Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6311
2026-06-12
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/444979 FA RK 26-753
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenbeschikking, bepaling voorlopig co-ouderschap conform wens vader en kind. Ouders moeten werken aan oudercommunicatie. Moeder vindt dat vader haar ondermijnt.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.862 tekens)
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/444979 FA RK 26-753
datum uitspraak: 12 juni 2026
beschikking over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats]
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.J. Waaijers- de Graaf te Dordrecht,
over de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018,
hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 10 februari 2026 ontvangen verzoekschrift van mr. Van Kerkhof namens de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Van Kerkhof van 6 maart 2026, zijnde de geboorteakte van [minderjarige] ;
- het op 26 mei 2026 ontvangen verweerschrift van mr. Waaijers- de Graaf, namens de vrouw, met bijlagen.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 2 juni 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
1.3
[minderjarige] heeft na de zitting alsnog de mogelijkheid gekregen om met de kinderrechter te praten. Op 8 juni 2026 heeft de kinderrechter met [minderjarige] gesproken in een zogenaamd kindgesprek.
2De feiten
2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank
is de echtscheiding uitgesproken op [datum] 2022. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
2.3
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
2.4
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.5
Partijen zijn een ouderschapsplan overeengekomen. In dit ouderschapsplan is onder artikel 3.1. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken opgenomen dat: [minderjarige] eenmaal per veertien dagen, in de oneven weken, in het weekend bij de vader verblijft, en wel van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur, waarbij de vader [minderjarige] van school ophaalt.
3Het verzoek
3.1
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van deze rechtbank van [datum] 2022, alsmede het daaraan gehechte ouderschapsplan voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingtaken betreft, te wijzigen en nader te bepalen dat de man gerechtigd is tot het hebben van contact met zijn zoon bij helfte in de vorm van een co-ouderschapsregeling, als volgt: ‘een week-op-week-af-regeling waarbij het wisselmoment zal plaatsvinden op maandag. De ouders waar de minderjarige op zondag heeft verbleven brengt [minderjarige] op maandag naar school. De andere ouder haalt de minderjarige van school op. Als maandag een vrije dag is, dan zal de overdracht op gelijkluidende wijze plaatsvinden, maar dan op een dinsdag”, dan wel subsidiair op een wijze als de rechtbank in goede justitie in het belang van de minderjarige acht.
3.2
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt primair om de zaak aan te houden in afwachting van de nog in te zetten hulpverlening met instandhouding van de huidige regeling. Indien de zaak niet aangehouden wordt, verzoekt de vrouw om het verzoek van de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Wettelijk kader en ontvankelijkheid
4.1
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. In geval van een geschil over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken kan de rechter gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW een getroffen zorgregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.2
De man stelt dat er sprake is van een wijziging van de omstandigheden sinds het ouderschapsplan van 19 juli 2022 , nu [minderjarige] heeft aangegeven dat hij graag meer bij de man wil zijn. De vrouw heeft de wijziging van de omstandigheden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een wijziging van de omstandigheden. De man zal daarom worden ontvangen in zijn verzoek.
De standpunten
4.3
De man stelt zich op het standpunt dat een wijziging van de zorgregeling in het belang van [minderjarige] is, nu dit zijn eigen wens is. De man heeft hierover gesprekken gevoerd met de vrouw en was in de veronderstelling dat partijen waren overeengekomen dat zij de zorg- en opvoedingstaken voortaan bij helfte zouden delen in de vorm van een co-ouderschapsregeling met de wisseldag op maandag. Dit blijkt nu niet zo te zijn. Het verweerschrift van de vrouw komt de man als een donderslag bij heldere hemel. Het enige waar partijen verdeeld over waren gebleven in zijn beleving, was de gevolgen voor de kinderalimentatie bij een co-ouderschapsregeling. De man is bereid om de vrouw hierin tegemoet te komen, maar er is wel een grens. De man erkent wel dat de oudercommunicatie beter kan. Hiervoor is hulpverlening ingezet bij de Gezinsmanager. Dit moet nog starten. De man is bereid om zijn medewerking hieraan te verlenen. Verder lijkt de relatie tussen de vrouw en [minderjarige] bij tijd en wijle broos te zijn. De man moet [minderjarige] regelmatig kalmeren wanneer hij de man opbelt. Daarnaast heeft [minderjarige] laatst een week bij de man verbleven omdat het thuis bij de moeder niet ging.
