Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6599

2026-06-18 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/449389 / JE RK 26-1064
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-18
Publicatiedatum
2026-07-19
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/449389 / JE RK 26-1064
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Spoed schorsing zorgregeling

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.023 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/449389 / JE RK 26-1064



Datum uitspraak: 18 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken




in de zaak van




STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .





1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 juni 2026.






2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .


2.2.
Bij vonnis van 27 maart 2025 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voorlopig toevertrouwd aan de vader. Ook is - onder wijziging van de afspraken die door ouders in september 2024 zijn gemaakt - bepaald dat er een voorlopige zorgregeling geldt tussen de moeder en de minderjarigen op basis waarvan zij gerechtigd zijn tot contact met elkaar op de navolgende momenten:
- gedurende schoolweken ieder weekend van vrijdagavond 19:00 uur tot zondagavond 19:00 uur, met uitzondering van het eerste weekend van de maand (waarbij als het eerste weekend wordt aangeduid wanneer er een vrijdag, zaterdag of zondag op de 1e van de maand valt);
- de helft van de (school)vakanties en (nationale) feestdagen;
- waarbij de moeder de minderjarigen altijd ophaalt bij de vader en de vader de minderjarigen altijd ophaalt bij de vrouw.



2.3.
Bij beschikking van 12 mei 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 mei 2025 en tot 12 mei 2026.


2.4.
Bij beschikking van 17 juni 2025 is de behandeling van de zaak voor wat betreft het vaststellen van een definitief hoofdverblijf, een definitieve zorgregeling en het opnemen van een ouderschapsplan in de te wijzen beschikking aangehouden tot 27 januari 2026 pro forma, in afwachting van berichten van de advocaten van partijen omtrent het resultaat van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling en de wijze waarop de zaak verder moet worden afgedaan.



2.5.
Bij beschikking van 28 april 2026 is de ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 12 mei 2026 en tot 12 mei 2027.


2.6.
Bij beschikking van 28 april 2026 is de voorlopige zorgregeling zoals bepaald bij het vonnis in kort geding van 27 maart 2025 gewijzigd en bepaald dat tussen de vader en de minderjarigen een voorlopige zorgregeling zal gelden, inhoudende dat de minderjarigen omgang hebben met de vader gedurende schoolweken ieder weekend van vrijdagavond 18:30 uur tot zondagavond 18:30 uur, met uitzondering van het eerste weekend van de maand (waarbij als het eerste weekend wordt aangeduid wanneer er een vrijdag, zaterdag of zondag op de eerste van de maand valt), alsmede de helft van de (school)vakanties en (nationale) feestdagen, waarbij de vader de minderjarigen (de eerste twee maanden) op vrijdag ophaalt bij de pleegvader van de moeder en de moeder de kinderen (de gehele periode) op zondag ophaalt bij de vader. Binnen twee maanden wordt toegewerkt naar een situatie waarbij de vader de minderjarigen op vrijdagmiddag na school ophaalt, nadat de moeder [minderjarige 1] naar de school van [minderjarige 2] heeft gebracht.



2.7
Gelet op voornoemde voorlopige zorgregeling verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt:
- op grond van artikel 1: 265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de verdeling van de zorg- en opvoedtaken als volgt vast te wijzigen in de zin dat de kinderen volledig bij moeder verblijven en nader te bepalen begeleide omgangsmomenten met vader hebben;
- dit verzoek te behandelen zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, onder analoge toepassing van art. 800 lid 3 en/of jo artikel 809 lid 3 Rv danwel op grond van art. 3 IVRK;
- de te geven beschikking(en) uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De beoordeling


4.1.
Ingevolge artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter gedurende de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedtaken wijzigen of vaststellen indien dat in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.


4.2.
Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling, machtiging uithuisplaatsing, voorlopige voogdij alsmede een beschikking als bedoeld in artikel 1:265i lid 2 BW aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.


4.3.
Nu bij wet niet is voorzien in de mogelijkheid om met spoed te beslissen op artikel 1:265g lid 1 BW, zal de kinderrechter in deze zaak analoge toepassing geven aan artikel 800 lid 3 Rv.


