf vraagt om vervanging van de GI, is volgens de moeder veelzeggend. Dit versterkt de overtuiging van de moeder dat de kinderrechter niet alleen dient te kijken naar de vraag welke GI de maatregel moet uitvoeren, maar ook naar de vraag of de maatregelen zelf nog het gewenste doel dienen. De moeder heeft er geen vertrouwen meer in dat een wijziging van de GI tot een wezenlijke verbetering zal leiden. Volgens de moeder ligt het probleem niet uitsluitend bij de huidige uitvoerende GI, maar in de wijze waarop het hele systeem in deze zaak heeft gefunctioneerd. Zij vraagt de kinderrechter dan ook om te beoordelen of de ondertoezichtstelling van beide kinderen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] nog noodzakelijk zijn.
Namens de moeder is door haar advocaat ter zitting hieraan nog toegevoegd dat de moeder het heel jammer vindt hoe alles is verlopen. De moeder heeft er geen vertrouwen meer in, niet in deze GI maar eigenlijk in het hele systeem niet. Zij is van mening dat het vóór uitspreken van de ondertoezichtstelling veel beter met de kinderen ging dan nu. De moeder noemt als voorbeeld de situatie van [minderjarige 2] . Zij maakt zich ernstige zorgen over [minderjarige 2] omdat het niet goed met hem gaat. Hij gaat al vanaf januari niet meer naar school, wil niet werken en ook niet meedoen aan dagbesteding. Omdat [minderjarige 2] uit huis is geplaatst, heeft de moeder weinig grip op hem. Het enige wat [minderjarige 2] wil, is reizen door Nederland, ofwel per fiets of met de trein. De moeder wil juist dat hij een zinvolle dagbesteding heeft. Omdat zij het reizen van [minderjarige 2] door heel Nederland niet in stand wil houden, heeft zij zijn OV-kaart geblokkeerd. Het gevolg is dat [minderjarige 2] is gaan zwartrijden, met torenhoge boetes tot gevolg. Ook heeft hij met de fiets op de snelweg gereden. Verder heeft hij een winkelcentrumverbod in Middelburg en een winkelverbod voor de Action gekregen. Kortom, de moeder maakt zich zorgen. De moeder vindt het heel jammer dat er vanuit de GI niets wordt gedaan en er niet meer druk op [minderjarige 2] wordt uitgeoefend.
Ten aanzien van de verzochte vervanging van de GI refereert de moeder zich uiteindelijk aan het oordeel van de kinderrechter. De moeder heeft er weinig vertrouwen in dat de situatie zal verbeteren. Wel vindt ze het belangrijk dat als er een wijziging van GI moet plaatsvinden, dit niet alleen een administratieve wijziging van GI is. Op dit moment is er geen vast en duidelijk aanspreekpunt. De moeder moet e-mailen naar een instroompunt. Het klopt verder dat de moeder niet altijd bij fysieke afspraken is. Zij wil dat er vooraf een concreet plan ligt; een agenda, wie er aanwezig zullen zijn en wat het doel van het gesprek is. Daarnaast vindt ze het belangrijk dat de GI regie gaat voeren op het volgen van onderwijs door [minderjarige 2] . De moeder wil dat [minderjarige 2] op [accommodatie] blijft. Verder wil ze dat de situatie van [minderjarige 1] zelfstandig wordt beoordeeld, omdat die nu vooral wordt vergeleken met die van [minderjarige 2] .




4.3.
Door Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering is ter zitting aangegeven dat er twee jeugdbeschermers direct beschikbaar zijn als het verzoek tot vervanging van de GI wordt toegewezen.



4.4.

[minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat hij niet goed wist waar het gesprek over zou gaan. Hij dacht dat het over een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing ging. [minderjarige 2] had voor zichzelf genoteerd dat hij graag wilde zeggen dat hij het belangrijk vindt dat de machtiging tot uithuisplaatsing met een jaar zou worden verlengd. [minderjarige 2] had eerder geen vertrouwen in de GI, maar nu gaat het wel goed. Hij wil dat de betrokkenheid van de GI wordt voortgezet. Na uitleg van de kinderrechter over het verzoek dat voorligt, heeft [minderjarige 2] verteld dat zijn opmerking over dat hij een andere jeugdbeschermer wilde vooral ging over de persoon met wie hij contact zou hebben. Ook heeft [minderjarige 2] verteld wat de reden is dat hij niet meer naar school wil. [minderjarige 2] wil weg uit de huidige groep en in [plaats] wonen. Hij heeft zich ingeschreven bij [school] in [plaats] . Van de GI mag dat, maar de moeder houdt dit tegen. [minderjarige 2] heeft verder verteld dat hij veel fietst. Soms gaat hij met het openbaar vervoer, maar zijn OV-kaart is geblokkeerd dus nu is het voor hem moeilijk om overal te komen Het contact met [minderjarige 1] gaat goed. Wel maakt [minderjarige 2] zich zorgen om zijn zusje. Het contact met zijn moeder is moeilijker, omdat er discussies ontstaan als [minderjarige 2] en zijn moeder het over bepaalde onderwerpen hebben. [minderjarige 2] heeft niet het idee dat zijn moeder de situatie heeft geaccepteerd. Daarnaast heeft [minderjarige 2] het idee dat hij met Chat GPT contact heeft als zijn moeder hem bericht. Verder heeft [minderjarige 2] aangegeven dat hij wil dat de kinderbijslag die de moeder ontvangt naar hem toe gaat en dat zijn coach betrokken blijft.