Verder is duidelijk dat [minderjarige] hulpverlening nodig heeft. Er is een traject opgestart bij [hulpverlening] en er hebben gesprekken plaatsgevonden met de school en de huisarts. Dit heeft volgens de man te maken met het trauma dat [minderjarige] heeft opgelopen door mishandeling door de ex-partner van de vrouw. Volgens de man kan de hulpverlening voor zowel de ouders als die voor [minderjarige] parallel aan de uitvoering van een co-ouderschapsregeling lopen. Een gelijkwaardige verdeling in de zorg- en opvoedingstaken is het uitgangspunt. Daarbij komt dat er dan aan de wens van [minderjarige] wordt voldaan. Dit geeft hem meer rust. Dit is belangrijk voor zijn hulpverleningstraject. Over zes maanden kan worden bezien hoe het gaat en dan met name of [minderjarige] hulp heeft gehad en of hij daadwerkelijk meer tot rust is gekomen.
4.4
De vrouw voert verweer en voert aan dat de huidige zorgregeling voor nu in stand moet blijven. [minderjarige] weet dan waar hij aan toe is. Daarbij komt dat co-ouderschap veel onderling overleg vereist en soepele afstemming over dagelijkse zaken. Dit wordt bemoeilijkt nu de ouders een constant verschil van mening en inzicht hebben. Er is dus geen stabiele basis voor een co-ouderschap. De vrouw vreest dat [minderjarige] zich nog meer tegen de vrouw zal gaan verzetten als hij vaker bij de man zal zijn, omdat het erop lijkt dat [minderjarige] bij de man de ruimte krijgt om taken en verplichtingen die bij de vrouw wel moeten, te ontlopen. Bij de man thuis gelden minder regels. De vrouw merkt dit in het gedrag van [minderjarige] richting haar en het kost haar als [minderjarige] bij haar terugkomt steeds een aantal dagen om dit weer te normaliseren. De vrouw erkent dat er met regelmaat sprake is van frictie tussen haar en [minderjarige] , maar het is niet zo dat ze [minderjarige] naar de man heeft gestuurd omdat ze het niet meer trok. Hij wilde zelf graag naar de man en de vrouw wilde aan zijn wens tegemoet komen. De vrouw heeft het gevoel dat de man haar ondermijnt. Bij het karakter van [minderjarige] past het geven van een duidelijke structuur. Dit vergt veel afstemming tussen de ouders. De angst bestaat dat [minderjarige] bij een co-ouderschap klem komt te zitten tussen de ouders. Hij zal dan in twee verschillende opvoedsystemen opgroeien met alle gevolgen van dien. Er is geen afstemming tussen de ouders over de basisopvoeding van [minderjarige] . De vrouw is primair van mening dat het verzoek van de man aangehouden moet worden in afwachting van hulpverlening door -in eerste instantie- de Gezinsmanager voor het volgen van een traject waarbij de ouders moeten leren samenwerken en hun communicatie moeten verbeteren. De huidige regeling dient in stand te blijven gedurende die aanhouding. De aanmelding voor de Gezinsmanager is reeds verstuurd. Indien de zaak niet wordt aangehouden is de vrouw van mening dat het verzoek van de man dient te worden afgewezen omdat een wijziging van de zorgregeling nu niet in het belang van [minderjarige] is en er teveel contra-indicaties zijn om een co-ouderschapsregeling vast te stellen. Er is immers sprake van slechte oudercommunicatie. Indien de rechtbank wel tot een co-ouderschapsregeling komt vraagt de vrouw zich af of een week op en week af regeling dan voldoende rust biedt voor [minderjarige] en of dit dan niet 2 weken op en 2 weken af regeling dient te zijn omdat er dan sprake is van minder wisselingen.
