Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6615
2026-06-18
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448343 / JE RK 26-868
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling 8 maanden - zorgen over onveiligheid in de opvoedsituatie - contactbreuk met de moeder - vele wisselingen in opvoedsituaties en personen rondom de minderjarige. Aanhouding resterend verzoek.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.533 tekens)
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448343 / JE RK 26-868
Datum uitspraak: 18 juni 2026
beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda, hierna te noemen: de Raad,
over de minderjarige:
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Akça-Altun in Breda,
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING &
JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)
gevestigd te Amsterdam,
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift van de Raad, ingekomen op 19 mei 2026;
- het raadsrapport van 29 mei 2026 met bijlage, ingekomen bij de griffie op 29 mei 2026;
- het op 16 juni 2026 ontvangen verweerschrift namens de vader.
1.2.
Op 18 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met
gesloten deuren. Daarbij zijn aanwezig en gehoord:
- de moeder;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad,
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken over het verzoek. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vader.
2.3.
De vader verblijft met [minderjarige] bij de oma (vaderszijde) en haar partner (stiefopa).
2.4.
Bij beschikking van 20 maart 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig
onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 maart 2026 tot 3 april 2026. Het verzoek met betrekking tot de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft de kinderrechter afgewezen, nu is gebleken dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader heeft.
2.5.
Laatstelijk, bij beschikking van 31 maart 2026, heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 20 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar.
3.2.
De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de Raad
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad, samengevat,
het volgende aangevoerd. Er zijn zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de vader die met [minderjarige] bij de oma (vaderszijde) en de stiefopa woont. [minderjarige] heeft bij [jeugdzorg] verteld dat zij door stiefopa wordt geschopt. [minderjarige] is door oma (terug)geslagen. Er zijn veiligheidsafspraken gemaakt en [jeugdzorg] is ingezet. De oma zorgt in de ochtenden voor [minderjarige] alsook twee middagen per week. De andere middagen verblijft [minderjarige] bij [naschoolse dagbehandeling] waar zij behandeling krijgt.
4.2.
[minderjarige] heeft in haar leven veel wisselingen meegemaakt van belangrijke personen om haar heen en in haar opvoedsituatie. Deze wisselingen kunnen gevolgen hebben voor haar band met en het vertrouwen in de mensen om haar heen. Daar komt bij dat [minderjarige] sinds juli 2025 geen contact meer heeft gehad met de moeder. Voor [minderjarige] is niet duidelijk waarom dit contact is gestopt. Dit roept bij haar vragen op en zorgt voor boosheid en verdriet. De moeder heeft aangegeven geen behoefte meer te hebben aan contact met [minderjarige] . Haar visie over de veiligheid van [minderjarige] in de huidige opvoedsituatie speelt daarbij een rol. Het voornoemde maakt dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Zij stagneert in haar (sociaal-emotionele) ontwikkeling.
4.3.
Gezien wordt dat de vader de zorgen over zijn pedagogisch handelen en het pedagogisch klimaat in de thuissituatie bij de oma en de stiefopa erkent. De vader staat open voor aanvullende hulpverlening om de veiligheid van [minderjarige] te vergroten. De ouders hebben overeenstemming met elkaar over het belang van een tijdelijke plaatsing van [minderjarige] bij [begeleiding] om haar perspectief en zorgbehoefte te verduidelijken.
4.4.
In de visie van de Raad is regievoering van de GI nodig. Er dient te worden toegewerkt naar een tijdelijke opname van [minderjarige] bij [begeleiding] zodat er zicht komt op de (duurzame) zorgbehoefte van zowel [minderjarige] als haar opvoedomgeving. In een vrijwillig kader is dit niet mogelijk, omdat de verwachting is dat de moeder daar dan onvoldoende bij wordt betrokken. De ouders communiceren immers niet met elkaar. Ook dient de moeder te worden meegenomen in alles wat er speelt rondom [minderjarige] en moet worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van het contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. Tevens is het van belang dat de GI zicht houdt op de bedoelingen van de vader om opnieuw samen te gaan wonen. Gelet op de gehele problematiek van [minderjarige] is dit lastig. De GI moet er zijn om de belangen van [minderjarige] daarin te behartigen.
