Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6323

2026-06-12 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448321 / JE RK 26-863
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-12
Publicatiedatum
2026-07-13
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448321 / JE RK 26-863
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing voor de duur van een jaar.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.947 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/448321 / JE RK 26-863
Datum uitspraak: 12 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van



de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R.E. Teusink uit Roosendaal,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .





1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 mei 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 juni 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 17 juni 2025 tot 17 juni 2026. Ook is bij diezelfde beschikking de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 17 juni 2025 tot 17 juni 2026.



2.3.

[minderjarige] verblijft sinds oktober 2023 in een gezinshuis in [plaats] . [minderjarige] gaat telkens een weekend naar de vader, een weekend naar de moeder, een weekend naar de grootouders mz en blijft een weekend in het gezinshuis.





3De verzoeken


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.



3.2.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.



3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De GI legt het volgende ten grondslag aan de verzoeken. [minderjarige] maakt stappen in haar ontwikkeling en doet het binnen haar vermogen enorm goed in het gezinshuis. Het gezinshuis biedt [minderjarige] de nodige kaders, structuur, nabijheid en veiligheid die zij nodig heeft van een opvoeder. Het perspectief van [minderjarige] ligt in dit gezinshuis. Ook school biedt haar wat zij gezien haar leeftijd en ontwikkeling nodig heeft. De vader lijkt het voor zover mogelijk prima te doen. Wel zijn er zorgen over minder goed eten en persoonlijke verzorging tijdens een weekend bij de vader. Daarnaast zijn er zorgen over het contact tussen [minderjarige] en de moeder en de moeder in relatie met het gezinshuis en de vader. De moeder lijkt niet het belang van [minderjarige] voorop te kunnen stellen en lijkt niet aan te kunnen sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Zo zou de moeder regelmatig boos zijn en [minderjarige] onder druk zetten. Bij de moeder is thuis daarnaast geen sprake van activiteiten, speelgoed, en [minderjarige] komt daar niet buiten. Ook maakt de moeder de kamer van [minderjarige] niet leeg. [minderjarige] komt gestrest terug van de bezoeken bij de moeder. Recent heeft de GI een schriftelijke aanwijzing afgegeven aan de moeder met afspraken en voorwaarden rondom een huisbezoek van de GI. Verder neemt de moeder geen financiële verantwoordelijkheid voor [minderjarige] , terwijl zij kinderbijslag, kindgebonden budget en alimentatie ontvangt. De handelingen van de moeder verstoren de relatie tussen [minderjarige] en de moeder. De GI acht het risico op ouderverstoting richting de moeder groot. [minderjarige] zit klem tussen haar ouders en er is sprake van een loyaliteitsconflict. De spanningen tussen de ouders blijven zorgelijk. Uit onmacht, beperkingen en belast verleden lijken de ouders niet altijd in staat te zijn om het belang van [minderjarige] voorop te stellen en aan te sluiten bij wat zij nodig heeft. Om ouderverstoting, overplaatsing naar een ander gezinshuis door moeder en het vergroten van het loyaliteitsconflict te voorkomen, is de GI van mening dat een verlenging van beide maatregelen voor de duur van een jaar nodig is. Ook zal de samenwerking tussen de ouders en het gezinshuis onder druk komen te staan zonder een ondertoezichtstelling. Verder geeft de GI aan dat er sinds kort een nieuwe jeugdbeschermer betrokken is.



4.2.
In haar brief aan de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat zij het naar haar zin heeft in het gezinshuis. Daarnaast is zij tevreden met hoe het gaat met haar ouders. Zij vindt het fijn dat de jeugdbeschermer betrokken is bij het gezin.



4.3.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige] in het gezinshuis. Daarbij wil de moeder wel dat er aandacht blijft voor de momenten dat [minderjarige] klem lijkt te zitten tussen het gezinshuis en de ouders. De communicatie tussen de moeder en het gezinshuis verloopt niet altijd goed. De moeder wil graag iemand kunnen bellen in het weekend, als zij een vraag heeft over hoe zij bepaalde dingen moet aanpakken rondom [minderjarige] . Er is dan echter niemand bereikbaar. Daarnaast verloopt de communicatie tussen de moeder en de grootouders mz zorgelijk. De moeder krijgt feedback vanuit de GI, maar het lukt haar niet om haar ouders bij te sturen. Verder verloopt de communicatie tussen de ouders over [minderjarige] goed en heeft [minderjarige] inmiddels een grotere kamer bij de moeder.



4.4.
De vader heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige] en dat zij beter in haar vel zit. De ouders zijn zelf echter niet altijd machtig om het goed aan te pakken met [minderjarige] . Eerder hadden de ouders een tussenpersoon vanuit De GezinsManager, die zij altijd konden bereiken en aan wie zij vragen konden stellen. De vader wil graag iemand om feedback aan te kunnen vragen.





5De beoordeling



Verlenging van de ondertoezichtstelling





Wettelijk kader



5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.



5.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:


de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en


de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.



Inhoudelijke beoordeling



5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hierna uit waarom.



5.4.
Uit de stukken en wat er tijdens de zitting naar voren is gebracht blijkt dat [minderjarige] de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet in haar ontwikkeling. De gestelde doelen van de ondertoezichtstelling zijn echter nog niet behaald. [minderjarige] zit klem tussen haar ouders en er is sprake van een loyaliteitsconflict. Daarnaast blijven de spanningen tussen de ouders zorgelijk en is er een groot risico op ouderverstoting richting de moeder. Uit onmacht, beperkingen en een belast verleden lijken de ouders niet altijd in staat te zijn om het belang van [minderjarige] voorop te stellen en aan te sluiten bij wat zij nodig heeft. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De ouders zien dit zelf ook in en stemmen in met een verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.



Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing





Wettelijk kader




5.5.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en maximaal voor de duur van een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) zijn voldaan.



5.6.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.



Inhoudelijke beoordeling




5.7.
Ook is naar het oordeel van de kinderrechter de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.



5.8.

[minderjarige] verblijft inmiddels al langere tijd, namelijk sinds oktober 2023, bij het gezinshuis. Zij doet het binnen haar vermogen erg goed in het gezinshuis. Het gezinshuis biedt [minderjarige] de nodige kaders, structuur, nabijheid en veiligheid die zij nodig heeft. Beide ouders geven aan dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt in het gezinshuis. Het is vooralsnog niet mogelijk voor [minderjarige] om bij een van haar ouders te wonen. De kinderrechter acht het van belang dat de plaatsing van [minderjarige] de komende periode gecontinueerd wordt en zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van een jaar.



Uitvoerbaar bij voorraad





5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 17 juni 2026 tot 17 juni 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 17 juni 2026 tot 17 juni 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 26 juni 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 BW.


Artikel 1:265c, tweede lid, BW.