4.5
De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om pas op termijn een co-ouderschapsregeling vast te stellen, gelet op de huidige omstandigheden en hoe het op dit moment met [minderjarige] gaat. Een co-ouderschapsregeling zou goed zijn voor [minderjarige] , maar is op dit moment nog te voorbarig. Er komt een beeld naar voren dat [minderjarige] reageert op de spanningen die er nog tussen de ouders aanwezig zijn. Inzetten op de oudercommunicatie voorafgaand aan een co-ouderschapsregeling maakt dat de ouders mogelijk meer op één lijn komen met betrekking tot de opvoeding van [minderjarige] . Zij kunnen dit dan ook gezamenlijk gaan uitdragen naar [minderjarige] . Dit is in zijn belang en draagt bij aan het laten slagen van de co-ouderschapregeling.
Wat vindt de rechtbank?
4.6
De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). Tijdens de zitting is gebleken dat de standpunten van partijen uiteen liggen en dat het nu niet mogelijk is om tot een overeenstemming te komen.
4.7
In artikel 1:253a BW staat dat de rechter bij een geschil tussen gezagdragende ouders een beslissing moet nemen die zij het meest in het belang van het kind vindt.
4.8
De rechtbank overweegt als volgt. Het is de rechtbank gebleken dat er forse zorgen zijn over [minderjarige] . Dit blijkt uit het overgelegde behandeladvies van de hulpverleningsorganisatie [hulpverlening] . Hierin wordt geadviseerd om een traumabehandeling voor [minderjarige] te starten waarbij wordt opgemerkt dat dit pas een kans van slagen heeft als er sprake is van een rustige omgeving. Op dit moment heeft [minderjarige] last van de spanningen die er tussen zijn ouders zijn en dit maakt ook dat de traumabehandeling niet kan starten. De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld welke zorgregeling het meest rechtdoet aan [minderjarige] zijn belangen en op welke manier hij zo snel mogelijk in de noodzakelijk geachte rust de voor hem benodigde hulpverlening kan starten. Tijdens het gesprek met de kinderechter heeft [minderjarige] aangegeven dat hij het fijn zou vinden als er een co-ouderschapsregeling komt zodat hij even veel tijd met zijn moeder als met zijn vader heeft. Deze wens kwam oprecht over. [minderjarige] is graag bij zijn moeder en is graag bij zijn vader. Hij mist de andere ouder als het lang duurt voordat hij die andere ouder weer ziet. [minderjarige] kan goed vertellen hoe hij erover denkt. Hij wil wel graag dat zijn ouders minder ruzie maken en was blij om te horen dat zijn ouders naar een school voor gescheiden ouders zullen gaan om te leren om minder ruzie te maken.
Voorlopige zorgregeling
4.9
De rechtbank acht het -alles afwegende – in het belang van [minderjarige] aangewezen om een voorlopige co-ouderschapsregeling vast te stellen als na te melden in het dictum en overweegt hiertoe als volgt. Kinderen hebben recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Dat staat in de wet (artikel 1:247 lid 4 BW). Het is niet zo dat ‘gelijkwaardig’ altijd betekent dat de tijd met het kind precies gelijk wordt verdeeld, maar in dit geval is het, naast de vader, ook de wens van [minderjarige] dat hij evenveel tijd met zijn beide ouders doorbrengt. Hij geeft aan dat hij het bij beide ouders fijn heeft en dat hij zou graag willen dat dit in de verdeling van de zorg voor hem tot uitdrukking komt. De vrouw heeft haar bedenkingen bij een co-ouderschap omdat zij vindt dat de man haar ondermijnt en dat dit schadelijk is voor [minderjarige] . Ook maakt zij zich zorgen omdat de regels in de beide huizen veel van elkaar verschillen en zij het idee heeft dat zij dan aan het kortste eindje trekt. De rechtbank heeft oog voor de zorgen van de vrouw maar vindt dat het de taak van beide ouders is om op dat punt stappen richting elkaar te zetten, de onderlinge communicatie te verbeteren en op te houden met ruzie te maken. Ouders moeten naar [minderjarige] gaan uitdragen dat zij samen en in gezamenlijkheid zijn ouders zijn en dat zij samen bepalen wat wel en wat niet goed voor hem is. Ouders hebben daarin nog een lange weg te gaan maar hebben zich gelukkig al wel tot De Gezinsmanager gewend om hen te begeleiden in dit proces. De rechtbank stelt voorop dat het belang van [minderjarige] steeds bij iedere beslissing van de rechter de eerste overweging vormt en is van oordeel dat het in zijn belang is dat hij niet hoeft te wachten tot zijn ouders dit proces hebben doorlopen. Zijn