4.5.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling te verlenen voor de duur van een jaar. Een periode van zes maanden, zoals namens de vader subsidiair wordt voorgesteld, is gelet op de complexiteit van de zaak te kort. Daar komt ook bij dat de hulpverlening nog moet starten. Dit maakt een ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden niet realistisch.
5Het standpunten van belanghebbenden
5.1.
De moeder heeft, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De moeder stemt in met het verzoek. Zij acht een ondertoezichtstelling helpend. De moeder maakt zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige] . In de visie van de moeder zou [minderjarige] baat hebben bij een plaatsing op een neutrale plek. Daarnaast is ook de inzet van hulpverlening nodig. De moeder werkt hier dan aan mee.
5.2.
Door en namens de vader is, samengevat, het volgende aangevoerd. De vader stelt zich op het standpunt dat er bij [minderjarige] geen sprake is van een zodanig ernstige ontwikkelingsbedreiging dat een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd zou zijn. De moeder is vanaf juli 2025 niet meer in beeld. Zij is niet meer bij [minderjarige] betrokken. De vader werkt aan alle hulpverlening mee en heeft deze ook zelf ingeschakeld. Zo is het CJG door toedoen van de vader betrokken geraakt. Bovendien zijn er meerdere professionele instanties, zoals [hulpverlening] , bij [minderjarige] betrokken en is de vader steeds met deze instanties in overleg. De vader heeft zelfs toestemming gegeven voor een plaatsing van [minderjarige] bij [begeleiding] . Nu ook de moeder gesprekken voert met [hulpverlening] en zij akkoord is met een plaatsing van [minderjarige] , is gebleken dat betrokkenheid van een GI niet nodig is. Blijkbaar kunnen de ouders en [hulpverlening] een en ander zelf regelen. Bovendien worden de zorgen van de Raad en de moeder over de veiligheid van [minderjarige] weggenomen als [minderjarige] grotendeels bij [begeleiding] verblijft. Een ondertoezichtstelling heeft dan ook geen toegevoegde waarde. De vader verzoekt de kinderrechter daarom om het verzoek af te wijzen. Subsidiair, wanneer de kinderrechter een ondertoezichtstelling toch nodig acht, verzoekt de vader deze te verlenen voor de duur van zes maanden.
5.3.
Namens de GI is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Hoewel de GI er vertrouwen in heeft dat de ouders benodigde hulpverlening zullen ondersteunen, is een ondertoezichtstelling nodig. De GI kan dan ook instemmen met het verzoek van de Raad. De ouders hebben los van elkaar gesprekken gevoerd met [hulpverlening] over de plaatsing van [minderjarige] . Onduidelijk is hoe haar traject bij [begeleiding] er precies uit gaat zien. De moeder heeft aangegeven niet betrokken te willen worden bij de hulpverlening, maar wel overal voor te zullen tekenen. Op basis hiervan heeft de GI de indruk dat hulpverlening kan starten. Echter, wat lastig is voor [minderjarige] is dat zij geen contact heeft met de moeder. De GI is van mening dat deze contactbreuk schadelijk is voor [minderjarige] , terwijl de moeder ervan overtuigd is dat zij [minderjarige] hiermee juist beschermt. Betrokkenheid van de GI is nodig om met de moeder hierover in gesprek te blijven gaan. Daarnaast zal de GI de regierol op zich nemen ten aanzien van alle hulpverlening, zal de jeugdbeschermer contact onderhouden met de zorgaanbieder(s) en zal de hulpverlening door de GI verder gemonitord worden. Daarmee blijft hulpverlening gewaarborgd. De GI acht een ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden te kort, omdat de hulpverlening nog moet starten.
