Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6611
2026-06-18
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448756 / JE RK 26-943
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.215 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448756 / JE RK 26-943
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
gezamenlijk ook te noemen: de ouders.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering
hierna te noemen: de GI
gevestigd te Breda.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
2De feiten
2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven afwisselend met de vader en de moeder (bird nesting) in de woning in [plaats 2] die op naam van beide ouders staat.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
Door de Raad heeft in het rapport Raadsonderzoek van 27 mei 2026 de achtergrond bij zijn verzoek geschetst. Daaruit blijkt dat [minderjarige 1] tussen 1 augustus 2022 en 1 maart 2023 onder toezicht gesteld was van Stichting Jeugdbescherming Brabant. Op 11 december 2025 heeft de Raad een beschermingsonderzoek met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afgerond, waarbij de ouders zijn verwezen naar de vrijwillige hulpverlening. Op 8 april 2026 heeft de Raad van de gemeente Breda de (terug)melding ontvangen dat het voor de ouders niet langer haalbaar is om constructief samen te werken en de adviezen van de betrokken hulpverlening op te volgen. Deze melding werd ondersteund door betrokken hulpverlening. De Raad heeft daarop een nieuw onderzoek uitgevoerd en verzoekt nu om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad zijn bevindingen, die zijn neergelegd in het rapport, nader toegelicht. Kort samengevat stelt de Raad dat er grote zorgen bestaan over de instabiliteit die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] steeds opnieuw ervaren. Er zijn in het korte leven van de kinderen al veel wisselingen van hun woonplaats geweest en beide kinderen zijn op meerdere momenten getuige geweest van geweld en van spanningen tussen ouders. Ook recent is er nog een geweldsincident geweest tussen moeder en haar (inmiddels) ex-partner. Verder is de communicatie tussen de ouders verstoord geraakt, waardoor de belangen van de kinderen naar de achtergrond dreigen te raken. Verder komen er signalen van het kinderdagverblijf dat de kinderen de laatste weken wanneer zij vanuit de moeder worden komen, regelmatig vermoeid zijn en minder verzorgd naar het kinderdagverblijf worden gebracht.
Op of rond 1 juli 2026 kan de moeder met de kinderen naar een moeder-kind huis ( [moeder-kindhuis] ). De Raad vindt het wel belangrijk dat dit onder een ondertoezichtstelling is geborgd, zodat de hulpverlening ook vastgehouden kan worden en er op die manier stabiliteit voor de kinderen, en daardoor ook voor de ouders, komt.
4.2.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij in kan stemmen met een ondertoezichtstelling. Zij zal op korte termijn met de kinderen deel gaan nemen aan [moeder-kindhuis] . De moeder verwacht dat dat rust zal gaan brengen voor de kinderen. De moeder wil wel dat er een goede omgangsregeling komt voor de vader omdat zij het heel belangrijk vindt dat de vader en de kinderen zoveel mogelijk contact met elkaar houden.
4.3.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij in kan stemmen met een ondertoezichtstelling. Hij vindt dat er in december 2025 al een ondertoezichtstelling had moeten komen. De deelname van moeder en de kinderen aan [moeder-kindhuis] steunt hij, maar hij vindt het wel vervelend dat dit ten koste zal gaan van de tijd die hij met zijn kinderen door zal kunnen brengen. Tegelijkertijd geeft hem dit wel de tijd en de rust om ook zijn problemen (zoals zijn schuldenpositie en het hebben van een kort lontje) aan te pakken.
4.4.
Door de GI is tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij bereid is de ondertoezichtstelling uit te voeren. Zij heeft aan de ouders kort toegelicht wat de ondertoezichtstelling in zal houden. Verder heeft de GI aangegeven dat er direct een jeugdbeschermer beschikbaar is en dat na de zitting direct de eerste afspraak kan worden ingepland.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.2.