wens c.q. behoefte is duidelijk en daarom zal de rechtbank nu beslissen dat [minderjarige] het mag gaan ervaren hoe het is om de helft van de tijd bij de één en de andere helft van de tijd bij de andere ouder te zijn. De rechtbank houdt de verdeling aan zoals voorgesteld door de man (week op week af), nu zij een tweewekelijkse regeling zoals door de vrouw is voorgesteld op dit moment een te grote verandering vindt voor [minderjarige] , waarbij hij de andere ouder een te langere tijd niet ziet. De rechtbank zal wel beslissen dat het een voorlopige regeling betreft. Voorwaarde voor een langdurig goed lopende co-ouderschapsregeling is immers dat ouders met elkaar communiceren en afstemmen. Een voorlopige “week-op-week-af” regeling biedt [minderjarige] rust, duidelijkheid en continuïteit gedurende de periode waarin de hulpverlening zijn situatie onderzoekt en begeleidt en waarbinnen de ouders werken aan de oudercommunicatie bij de Gezinsmanager. Tevens creëert deze tijdelijke regeling de mogelijkheid om te beoordelen hoe [minderjarige] functioneert binnen deze gelijke zorgverdeling en welke gevolgen dit heeft voor zijn welzijn en ontwikkeling en biedt partijen ook mogelijkheid om zaken waartegen ze aanlopen direct bij de Gezinsmanager te bespreken. Na ontvangst van de bevindingen van de hulpverlening kan worden beoordeeld of voortzetting, wijziging of beëindiging van deze co-ouderschapsregeling in het belang van [minderjarige] is.
4.10
De rechtbank houdt de beslissing over de definitieve verdeling van de zorg-en opvoedingstaken aan voor de duur van 6 maanden. De rechtbank verzoekt aan partijen om uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum, via hun advocaten, (kort) schriftelijk verslag uit te brengen over de actuele stand van zaken, waarbij zij met name dienen in te gaan op het verloop (en eventueel resultaat) van de hulpverlening en het verloop van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Partijen worden daarnaast verzocht om het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure kenbaar te maken. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.11
De rechtbank zal de beslissing over de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de vorm van co-ouderschap, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij niet teveel wisselingen meemaakt.
5De beslissing
De rechtbank
wijzigt de in de beschikking van [datum] 2022 opgenomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt:
bepaalt dat de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018,
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders voorlopig, totdat de rechtbank definitief beslist, volgens een week-op-week-af-regeling bij de ouders verblijft, waarbij het wisselmoment zal plaatsvinden op maandag. De ouder waar [minderjarige] op zondag heeft verbleven brengt hem op maandag naar school. De andere ouder haalt [minderjarige] op maandag van school op. Als maandag een vrije dag is, dan zal de overdracht op gelijkluidende wijze plaatsvinden, maar dan op dinsdag;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing op het verzoek van de man aan voor de duur van 6 maanden tot dinsdag 15 december 2026 PRO FORMA, in afwachting van de reacties van de ouders (via hun advocaten) en het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.10 is overwogen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 in aanwezigheid van Akkermans-Bruijs, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/444979 FA RK 26-753
datum uitspraak: 12 juni 2026
beschikking over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats]
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.J. Waaijers- de Graaf te Dordrecht,
over de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018,
hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 10 februari 2026 ontvangen verzoekschrift van mr. Van Kerkhof namens de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Van Kerkhof van 6 maart 2026, zijnde de geboorteakte van [minderjarige] ;
- het op 26 mei 2026 ontvangen verweerschrift van mr. Waaijers- de Graaf, namens de vrouw, met bijlagen.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 2 juni 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
1.3
[minderjarige] heeft na de zitting alsnog de mogelijkheid gekregen om met de kinderrechter te praten. Op 8 juni 2026 heeft de kinderrechter met [minderjarige] gesproken in een zogenaamd kindgesprek.
