Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6329
2026-06-12
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448156 / JE RK 26-839
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling. Geen sprake meer van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en geen meerwaarde
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.782 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448156 / JE RK 26-839
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
JEUGDBESCHERMING BRABANT ’S-HERTOGENBOSCH,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. Koçak uit Rotterdam,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. L.L. Schipper-Heikens uit Den Haag.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat en een tolk Arabisch-Marokkaans;
- de moeder met haar advocaat en een tolk Arabisch-Marokkaans;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft laatstelijk bij beschikking van 9 februari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 14 februari 2026 tot 14 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. [hulpverlening] heeft zich de afgelopen periode gericht op de weerstand van [minderjarige] ten aanzien van het contact met de vader. Het onderwerp contact met de vader roept nog steeds erg veel spanning op bij [minderjarige] . Uiteindelijk heeft [hulpverlening] een erkennings- en ontschuldigingsbrief vanuit de vader voorgelezen aan [minderjarige] . [minderjarige] reageerde zichtbaar met weerstand op de brief. [hulpverlening] geeft aan dat het complex is om de grote weerstand bij [minderjarige] te duiden. Bij de GI blijven zorgen bestaan over in hoeverre de moeder emotionele toestemming kan geven, onder andere doordat de moeder de contactgegevens van de school van [minderjarige] al niet durft te delen met de vader. Mogelijk veroorzaken onverwerkte trauma’s van de moeder dit. [hulpverlening] adviseert momenteel om niet verder in te zetten op contactherstel met de vader. Het hoogst haalbare is bereikt en doorgaan op dit thema kan zorgen voor meer spanning en mogelijk stagnatie in [minderjarige] ontwikkeling teweegbrengen. [hulpverlening] zal daarom gaan afsluiten. De GI wil de komende periode nog een traject voor systeemtherapie bij [jeugdhulp] inzetten, in de hoop dat deze hulpverlening eraan bijdraagt dat [minderjarige] (in de toekomst) zich vrij voelt om contact te hebben met de vader. Dit is nodig om te beoordelen of het hoogst haalbare is bereikt binnen de ondertoezichtstelling. Er is een wachttijd van één tot drie maanden en het traject zal ongeveer zes maanden duren. Deze hulp inzetten binnen het vrijwillig kader is niet haalbaar, omdat de moeder heeft aangegeven mee te werken aan de hulpverlening omdat dit haar wordt opgelegd. Een verlenging van negen maanden is nodig om het traject bij [jeugdhulp] te monitoren. Dit traject is niet gericht op [minderjarige] , maar op de communicatie tussen de ouders omdat het de ouders nog niet lukt om in het belang van [minderjarige] met elkaar te communiceren. De moeder stuurt maandelijks informatieve mails naar de vader met behulp van [zorginstelling] .
4.2.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat zij de vader niet wil zien. De kinderrechter merkte dat [minderjarige] het heel moeilijk vond om over de vader te praten en dat zij blokkeerde. Over andere onderwerpen, die niet te maken hadden met de vader, kon [minderjarige] vrolijk vertellen.
4.3.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat de moeder verzoekt om het verlengingsverzoek af te wijzen. Het gaat momenteel heel goed met [minderjarige] en de speltherapie is inmiddels afgerond. Er zijn geen signalen dat de moeder onvoldoende emotionele toestemming geeft voor het contact tussen [minderjarige] en de vader. Zelf heeft de moeder een psychologisch traject afgerond voor haar trauma’s vanuit de relatie met de vader. De moeder vindt een ondertoezichtstelling niet nodig om nog systeemtherapie in te zetten, aangezien de ouders zich daar zelf voor kunnen aanmelden als dat nodig is. De moeder heeft altijd meegewerkt aan hulpverlening. Wel heeft zij twijfels of het traject zal helpen en heeft zij zorgen over de belastbaarheid van [minderjarige] als die betrokken wordt in nieuwe hulpverlening. Daarnaast heeft de moeder twijfels over de toegevoegde waarde van een ondertoezichtstelling omdat er al jaren geen verandering heeft plaatsgevonden in de weerstand van [minderjarige] ondanks de ondertoezichtstelling. De moeder vindt het belangrijk dat er contact is tussen [minderjarige] en de vader, maar na alle hulpverlening is het nog steeds niet duidelijk waar de weerstand bij [minderjarige] vandaan komt. De moeder wil dat [minderjarige] rust krijgt en dat zij zich kan gaan focussen op haar nieuwe school. Er wordt al heel lang geprobeerd om te komen tot contactherstel, maar een keer moet dat worden afgerond. Als [minderjarige] wel contact wil met de vader, dan zal [minderjarige] dat aangeven bij de moeder en zal de moeder dat contact niet in de weg staan. Verder komt de moeder de informatieregeling na en stuurt zij maandelijks informatieve mails naar de vader.
