Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6609

2026-06-18 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448582 / JE RK 26-916
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-18
Publicatiedatum
2026-07-19
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448582 / JE RK 26-916
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.600 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/448582 / JE RK 26-916
Datum uitspraak: 18 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van



de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .





1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 mei 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI.





2De feiten


2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] woont bij zijn vader.



2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 2 juli 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot 22 november 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.

Namens de GI is in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen tot het moment waarop [minderjarige] meerderjarig wordt (22 november 2026). De GI ziet dat [minderjarige] nog steeds kwetsbaar is (bijvoorbeeld rondom de situatie met de moeder, waarin het contactherstel niet haalbaar is gebleken) en ook op het gebied van emotie-/agressieregulatie heeft hij nog hulpverlening nodig. De in het kader van de ondertoezichtstelling gestelde doelen zijn nog niet behaald en daar moet nog aan worden gewerkt. De GI benadrukt wel dat er zeker ook positieve ontwikkelingen zijn. Zo is [minderjarige] gestart met een opleiding tot stukadoor. Hij ontwikkelt zich binnen deze opleiding goed. Binnen de school is veel individuele aandacht voor de leerlingen en dat werkt goed voor [minderjarige] . De jeugdbeschermer ondersteunt [minderjarige] door hem naar school te brengen en te halen.
De samenwerking met [minderjarige] en de vader wordt als positief ervaren. De jeugdbeschermer heeft er vertrouwen in dat zij en [minderjarige] tot het moment waarop hij meerderjarig wordt nog stappen kunnen maken in zijn ontwikkeling. Aan de periode vanaf meerderjarigheid wordt ook al gedacht; de eerste contacten met hulpverlening die hem vanaf dat moment kan helpen zijn al gelegd.




4.2.

Door de vader is tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. De vader ervaart de contacten met de jeugdbeschermer als positief en hoopt dat deze tot het moment dat [minderjarige] meerderjarig wordt, kunnen worden voortgezet. In het verleden ontstond veel onrust doordat voor belangrijke beslissingen, bijvoorbeeld in verband met hulpverlening voor [minderjarige] , toestemming van de moeder nodig was en de moeder het op die momenten vaak af liet weten. De vader is bang dat dit weer het geval zal zijn als de ondertoezichtstelling wordt beëindigd.
Doordat er meer rust is bij [minderjarige] en bij de vader, en omdat de druk vanuit de moeder weg is, is de verstandhouding tussen [minderjarige] en de vader verbeterd. De vader is wel van mening dat [minderjarige] nog hulp nodig heeft op het gebied van emotie-/agressieregulatie. Verder vindt de vader het jammer dat de hulpverlening, door onderwerpen als wachtlijsten en financiën, zo traag op gang komt en is gekomen.




4.3.

[minderjarige] heeft de kinderrechter in een e-mailbericht laten weten dat hij niet naar het kindgesprek kon komen maar dat hij erg tevreden is over de hulp die hij van de jeugdbeschermer krijgt en dat bij graag zou willen dat de inzet van de jeugdbeschermer nog wordt verlengd tot het moment waarop hij 18 jaar wordt.



4.4.
De moeder is ondanks dat zij is uitgenodigd niet op de zitting verschenen, waardoor haar standpunt niet bekend is.







5De beoordeling


5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (als beschreven in artikel 1:255 eerst lid BW) is voldaan.



5.2.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.




5.3.

De kinderrechter is op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De kinderrechter stelt vast dat de doelen die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald. De geformuleerde doelen zijn (vrijwel) onverminderd aanwezig. Uit de stukken en de toelichting ter zitting is duidelijk geworden dat vooral op het gebied van kwetsbaarheid en emotie/agressieregulatie nog stappen te maken zijn. Ondanks dat de kinderrechter ziet dat er stappen worden gemaakt, wat positief en bewonderenswaardig is, is het naar haar oordeel nog te vroeg om de gedwongen hulpverlening te beëindigen. Daarbij speelt zeker ook een rol dat de moeder het volledig laat afweten, als het om [minderjarige] en voor hem noodzakelijke hulpverlening gaat. De kinderrechter wil voorkomen dat opnieuw belemmeringen worden opgeworpen vanuit de kant van de moeder.
Als [minderjarige] , de vader en de jeugdbeschermer zich blijven inzetten op de wijze waarop zij dat gedurende de ondertoezichtstelling hebben gedaan, kunnen tot het einde van de ondertoezichtstelling nog belangrijke stappen in zijn ontwikkeling worden gezet.




5.3.
De kinderrechter verlengt om bovenstaande redenen de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 22 november 2026.



5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht door de GI. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 22 november 2026;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Van den Broek , kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 26 juni 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.