2De feiten
2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank
is de echtscheiding uitgesproken op [datum] 2022. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
2.3
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
2.4
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.5
Partijen zijn een ouderschapsplan overeengekomen. In dit ouderschapsplan is onder artikel 3.1. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken opgenomen dat: [minderjarige] eenmaal per veertien dagen, in de oneven weken, in het weekend bij de vader verblijft, en wel van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur, waarbij de vader [minderjarige] van school ophaalt.
3Het verzoek
3.1
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van deze rechtbank van [datum] 2022, alsmede het daaraan gehechte ouderschapsplan voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingtaken betreft, te wijzigen en nader te bepalen dat de man gerechtigd is tot het hebben van contact met zijn zoon bij helfte in de vorm van een co-ouderschapsregeling, als volgt: ‘een week-op-week-af-regeling waarbij het wisselmoment zal plaatsvinden op maandag. De ouders waar de minderjarige op zondag heeft verbleven brengt [minderjarige] op maandag naar school. De andere ouder haalt de minderjarige van school op. Als maandag een vrije dag is, dan zal de overdracht op gelijkluidende wijze plaatsvinden, maar dan op een dinsdag”, dan wel subsidiair op een wijze als de rechtbank in goede justitie in het belang van de minderjarige acht.
3.2
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt primair om de zaak aan te houden in afwachting van de nog in te zetten hulpverlening met instandhouding van de huidige regeling. Indien de zaak niet aangehouden wordt, verzoekt de vrouw om het verzoek van de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Wettelijk kader en ontvankelijkheid
4.1
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. In geval van een geschil over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken kan de rechter gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW een getroffen zorgregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.2
De man stelt dat er sprake is van een wijziging van de omstandigheden sinds het ouderschapsplan van 19 juli 2022 , nu [minderjarige] heeft aangegeven dat hij graag meer bij de man wil zijn. De vrouw heeft de wijziging van de omstandigheden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een wijziging van de omstandigheden. De man zal daarom worden ontvangen in zijn verzoek.
De standpunten
4.3
De man stelt zich op het standpunt dat een wijziging van de zorgregeling in het belang van [minderjarige] is, nu dit zijn eigen wens is. De man heeft hierover gesprekken gevoerd met de vrouw en was in de veronderstelling dat partijen waren overeengekomen dat zij de zorg- en opvoedingstaken voortaan bij helfte zouden delen in de vorm van een co-ouderschapsregeling met de wisseldag op maandag. Dit blijkt nu niet zo te zijn. Het verweerschrift van de vrouw komt de man als een donderslag bij heldere hemel. Het enige waar partijen verdeeld over waren gebleven in zijn beleving, was de gevolgen voor de kinderalimentatie bij een co-ouderschapsregeling. De man is bereid om de vrouw hierin tegemoet te komen, maar er is wel een grens. De man erkent wel dat de oudercommunicatie beter kan. Hiervoor is hulpverlening ingezet bij de Gezinsmanager. Dit moet nog starten. De man is bereid om zijn medewerking hieraan te verlenen. Verder lijkt de relatie tussen de vrouw en [minderjarige] bij tijd en wijle broos te zijn. De man moet [minderjarige] regelmatig kalmeren wanneer hij de man opbelt. Daarnaast heeft [minderjarige] laatst een week bij de man verbleven omdat het thuis bij de moeder niet ging.
Verder is duidelijk dat [minderjarige] hulpverlening nodig heeft. Er is een traject opgestart bij [hulpverlening] en er hebben gesprekken plaatsgevonden met de school en de huisarts. Dit heeft volgens de man te maken met het trauma dat [minderjarige] heeft opgelopen door mishandeling door de ex-partner van de vrouw. Volgens de man kan de hulpverlening voor zowel de ouders als die voor [minderjarige] parallel aan de uitvoering van een co-ouderschapsregeling lopen. Een gelijkwaardige verdeling in de zorg- en opvoedingstaken is het uitgangspunt. Daarbij komt dat er dan aan de wens van [minderjarige] wordt voldaan. Dit geeft hem meer rust. Dit is belangrijk voor zijn hulpverleningstraject. Over zes maanden kan worden bezien hoe het gaat en dan met name of [minderjarige] hulp heeft gehad en of hij daadwerkelijk meer tot rust is gekomen.