De kinderrechter is op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Door de vele problemen die bij beide ouders spelen op meerdere vlakken (zoals het ontbreken van structuur, middelengebruik, schulden, emotie-/agressieregulatie, etc.), de vele wisselingen op het gebied van hun woonplaats en de verschillende geweldsincidenten tussen belangrijke volwassenen in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] die hebben plaatsgevonden in hun aanwezigheid, is er sprake van een situatie waarin de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig wordt bedreigd. Dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening blijkt naar het oordeel van de kinderrechter voldoende duidelijk uit het feit dat de Raad in december 2025 een beschermingsonderzoek heeft afgesloten met verwijzing van ouders naar het vrijwillig kader, waarbij na amper vier maanden een terugmelding volgt vanuit de gemeente Breda (ondersteund door betrokken hulpverlening). Uit de rapportage van de Raad blijkt tegelijkertijd dat er voldoende aanleiding is te verwachten dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn in staat zullen zijn zelf de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen. De ouders moeten daarbij op weg geholpen worden en zij moeten nog aan eigen problematiek werken. Daarbij is het ook belangrijk dat de ouders leren met elkaar te blijven communiceren over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ook in lastige situaties. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de ouders op termijn weer in staat zullen zijn voor hun kinderen te zorgen zonder ondertoezichtstelling nu beide partijen erg betrokken lijken te zijn bij hun kinderen en beiden ook hebben aangegeven open te staan voor hulpverlening en daarin al stappen hebben gezet.
5.3.
De ondertoezichtstelling is vanwege bovengenoemde redenen nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van één jaar. Gewerkt zal worden aan de volgende doelen:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een veilige en stabiele opvoedomgeving;
- ouders overleggen met elkaar over en werken samen in de opvoeding en verzorging van de kinderen;
- de (on)mogelijkheden van moeder als opvoeder en verzorger van de kinderen worden in kaart gebracht;
- vader leert zijn gevoelens van boosheid en frustratie op een goede, niet agressieve manier, te uiten;
- de situatie van beide ouders is stabiel (wat betreft wonen, werk/dagbesteding, financiën, mentale gezondheid, relatie);
- het netwerk heeft voldoende draagkracht om ouders en kinderen te ondersteunen, zolang dat nodig is;
- ouders gebruiken geen middelen op de dagen dat zij de verantwoordelijkheid dragen voor de zorg en opvoeding van de kinderen.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 18 juni 2026 tot 18 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Van den Broek, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 26 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448756 / JE RK 26-943
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
gezamenlijk ook te noemen: de ouders.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering
hierna te noemen: de GI
gevestigd te Breda.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
2De feiten
2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven afwisselend met de vader en de moeder (bird nesting) in de woning in [plaats 2] die op naam van beide ouders staat.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
Door de Raad heeft in het rapport Raadsonderzoek van 27 mei 2026 de achtergrond bij zijn verzoek geschetst. Daaruit blijkt dat [minderjarige 1] tussen 1 augustus 2022 en 1 maart 2023 onder toezicht gesteld was van Stichting Jeugdbescherming Brabant. Op 11 december 2025 heeft de Raad een beschermingsonderzoek met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afgerond, waarbij de ouders zijn verwezen naar de vrijwillige hulpverlening. Op 8 april 2026 heeft de Raad van de gemeente Breda de (terug)melding ontvangen dat het voor de ouders niet langer haalbaar is om constructief samen te werken en de adviezen van de betrokken hulpverlening op te volgen. Deze melding werd ondersteund door betrokken hulpverlening. De Raad heeft daarop een nieuw onderzoek uitgevoerd en verzoekt nu om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad zijn bevindingen, die zijn neergelegd in het rapport, nader toegelicht. Kort samengevat stelt de Raad dat er grote zorgen bestaan over de instabiliteit die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] steeds opnieuw ervaren. Er zijn in het korte leven van de kinderen al veel wisselingen van hun woonplaats geweest en beide kinderen zijn op meerdere momenten getuige geweest van geweld en van spanningen tussen ouders. Ook recent is er nog een geweldsincident geweest tussen moeder en haar (inmiddels) ex-partner. Verder is de communicatie tussen de ouders verstoord geraakt, waardoor de belangen van de kinderen naar de achtergrond dreigen te raken. Verder komen er signalen van het kinderdagverblijf dat de kinderen de laatste weken wanneer zij vanuit de moeder worden komen, regelmatig vermoeid zijn en minder verzorgd naar het kinderdagverblijf worden gebracht.