5De beoordeling


5.1.
De kinderrechter stelt voorop dat het hof ’s-Hertogenbosch zich op 12 maart 2026 nog heeft uitgesproken over de noodzaak van de maatregelen tot ondertoezichtstelling van beide kinderen en tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] . Het hof heeft de beschikking van deze rechtbank van 11 september 2025, waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht zijn gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] is verleend voor de duur van één jaar, bekrachtigd. De moeder heeft in haar e-mail van 2 juni 2026 aan de kinderrechter gevraagd om in deze procedure een (nieuw) oordeel te geven over de noodzaak van beide maatregelen. Hoewel er van de zijde van de moeder geen formeel verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling en/of een verzoek tot beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] ligt, overweegt de kinderrechter in dit verband dat de situatie op dit moment niet wezenlijk is verbeterd ten opzichte van de situatie ten tijde van de uitspraak van het hof van 12 maart 2026. De kinderrechter is daarmee van oordeel dat nog steeds aan de gronden voor een ondertoezichtstelling van beide kinderen en voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] wordt voldaan.





Vervanging GI




5.2.
De kinderrechter kan de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling, op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder.



5.3.

De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat de GI, die nu belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, wordt vervangen door het de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering. Zij komt tot die beslissing nadat zij de stukken heeft gelezen en met de GI, de advocaat van de moeder en [minderjarige 2] heeft gesproken.
Hoewel de visies van de moeder en de GI behoorlijk uiteenlopen als het gaat om de reden van het ontstaan van de huidige situatie, stelt de kinderrechter vast dat de verstandhouding tussen de GI en de moeder ernstig is verstoord. De moeder is het vertrouwen in de GI volledig kwijtgeraakt en zij ziet geen mogelijkheden meer om de samenwerkingsrelatie met de GI te verbeteren. Voor de GI geldt dat zij van mening is dat het hoogst haalbare voor haar als GI is bereikt. De communicatie met de moeder verloopt erg moeizaam en het lukt de GI niet om de moeder te bewegen om tot afspraken te komen. Er is bij de moeder te veel weerstand. Hierdoor zijn de maatregelen voor de GI niet langer uitvoerbaar. Vast staat dat inmiddels een onwerkbare situatie is ontstaan waarin zowel de GI als de moeder niet verder komen. Met de huidige ontwikkelingen, de tegenstijdige visies en het grote wantrouwen dat bij de moeder is ontstaan richting de GI (en mogelijk omgekeerd ook bij de GI richting de moeder) is het niet te verwachten dat binnen de huidige verstandhouding tussen de GI en de moeder op korte termijn een doorbraak in de impasse kan worden bereikt. Daarmee is het overdragen van de ondertoezichtstelling de enige en beste weg om verder te gaan en zodoende een nieuwe start te kunnen maken. Gelet op het vorenstaande en nu Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering zich bereid heeft verklaard om de uitvoering van de ondertoezichtstelling van beide kinderen over te nemen, zal de kinderrechter zal het verzoek van de GI toewijzen. De kinderrechter hoopt dat de moeder deze nieuwe kans aangrijpt om toch, in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de samenwerking aan te gaan en zo samen met de GI te werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling. Voor beide kinderen is het belangrijk dat er de komende periode stappen worden gezet. Er moet zicht komen op wat beide kinderen nodig hebben om zich verder te ontwikkelen en daar moet actief naar gehandeld (kunnen) worden. Voor [minderjarige 2] is daarbij belangrijk dat er gekeken wordt wat hij nodig heeft om naar school toe te gaan. De kinderrechter verwacht van de huidige jeugdbeschermers dat zij zoveel als mogelijk zullen zorgdragen voor een warme overdracht.




5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.5.
Tegen voornoemde beslissing van de kinderrechter staat geen hoger beroep open. Dit betekent dat de beslissing meteen uitvoerbaar is. Daarom zal de kinderrechter de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals door de GI is verzocht. Dit deel van het verzoek zal worden afgewezen.


5.6.

[minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij de beslissing van de kinderrechter graag via de jeugdbeschermer wil horen. De kinderrechter gaat ervan uit dat de jeugdbeschermer ervoor zal zorgen dat [minderjarige 2] de beslissing hoort.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
vervangt de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zeeland door Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;



6.2.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Lavrijssen als griffier.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.




Artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (BW)


Artikel 1:265d BW


Artikel 1:259 BW


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.


Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).