4.4
De vrouw voert verweer en voert aan dat de huidige zorgregeling voor nu in stand moet blijven. [minderjarige] weet dan waar hij aan toe is. Daarbij komt dat co-ouderschap veel onderling overleg vereist en soepele afstemming over dagelijkse zaken. Dit wordt bemoeilijkt nu de ouders een constant verschil van mening en inzicht hebben. Er is dus geen stabiele basis voor een co-ouderschap. De vrouw vreest dat [minderjarige] zich nog meer tegen de vrouw zal gaan verzetten als hij vaker bij de man zal zijn, omdat het erop lijkt dat [minderjarige] bij de man de ruimte krijgt om taken en verplichtingen die bij de vrouw wel moeten, te ontlopen. Bij de man thuis gelden minder regels. De vrouw merkt dit in het gedrag van [minderjarige] richting haar en het kost haar als [minderjarige] bij haar terugkomt steeds een aantal dagen om dit weer te normaliseren. De vrouw erkent dat er met regelmaat sprake is van frictie tussen haar en [minderjarige] , maar het is niet zo dat ze [minderjarige] naar de man heeft gestuurd omdat ze het niet meer trok. Hij wilde zelf graag naar de man en de vrouw wilde aan zijn wens tegemoet komen. De vrouw heeft het gevoel dat de man haar ondermijnt. Bij het karakter van [minderjarige] past het geven van een duidelijke structuur. Dit vergt veel afstemming tussen de ouders. De angst bestaat dat [minderjarige] bij een co-ouderschap klem komt te zitten tussen de ouders. Hij zal dan in twee verschillende opvoedsystemen opgroeien met alle gevolgen van dien. Er is geen afstemming tussen de ouders over de basisopvoeding van [minderjarige] . De vrouw is primair van mening dat het verzoek van de man aangehouden moet worden in afwachting van hulpverlening door -in eerste instantie- de Gezinsmanager voor het volgen van een traject waarbij de ouders moeten leren samenwerken en hun communicatie moeten verbeteren. De huidige regeling dient in stand te blijven gedurende die aanhouding. De aanmelding voor de Gezinsmanager is reeds verstuurd. Indien de zaak niet wordt aangehouden is de vrouw van mening dat het verzoek van de man dient te worden afgewezen omdat een wijziging van de zorgregeling nu niet in het belang van [minderjarige] is en er teveel contra-indicaties zijn om een co-ouderschapsregeling vast te stellen. Er is immers sprake van slechte oudercommunicatie. Indien de rechtbank wel tot een co-ouderschapsregeling komt vraagt de vrouw zich af of een week op en week af regeling dan voldoende rust biedt voor [minderjarige] en of dit dan niet 2 weken op en 2 weken af regeling dient te zijn omdat er dan sprake is van minder wisselingen.
4.5
De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om pas op termijn een co-ouderschapsregeling vast te stellen, gelet op de huidige omstandigheden en hoe het op dit moment met [minderjarige] gaat. Een co-ouderschapsregeling zou goed zijn voor [minderjarige] , maar is op dit moment nog te voorbarig. Er komt een beeld naar voren dat [minderjarige] reageert op de spanningen die er nog tussen de ouders aanwezig zijn. Inzetten op de oudercommunicatie voorafgaand aan een co-ouderschapsregeling maakt dat de ouders mogelijk meer op één lijn komen met betrekking tot de opvoeding van [minderjarige] . Zij kunnen dit dan ook gezamenlijk gaan uitdragen naar [minderjarige] . Dit is in zijn belang en draagt bij aan het laten slagen van de co-ouderschapregeling.
Wat vindt de rechtbank?
4.6
De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). Tijdens de zitting is gebleken dat de standpunten van partijen uiteen liggen en dat het nu niet mogelijk is om tot een overeenstemming te komen.
4.7
In artikel 1:253a BW staat dat de rechter bij een geschil tussen gezagdragende ouders een beslissing moet nemen die zij het meest in het belang van het kind vindt.