6De beoordeling
Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
6.2.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat er niet alleen sprake is van kind-eigenproblematiek, maar er ook zorgen zijn over de veiligheid in de opvoedsituatie, sprake is van veel wisselingen in opvoedsituatie en opvoeders en er sinds juli 2025 een contactbreuk met de moeder is. [minderjarige] wordt hierdoor in haar sociaal-emotionele ontwikkeling bedreigd.
6.3.
Hoewel de kinderrechter uit de overgelegde stukken, maar met name de toelichting van de GI en de ouders ter zitting, bemerkt dat de ouders openstaan voor hulpverlening en zij een plaatsing van [minderjarige] bij [begeleiding] ondersteunen, ziet de kinderrechter de noodzaak van regievoering door een jeugdbeschermer. Gelet op de complexiteit van de problematiek van [minderjarige] en de ouders, de zorgelijke uitspraken die [minderjarige] deed, het gebrek aan communicatie tussen de ouders en de contactbreuk tussen de moeder en [minderjarige] acht de kinderrechter betrokkenheid van de GI noodzakelijk. De (nog te starten) hulpverlening wordt daarmee gewaarborgd. Bovendien zal betrokkenheid van de GI ervoor zorgen dat beide ouders bij de hulpverlening worden betrokken en zij beiden op de hoogte zullen worden gebracht over hoe het met [minderjarige] gaat. Daarbij speelt ook een rol dat de GI kan bezien of en in hoeverre er ruimte is voor contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] , de vader in zijn keuzes omtrent het samenwonen voor [minderjarige] de juiste keuzes kan maken én de veiligheidsafspraken worden nagekomen.
6.4.
Zoals ter zitting uitvoerig is besproken, is het de bedoeling om [minderjarige] te plaatsen bij [begeleiding] . Bij [begeleiding] zal onderzocht worden wat de zorgbehoefte van [minderjarige] is. Onduidelijk is nog hoe het traject bij [begeleiding] er exact uit zal zien, maar gebleken is dat beide ouders de plaatsing van [minderjarige] ondersteunen.
6.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat aan de wettelijke vereisten is voldaan en de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht zal stellen van de GI.
Doelen
6.6.
Als doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling door de GI en de ouders gewerkt dient te worden, worden aangemerkt:
- ( mede)opvoeders zijn in staat sensitief en responsief op [minderjarige] te reageren;
- er is duidelijkheid over de zorgbehoefte van [minderjarige] en wie wat hierin kan betekenen;
- [minderjarige] wordt ontschuldigd in het ontbrekende contact met haar moeder.
Duur van de maatregel
6.7.
De kinderrechter ziet reden om de ondertoezichtstelling in duur te bekorten tot acht maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter ziet gelet op de complexiteit van de zaak in meerdere facetten én het gegeven dat de hulpverlening nog moet starten, reden om een vinger aan de pols te houden. De kinderrechter verwacht dat binnen een periode van acht maanden een start is gemaakt met de hulpverlening en er zicht is verkregen op de zorgbehoefte van [minderjarige] , alsook dat er onderzoek is gedaan naar de veiligheid van de opvoedsituatie en de mogelijkheden tot contact tussen [minderjarige] en de moeder.
6.8.
De kinderrechter verwacht van de GI uiterlijk op na te melden PRO FORMA datum in een schriftelijk verslag (onder gelijktijdige verzending daarvan aan de moeder, de (advocaat van) de vader en de Raad) nadere informatie over:
- het verloop van de ondertoezichtstelling;
- de stand van zaken ten aanzien van [begeleiding] ;
- de stand van zaken ten aanzien van het contact tussen de moeder en [minderjarige] ;
- de stand van zaken rondom de (veiligheid in de) opvoedsituatie van de vader.
6.9.
Van de Raad verwacht de kinderrechter, binnen één week na ontvangst van het schriftelijk verslag van de GI, berichtgeving of het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd.
6.10.