4.4.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Sinds het wijzigen van de voorlopige zorgregeling zijn de omstandigheden ingrijpend gewijzigd. De zorgen over de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens het verblijf bij de vader zijn toegenomen. Op 17 april 2026 is bij Veilig Thuis een melding gedaan over ernstige zorgen ten aanzien van de verzorging en veiligheid van de minderjarigen bij de vader. Hierbij zijn onder meer zorgen geuit over de hygiëne van de woning, de verzorging van de minderjarigen, onvoldoende toezicht, verbaal grensoverschrijdend gedrag richting de minderjarigen en onveilige situaties in en rondom de woning. Vervolgens is op 11 juni 2026 opnieuw een melding gedaan bij Veilig Thuis. Daarnaast heeft de jeugdbeschermer op 4 juni 2026 zelf de gevolgen van een recente escalatie tussen vader en zijn nieuwe partner waargenomen. Hierdoor zijn zorgen ontstaan over de emotieregulatie van de vader, zijn agressiehantering en de veiligheid binnen de woning. De nieuwe partner van vader heeft verklaard dat vaker sprake is van agressieve escalaties, vernielingen in de woning en hardhandig en verbaal grensoverschrijdend gedrag richting de minderjarigen. Ook zijn zorgen geuit over de leefomgeving van de minderjarigen. Deze signalen beperken zich niet tot één incident maar laten een patroon zien van onveiligheid op meerdere domeinen, waaronder verzorging, hygiëne, toezicht, fysieke veiligheid en emotieregulatie. De GI acht de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen de huidige voorlopige zorgregeling onvoldoende gewaarborgd. Ondanks de inzet van hulpverlening en gesprekken met de vader is er onvoldoende zicht ontstaan op een structurele verbetering van de situatie. Daarbij laat de vader beperkt inzicht zien in de geuite zorgen en staat hij niet open voor ondersteuning gericht op zijn agressieregulatie. Ook het sociale netwerk rondom de vader is onvoldoende in staat gebleken de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens hun verblijf bij de vader structureel te waarborgen. Gelet op de aard, de ernst en de opeenstapeling van de signalen acht de GI het niet langer verantwoord dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onbegeleid en gedurende langere perioden bij de vader verblijven. De GI verzoekt daarom de voorlopige zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig volledig bij de moeder verblijven. Daarnaast wordt verzocht te bepalen dat het contact tussen de vader en de minderjarigen uitsluitend plaatsvindt in de vorm van begeleide omgangsmomenten, waarvan de frequentie, duur en invulling nader moeten worden bepaald.



4.5.
Op basis van het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de voorlopige zorgregeling in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met onmiddellijke ingang moet worden geschorst om hun veiligheid te kunnen waarborgen. De kinderrechter is van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierbij neemt de kinderrechter in overweging dat de nieuwe en toegenomen zorgen over de verzorging en de veiligheid van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de opvoedsituatie bij de vader dusdanig groot zijn dat het niet verantwoord is om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op dit moment onbegeleid en gedurende langere tijd bij de vader te laten verblijven. Daarom schorst de kinderrechter de voorlopige zorgregeling zoals bepaald bij beschikking van 28 april 2026 totdat op het verzoek is beslist.


4.6.
Een verdere beslissing op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat het verzoek mondeling is behandeld. Deze mondelinge behandeling zal plaatsvinden op [datum] 2026 om [uur]. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er op dat moment met de moeder, de vader, de GI en de Raad voor de Kinderbescherming zal worden gesproken.


4.7.
De kinderrechter geeft de GI in overweging mee dat indien mogelijk al voor de mondelinge behandeling van [datum] 2026 kan worden overgegaan tot begeleid contact tussen de vader en de minderjarigen, waarbij de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uiteraard gewaarborgd moet zijn.



4.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





5De beslissing


De kinderrechter:



5.1.
schorst de voorlopige zorgregeling zoals bepaald bij beschikking van 28 april 2026 totdat op het verzoek is beslist;


5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


5.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan en roept de GI, de vader en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. Haesen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in het gerechtsgebouw aan Kousteensedijk 2 te [locatie] , op [datum] 2026 om [uur] , teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;


5.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting voor de GI, de vader en de moeder;


5.5.
vraagt de griffier de Raad voor de Kinderbescherming op te roepen.








Deze beschikking is gegeven door mr. Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.