4.4.
Door en namens de vader is tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader instemt met het verzoek. De vader heeft [minderjarige] sinds er sprake is van een ondertoezichtstelling slechts enkele minuten gezien. [minderjarige] voelt aan dat er spanningen zijn tussen de ouders. Het is begrijpelijk dat [minderjarige] therapie moe is, nu de hulpverlening telkens op haar gericht is geweest. De focus moet echter liggen op de ouders en waar de blokkade in zit bij de moeder. De moeder dient het verleden te verwerken en ruimte te creëren om met de vader te communiceren. Het is goed dat dit zal gaan gebeuren door middel van de inzet van het traject bij [jeugdhulp] . De ouders zijn niet in staat om zelf deze hulpverlening in te zetten, omdat de moeder daar niet echt achter staat. Ook zou de moeder binnen een vrijwillig kader op elk moment kunnen stoppen met de hulpverlening. De moeder heeft de verplichting om de band tussen de vader en [minderjarige] te bevorderen. De vader vindt het erg lang duren en hij vindt het jammer dat er tot nu toe geen stappen vooruit zijn gezet. De vader heeft [minderjarige] nooit belast door contact af te dwingen en hij is altijd meegegaan in het tempo van [minderjarige] , hoe moeilijk dat ook is voor de vader.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.
5.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat niet langer aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter stelt vast dat er geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . Er zijn zeker nog zorgen, maar niet dusdanig dat die een ondertoezichtstelling rechtvaardigen. [minderjarige] ontwikkelt zich momenteel positief zowel in de thuissituatie bij de moeder als op school.
De ondertoezichtstelling heeft vooral in het teken gestaan van het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader en de weerstand van [minderjarige] tegen dit contact. In de loop der tijd zijn er verschillende hulpverleningstrajecten ingezet om daar verandering in te brengen, maar de weerstand bij [minderjarige] tegen het contact met de vader en de spanningen bij [minderjarige] zijn niet afgenomen. Vanuit [hulpverlening] , waar [minderjarige] laatstelijk onder behandeling was, worden op dit moment geen verdere mogelijkheden meer gezien ten aanzien van contactherstel. [hulpverlening] heeft geadviseerd om hier dan ook niet verder op in te zetten omdat het hoogst haalbare is bereikt en doorgaan op dit thema schadelijk is voor [minderjarige] ontwikkeling.
De kinderrechter overweegt dat het in beginsel in het belang van een kind wordt geacht om met haar beide ouders contact te hebben, maar dat dit in het geval van [minderjarige] (op dit moment) dus anders is. De GI onderschrijft dit standpunt en de verlenging van de ondertoezichtstelling is dan ook niet bedoeld om nog verdere hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten.
5.5.
Hoewel er naar het oordeel van de kinderrechter niet langer sprake is van een ontwikkelingsbedreiging, overweegt zij nog het volgende.
De GI heeft zorgen over de oudercommunicatie en de mate waarin de moeder emotionele toestemming kan geven voor contact tussen [minderjarige] en de vader. De GI vindt dat de onderliggende factoren nog onvoldoende in beeld zijn en wil daarom voor de ouders een hulpverleningstraject van zes maanden vanuit [jeugdhulp] inzetten.
De kinderrechter vraagt zich af of dit passend is. Uit het verslag van [hulpverlening] blijkt dat de moeder zich actief inzet om [minderjarige] emotionele ruimte te geven voor en haar ondersteunt bij contactherstel met de vader. De moeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij onder behandeling is geweest van een psycholoog voor haar eigen trauma’s vanuit de relatie met de vader en dat zij openstaat voor contact tussen [minderjarige] en de vader op het moment dat [minderjarige] daar aan toe is. Voorts is gebleken dat de moeder zich houdt aan de door de rechtbank bepaalde informatieregeling en heeft zij tijdens de zitting aangeven hiermee te zullen doorgaan. Tot slot is gebleken dat de ondertoezichtstelling veel spanning en stress oplevert bij [minderjarige] en de moeder. De kinderrechter acht dit niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] .
5.6.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er nu rust komt voor [minderjarige] , zodat zij zich kan richten op haar ontwikkeltaken en de positieve lijn kan voortzetten. Verder hoopt de kinderrechter dat er op termijn ruimte zal ontstaan bij [minderjarige] voor contact met de vader.