Wanneer de Raad het resterende verzoek handhaaft, zal de kinderrechter een nieuwe zitting plannen. Partijen worden hierover later geïnformeerd.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.11.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, met ingang van 18 juni 2026 tot 18 februari 2027;
7.2.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de Raad aan tot
14 januari 2027 PRO FORMA, in afwachting van informatie van de GI en berichtgeving van de Raad, zoals is overwogen in rechtsoverwegingen 6.8 en 6.9;
7.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448343 / JE RK 26-868
Datum uitspraak: 18 juni 2026
beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda, hierna te noemen: de Raad,
over de minderjarige:
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Akça-Altun in Breda,
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING &
JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)
gevestigd te Amsterdam,
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift van de Raad, ingekomen op 19 mei 2026;
- het raadsrapport van 29 mei 2026 met bijlage, ingekomen bij de griffie op 29 mei 2026;
- het op 16 juni 2026 ontvangen verweerschrift namens de vader.
1.2.
Op 18 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met
gesloten deuren. Daarbij zijn aanwezig en gehoord:
- de moeder;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad,
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken over het verzoek. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vader.
2.3.
De vader verblijft met [minderjarige] bij de oma (vaderszijde) en haar partner (stiefopa).
2.4.
Bij beschikking van 20 maart 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig
onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 maart 2026 tot 3 april 2026. Het verzoek met betrekking tot de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft de kinderrechter afgewezen, nu is gebleken dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader heeft.
2.5.
Laatstelijk, bij beschikking van 31 maart 2026, heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 20 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar.
3.2.
De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de Raad
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad, samengevat,
het volgende aangevoerd. Er zijn zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de vader die met [minderjarige] bij de oma (vaderszijde) en de stiefopa woont. [minderjarige] heeft bij [jeugdzorg] verteld dat zij door stiefopa wordt geschopt. [minderjarige] is door oma (terug)geslagen. Er zijn veiligheidsafspraken gemaakt en [jeugdzorg] is ingezet. De oma zorgt in de ochtenden voor [minderjarige] alsook twee middagen per week. De andere middagen verblijft [minderjarige] bij [naschoolse dagbehandeling] waar zij behandeling krijgt.
4.2.
[minderjarige] heeft in haar leven veel wisselingen meegemaakt van belangrijke personen om haar heen en in haar opvoedsituatie. Deze wisselingen kunnen gevolgen hebben voor haar band met en het vertrouwen in de mensen om haar heen. Daar komt bij dat [minderjarige] sinds juli 2025 geen contact meer heeft gehad met de moeder. Voor [minderjarige] is niet duidelijk waarom dit contact is gestopt. Dit roept bij haar vragen op en zorgt voor boosheid en verdriet. De moeder heeft aangegeven geen behoefte meer te hebben aan contact met [minderjarige] . Haar visie over de veiligheid van [minderjarige] in de huidige opvoedsituatie speelt daarbij een rol. Het voornoemde maakt dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Zij stagneert in haar (sociaal-emotionele) ontwikkeling.
4.3.
Gezien wordt dat de vader de zorgen over zijn pedagogisch handelen en het pedagogisch klimaat in de thuissituatie bij de oma en de stiefopa erkent. De vader staat open voor aanvullende hulpverlening om de veiligheid van [minderjarige] te vergroten. De ouders hebben overeenstemming met elkaar over het belang van een tijdelijke plaatsing van [minderjarige] bij [begeleiding] om haar perspectief en zorgbehoefte te verduidelijken.
4.4.
In de visie van de Raad is regievoering van de GI nodig. Er dient te worden toegewerkt naar een tijdelijke opname van [minderjarige] bij [begeleiding] zodat er zicht komt op de (duurzame) zorgbehoefte van zowel [minderjarige] als haar opvoedomgeving. In een vrijwillig kader is dit niet mogelijk, omdat de verwachting is dat de moeder daar dan onvoldoende bij wordt betrokken. De ouders communiceren immers niet met elkaar. Ook dient de moeder te worden meegenomen in alles wat er speelt rondom [minderjarige] en moet worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van het contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. Tevens is het van belang dat de GI zicht houdt op de bedoelingen van de vader om opnieuw samen te gaan wonen. Gelet op de gehele problematiek van [minderjarige] is dit lastig. De GI moet er zijn om de belangen van [minderjarige] daarin te behartigen.