Op of rond 1 juli 2026 kan de moeder met de kinderen naar een moeder-kind huis ( [moeder-kindhuis] ). De Raad vindt het wel belangrijk dat dit onder een ondertoezichtstelling is geborgd, zodat de hulpverlening ook vastgehouden kan worden en er op die manier stabiliteit voor de kinderen, en daardoor ook voor de ouders, komt.
4.2.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij in kan stemmen met een ondertoezichtstelling. Zij zal op korte termijn met de kinderen deel gaan nemen aan [moeder-kindhuis] . De moeder verwacht dat dat rust zal gaan brengen voor de kinderen. De moeder wil wel dat er een goede omgangsregeling komt voor de vader omdat zij het heel belangrijk vindt dat de vader en de kinderen zoveel mogelijk contact met elkaar houden.
4.3.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij in kan stemmen met een ondertoezichtstelling. Hij vindt dat er in december 2025 al een ondertoezichtstelling had moeten komen. De deelname van moeder en de kinderen aan [moeder-kindhuis] steunt hij, maar hij vindt het wel vervelend dat dit ten koste zal gaan van de tijd die hij met zijn kinderen door zal kunnen brengen. Tegelijkertijd geeft hem dit wel de tijd en de rust om ook zijn problemen (zoals zijn schuldenpositie en het hebben van een kort lontje) aan te pakken.
4.4.
Door de GI is tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij bereid is de ondertoezichtstelling uit te voeren. Zij heeft aan de ouders kort toegelicht wat de ondertoezichtstelling in zal houden. Verder heeft de GI aangegeven dat er direct een jeugdbeschermer beschikbaar is en dat na de zitting direct de eerste afspraak kan worden ingepland.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.2.
De kinderrechter is op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Door de vele problemen die bij beide ouders spelen op meerdere vlakken (zoals het ontbreken van structuur, middelengebruik, schulden, emotie-/agressieregulatie, etc.), de vele wisselingen op het gebied van hun woonplaats en de verschillende geweldsincidenten tussen belangrijke volwassenen in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] die hebben plaatsgevonden in hun aanwezigheid, is er sprake van een situatie waarin de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig wordt bedreigd. Dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening blijkt naar het oordeel van de kinderrechter voldoende duidelijk uit het feit dat de Raad in december 2025 een beschermingsonderzoek heeft afgesloten met verwijzing van ouders naar het vrijwillig kader, waarbij na amper vier maanden een terugmelding volgt vanuit de gemeente Breda (ondersteund door betrokken hulpverlening). Uit de rapportage van de Raad blijkt tegelijkertijd dat er voldoende aanleiding is te verwachten dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn in staat zullen zijn zelf de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen. De ouders moeten daarbij op weg geholpen worden en zij moeten nog aan eigen problematiek werken. Daarbij is het ook belangrijk dat de ouders leren met elkaar te blijven communiceren over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ook in lastige situaties. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de ouders op termijn weer in staat zullen zijn voor hun kinderen te zorgen zonder ondertoezichtstelling nu beide partijen erg betrokken lijken te zijn bij hun kinderen en beiden ook hebben aangegeven open te staan voor hulpverlening en daarin al stappen hebben gezet.
5.3.
De ondertoezichtstelling is vanwege bovengenoemde redenen nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van één jaar. Gewerkt zal worden aan de volgende doelen:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een veilige en stabiele opvoedomgeving;
- ouders overleggen met elkaar over en werken samen in de opvoeding en verzorging van de kinderen;
- de (on)mogelijkheden van moeder als opvoeder en verzorger van de kinderen worden in kaart gebracht;
- vader leert zijn gevoelens van boosheid en frustratie op een goede, niet agressieve manier, te uiten;
- de situatie van beide ouders is stabiel (wat betreft wonen, werk/dagbesteding, financiën, mentale gezondheid, relatie);
- het netwerk heeft voldoende draagkracht om ouders en kinderen te ondersteunen, zolang dat nodig is;
- ouders gebruiken geen middelen op de dagen dat zij de verantwoordelijkheid dragen voor de zorg en opvoeding van de kinderen.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 18 juni 2026 tot 18 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Van den Broek, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 26 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.