5.7.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de GI afwijzen.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 26 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448156 / JE RK 26-839
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
JEUGDBESCHERMING BRABANT ’S-HERTOGENBOSCH,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. Koçak uit Rotterdam,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. L.L. Schipper-Heikens uit Den Haag.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat en een tolk Arabisch-Marokkaans;
- de moeder met haar advocaat en een tolk Arabisch-Marokkaans;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft laatstelijk bij beschikking van 9 februari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 14 februari 2026 tot 14 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. [hulpverlening] heeft zich de afgelopen periode gericht op de weerstand van [minderjarige] ten aanzien van het contact met de vader. Het onderwerp contact met de vader roept nog steeds erg veel spanning op bij [minderjarige] . Uiteindelijk heeft [hulpverlening] een erkennings- en ontschuldigingsbrief vanuit de vader voorgelezen aan [minderjarige] . [minderjarige] reageerde zichtbaar met weerstand op de brief. [hulpverlening] geeft aan dat het complex is om de grote weerstand bij [minderjarige] te duiden. Bij de GI blijven zorgen bestaan over in hoeverre de moeder emotionele toestemming kan geven, onder andere doordat de moeder de contactgegevens van de school van [minderjarige] al niet durft te delen met de vader. Mogelijk veroorzaken onverwerkte trauma’s van de moeder dit. [hulpverlening] adviseert momenteel om niet verder in te zetten op contactherstel met de vader. Het hoogst haalbare is bereikt en doorgaan op dit thema kan zorgen voor meer spanning en mogelijk stagnatie in [minderjarige] ontwikkeling teweegbrengen. [hulpverlening] zal daarom gaan afsluiten. De GI wil de komende periode nog een traject voor systeemtherapie bij [jeugdhulp] inzetten, in de hoop dat deze hulpverlening eraan bijdraagt dat [minderjarige] (in de toekomst) zich vrij voelt om contact te hebben met de vader. Dit is nodig om te beoordelen of het hoogst haalbare is bereikt binnen de ondertoezichtstelling. Er is een wachttijd van één tot drie maanden en het traject zal ongeveer zes maanden duren. Deze hulp inzetten binnen het vrijwillig kader is niet haalbaar, omdat de moeder heeft aangegeven mee te werken aan de hulpverlening omdat dit haar wordt opgelegd. Een verlenging van negen maanden is nodig om het traject bij [jeugdhulp] te monitoren. Dit traject is niet gericht op [minderjarige] , maar op de communicatie tussen de ouders omdat het de ouders nog niet lukt om in het belang van [minderjarige] met elkaar te communiceren. De moeder stuurt maandelijks informatieve mails naar de vader met behulp van [zorginstelling] .
4.2.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat zij de vader niet wil zien. De kinderrechter merkte dat [minderjarige] het heel moeilijk vond om over de vader te praten en dat zij blokkeerde. Over andere onderwerpen, die niet te maken hadden met de vader, kon [minderjarige] vrolijk vertellen.
4.3.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat de moeder verzoekt om het verlengingsverzoek af te wijzen. Het gaat momenteel heel goed met [minderjarige] en de speltherapie is inmiddels afgerond. Er zijn geen signalen dat de moeder onvoldoende emotionele toestemming geeft voor het contact tussen [minderjarige] en de vader. Zelf heeft de moeder een psychologisch traject afgerond voor haar trauma’s vanuit de relatie met de vader. De moeder vindt een ondertoezichtstelling niet nodig om nog systeemtherapie in te zetten, aangezien de ouders zich daar zelf voor kunnen aanmelden als dat nodig is. De moeder heeft altijd meegewerkt aan hulpverlening. Wel heeft zij twijfels of het traject zal helpen en heeft zij zorgen over de belastbaarheid van [minderjarige] als die betrokken wordt in nieuwe hulpverlening. Daarnaast heeft de moeder twijfels over de toegevoegde waarde van een ondertoezichtstelling omdat er al jaren geen verandering heeft plaatsgevonden in de weerstand van [minderjarige] ondanks de ondertoezichtstelling. De moeder vindt het belangrijk dat er contact is tussen [minderjarige] en de vader, maar na alle hulpverlening is het nog steeds niet duidelijk waar de weerstand bij [minderjarige] vandaan komt. De moeder wil dat [minderjarige] rust krijgt en dat zij zich kan gaan focussen op haar nieuwe school. Er wordt al heel lang geprobeerd om te komen tot contactherstel, maar een keer moet dat worden afgerond. Als [minderjarige] wel contact wil met de vader, dan zal [minderjarige] dat aangeven bij de moeder en zal de moeder dat contact niet in de weg staan. Verder komt de moeder de informatieregeling na en stuurt zij maandelijks informatieve mails naar de vader.