4.5.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling te verlenen voor de duur van een jaar. Een periode van zes maanden, zoals namens de vader subsidiair wordt voorgesteld, is gelet op de complexiteit van de zaak te kort. Daar komt ook bij dat de hulpverlening nog moet starten. Dit maakt een ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden niet realistisch.
5Het standpunten van belanghebbenden
5.1.
De moeder heeft, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De moeder stemt in met het verzoek. Zij acht een ondertoezichtstelling helpend. De moeder maakt zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige] . In de visie van de moeder zou [minderjarige] baat hebben bij een plaatsing op een neutrale plek. Daarnaast is ook de inzet van hulpverlening nodig. De moeder werkt hier dan aan mee.
5.2.
Door en namens de vader is, samengevat, het volgende aangevoerd. De vader stelt zich op het standpunt dat er bij [minderjarige] geen sprake is van een zodanig ernstige ontwikkelingsbedreiging dat een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd zou zijn. De moeder is vanaf juli 2025 niet meer in beeld. Zij is niet meer bij [minderjarige] betrokken. De vader werkt aan alle hulpverlening mee en heeft deze ook zelf ingeschakeld. Zo is het CJG door toedoen van de vader betrokken geraakt. Bovendien zijn er meerdere professionele instanties, zoals [hulpverlening] , bij [minderjarige] betrokken en is de vader steeds met deze instanties in overleg. De vader heeft zelfs toestemming gegeven voor een plaatsing van [minderjarige] bij [begeleiding] . Nu ook de moeder gesprekken voert met [hulpverlening] en zij akkoord is met een plaatsing van [minderjarige] , is gebleken dat betrokkenheid van een GI niet nodig is. Blijkbaar kunnen de ouders en [hulpverlening] een en ander zelf regelen. Bovendien worden de zorgen van de Raad en de moeder over de veiligheid van [minderjarige] weggenomen als [minderjarige] grotendeels bij [begeleiding] verblijft. Een ondertoezichtstelling heeft dan ook geen toegevoegde waarde. De vader verzoekt de kinderrechter daarom om het verzoek af te wijzen. Subsidiair, wanneer de kinderrechter een ondertoezichtstelling toch nodig acht, verzoekt de vader deze te verlenen voor de duur van zes maanden.
5.3.
Namens de GI is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Hoewel de GI er vertrouwen in heeft dat de ouders benodigde hulpverlening zullen ondersteunen, is een ondertoezichtstelling nodig. De GI kan dan ook instemmen met het verzoek van de Raad. De ouders hebben los van elkaar gesprekken gevoerd met [hulpverlening] over de plaatsing van [minderjarige] . Onduidelijk is hoe haar traject bij [begeleiding] er precies uit gaat zien. De moeder heeft aangegeven niet betrokken te willen worden bij de hulpverlening, maar wel overal voor te zullen tekenen. Op basis hiervan heeft de GI de indruk dat hulpverlening kan starten. Echter, wat lastig is voor [minderjarige] is dat zij geen contact heeft met de moeder. De GI is van mening dat deze contactbreuk schadelijk is voor [minderjarige] , terwijl de moeder ervan overtuigd is dat zij [minderjarige] hiermee juist beschermt. Betrokkenheid van de GI is nodig om met de moeder hierover in gesprek te blijven gaan. Daarnaast zal de GI de regierol op zich nemen ten aanzien van alle hulpverlening, zal de jeugdbeschermer contact onderhouden met de zorgaanbieder(s) en zal de hulpverlening door de GI verder gemonitord worden. Daarmee blijft hulpverlening gewaarborgd. De GI acht een ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden te kort, omdat de hulpverlening nog moet starten.
6De beoordeling
Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
6.2.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat er niet alleen sprake is van kind-eigenproblematiek, maar er ook zorgen zijn over de veiligheid in de opvoedsituatie, sprake is van veel wisselingen in opvoedsituatie en opvoeders en er sinds juli 2025 een contactbreuk met de moeder is. [minderjarige] wordt hierdoor in haar sociaal-emotionele ontwikkeling bedreigd.
6.3.
Hoewel de kinderrechter uit de overgelegde stukken, maar met name de toelichting van de GI en de ouders ter zitting, bemerkt dat de ouders openstaan voor hulpverlening en zij een plaatsing van [minderjarige] bij [begeleiding] ondersteunen, ziet de kinderrechter de noodzaak van regievoering door een jeugdbeschermer. Gelet op de complexiteit van de problematiek van [minderjarige] en de ouders, de zorgelijke uitspraken die [minderjarige] deed, het gebrek aan communicatie tussen de ouders en de contactbreuk tussen de moeder en [minderjarige] acht de kinderrechter betrokkenheid van de GI noodzakelijk. De (nog te starten) hulpverlening wordt daarmee gewaarborgd. Bovendien zal betrokkenheid van de GI ervoor zorgen dat beide ouders bij de hulpverlening worden betrokken en zij beiden op de hoogte zullen worden gebracht over hoe het met [minderjarige] gaat. Daarbij speelt ook een rol dat de GI kan bezien of en in hoeverre er ruimte is voor contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] , de vader in zijn keuzes omtrent het samenwonen voor [minderjarige] de juiste keuzes kan maken én de veiligheidsafspraken worden nagekomen.
6.4.
Zoals ter zitting uitvoerig is besproken, is het de bedoeling om [minderjarige] te plaatsen bij [begeleiding] . Bij [begeleiding] zal onderzocht worden wat de zorgbehoefte van [minderjarige] is. Onduidelijk is nog hoe het traject bij [begeleiding] er exact uit zal zien, maar gebleken is dat beide ouders de plaatsing van [minderjarige] ondersteunen.
6.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat aan de wettelijke vereisten is voldaan en de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht zal stellen van de GI.
Doelen
6.6.
Als doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling door de GI en de ouders gewerkt dient te worden, worden aangemerkt:
- ( mede)opvoeders zijn in staat sensitief en responsief op [minderjarige] te reageren;
- er is duidelijkheid over de zorgbehoefte van [minderjarige] en wie wat hierin kan betekenen;
- [minderjarige] wordt ontschuldigd in het ontbrekende contact met haar moeder.
Duur van de maatregel
6.7.
De kinderrechter ziet reden om de ondertoezichtstelling in duur te bekorten tot acht maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter ziet gelet op de complexiteit van de zaak in meerdere facetten én het gegeven dat de hulpverlening nog moet starten, reden om een vinger aan de pols te houden. De kinderrechter verwacht dat binnen een periode van acht maanden een start is gemaakt met de hulpverlening en er zicht is verkregen op de zorgbehoefte van [minderjarige] , alsook dat er onderzoek is gedaan naar de veiligheid van de opvoedsituatie en de mogelijkheden tot contact tussen [minderjarige] en de moeder.
6.8.
De kinderrechter verwacht van de GI uiterlijk op na te melden PRO FORMA datum in een schriftelijk verslag (onder gelijktijdige verzending daarvan aan de moeder, de (advocaat van) de vader en de Raad) nadere informatie over:
- het verloop van de ondertoezichtstelling;
- de stand van zaken ten aanzien van [begeleiding] ;
- de stand van zaken ten aanzien van het contact tussen de moeder en [minderjarige] ;
- de stand van zaken rondom de (veiligheid in de) opvoedsituatie van de vader.
6.9.
Van de Raad verwacht de kinderrechter, binnen één week na ontvangst van het schriftelijk verslag van de GI, berichtgeving of het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd.
6.10.
Wanneer de Raad het resterende verzoek handhaaft, zal de kinderrechter een nieuwe zitting plannen. Partijen worden hierover later geïnformeerd.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.11.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, met ingang van 18 juni 2026 tot 18 februari 2027;
7.2.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de Raad aan tot
14 januari 2027 PRO FORMA, in afwachting van informatie van de GI en berichtgeving van de Raad, zoals is overwogen in rechtsoverwegingen 6.8 en 6.9;
7.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.