4.4.
Door en namens de vader is tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader instemt met het verzoek. De vader heeft [minderjarige] sinds er sprake is van een ondertoezichtstelling slechts enkele minuten gezien. [minderjarige] voelt aan dat er spanningen zijn tussen de ouders. Het is begrijpelijk dat [minderjarige] therapie moe is, nu de hulpverlening telkens op haar gericht is geweest. De focus moet echter liggen op de ouders en waar de blokkade in zit bij de moeder. De moeder dient het verleden te verwerken en ruimte te creëren om met de vader te communiceren. Het is goed dat dit zal gaan gebeuren door middel van de inzet van het traject bij [jeugdhulp] . De ouders zijn niet in staat om zelf deze hulpverlening in te zetten, omdat de moeder daar niet echt achter staat. Ook zou de moeder binnen een vrijwillig kader op elk moment kunnen stoppen met de hulpverlening. De moeder heeft de verplichting om de band tussen de vader en [minderjarige] te bevorderen. De vader vindt het erg lang duren en hij vindt het jammer dat er tot nu toe geen stappen vooruit zijn gezet. De vader heeft [minderjarige] nooit belast door contact af te dwingen en hij is altijd meegegaan in het tempo van [minderjarige] , hoe moeilijk dat ook is voor de vader.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.
5.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat niet langer aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter stelt vast dat er geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . Er zijn zeker nog zorgen, maar niet dusdanig dat die een ondertoezichtstelling rechtvaardigen. [minderjarige] ontwikkelt zich momenteel positief zowel in de thuissituatie bij de moeder als op school.
De ondertoezichtstelling heeft vooral in het teken gestaan van het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader en de weerstand van [minderjarige] tegen dit contact. In de loop der tijd zijn er verschillende hulpverleningstrajecten ingezet om daar verandering in te brengen, maar de weerstand bij [minderjarige] tegen het contact met de vader en de spanningen bij [minderjarige] zijn niet afgenomen. Vanuit [hulpverlening] , waar [minderjarige] laatstelijk onder behandeling was, worden op dit moment geen verdere mogelijkheden meer gezien ten aanzien van contactherstel. [hulpverlening] heeft geadviseerd om hier dan ook niet verder op in te zetten omdat het hoogst haalbare is bereikt en doorgaan op dit thema schadelijk is voor [minderjarige] ontwikkeling.
De kinderrechter overweegt dat het in beginsel in het belang van een kind wordt geacht om met haar beide ouders contact te hebben, maar dat dit in het geval van [minderjarige] (op dit moment) dus anders is. De GI onderschrijft dit standpunt en de verlenging van de ondertoezichtstelling is dan ook niet bedoeld om nog verdere hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten.
5.5.
Hoewel er naar het oordeel van de kinderrechter niet langer sprake is van een ontwikkelingsbedreiging, overweegt zij nog het volgende.
De GI heeft zorgen over de oudercommunicatie en de mate waarin de moeder emotionele toestemming kan geven voor contact tussen [minderjarige] en de vader. De GI vindt dat de onderliggende factoren nog onvoldoende in beeld zijn en wil daarom voor de ouders een hulpverleningstraject van zes maanden vanuit [jeugdhulp] inzetten.
De kinderrechter vraagt zich af of dit passend is. Uit het verslag van [hulpverlening] blijkt dat de moeder zich actief inzet om [minderjarige] emotionele ruimte te geven voor en haar ondersteunt bij contactherstel met de vader. De moeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij onder behandeling is geweest van een psycholoog voor haar eigen trauma’s vanuit de relatie met de vader en dat zij openstaat voor contact tussen [minderjarige] en de vader op het moment dat [minderjarige] daar aan toe is. Voorts is gebleken dat de moeder zich houdt aan de door de rechtbank bepaalde informatieregeling en heeft zij tijdens de zitting aangeven hiermee te zullen doorgaan. Tot slot is gebleken dat de ondertoezichtstelling veel spanning en stress oplevert bij [minderjarige] en de moeder. De kinderrechter acht dit niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] .
5.6.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er nu rust komt voor [minderjarige] , zodat zij zich kan richten op haar ontwikkeltaken en de positieve lijn kan voortzetten. Verder hoopt de kinderrechter dat er op termijn ruimte zal ontstaan bij [minderjarige] voor contact met de vader.
5.7.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de GI afwijzen.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 26 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.