4.8
De rechtbank overweegt als volgt. Het is de rechtbank gebleken dat er forse zorgen zijn over [minderjarige] . Dit blijkt uit het overgelegde behandeladvies van de hulpverleningsorganisatie [hulpverlening] . Hierin wordt geadviseerd om een traumabehandeling voor [minderjarige] te starten waarbij wordt opgemerkt dat dit pas een kans van slagen heeft als er sprake is van een rustige omgeving. Op dit moment heeft [minderjarige] last van de spanningen die er tussen zijn ouders zijn en dit maakt ook dat de traumabehandeling niet kan starten. De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld welke zorgregeling het meest rechtdoet aan [minderjarige] zijn belangen en op welke manier hij zo snel mogelijk in de noodzakelijk geachte rust de voor hem benodigde hulpverlening kan starten. Tijdens het gesprek met de kinderechter heeft [minderjarige] aangegeven dat hij het fijn zou vinden als er een co-ouderschapsregeling komt zodat hij even veel tijd met zijn moeder als met zijn vader heeft. Deze wens kwam oprecht over. [minderjarige] is graag bij zijn moeder en is graag bij zijn vader. Hij mist de andere ouder als het lang duurt voordat hij die andere ouder weer ziet. [minderjarige] kan goed vertellen hoe hij erover denkt. Hij wil wel graag dat zijn ouders minder ruzie maken en was blij om te horen dat zijn ouders naar een school voor gescheiden ouders zullen gaan om te leren om minder ruzie te maken.
Voorlopige zorgregeling
4.9
De rechtbank acht het -alles afwegende – in het belang van [minderjarige] aangewezen om een voorlopige co-ouderschapsregeling vast te stellen als na te melden in het dictum en overweegt hiertoe als volgt. Kinderen hebben recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Dat staat in de wet (artikel 1:247 lid 4 BW). Het is niet zo dat ‘gelijkwaardig’ altijd betekent dat de tijd met het kind precies gelijk wordt verdeeld, maar in dit geval is het, naast de vader, ook de wens van [minderjarige] dat hij evenveel tijd met zijn beide ouders doorbrengt. Hij geeft aan dat hij het bij beide ouders fijn heeft en dat hij zou graag willen dat dit in de verdeling van de zorg voor hem tot uitdrukking komt. De vrouw heeft haar bedenkingen bij een co-ouderschap omdat zij vindt dat de man haar ondermijnt en dat dit schadelijk is voor [minderjarige] . Ook maakt zij zich zorgen omdat de regels in de beide huizen veel van elkaar verschillen en zij het idee heeft dat zij dan aan het kortste eindje trekt. De rechtbank heeft oog voor de zorgen van de vrouw maar vindt dat het de taak van beide ouders is om op dat punt stappen richting elkaar te zetten, de onderlinge communicatie te verbeteren en op te houden met ruzie te maken. Ouders moeten naar [minderjarige] gaan uitdragen dat zij samen en in gezamenlijkheid zijn ouders zijn en dat zij samen bepalen wat wel en wat niet goed voor hem is. Ouders hebben daarin nog een lange weg te gaan maar hebben zich gelukkig al wel tot De Gezinsmanager gewend om hen te begeleiden in dit proces. De rechtbank stelt voorop dat het belang van [minderjarige] steeds bij iedere beslissing van de rechter de eerste overweging vormt en is van oordeel dat het in zijn belang is dat hij niet hoeft te wachten tot zijn ouders dit proces hebben doorlopen. Zijn wens c.q. behoefte is duidelijk en daarom zal de rechtbank nu beslissen dat [minderjarige] het mag gaan ervaren hoe het is om de helft van de tijd bij de één en de andere helft van de tijd bij de andere ouder te zijn. De rechtbank houdt de verdeling aan zoals voorgesteld door de man (week op week af), nu zij een tweewekelijkse regeling zoals door de vrouw is voorgesteld op dit moment een te grote verandering vindt voor [minderjarige] , waarbij hij de andere ouder een te langere tijd niet ziet. De rechtbank zal wel beslissen dat het een voorlopige regeling betreft. Voorwaarde voor een langdurig goed lopende co-ouderschapsregeling is immers dat ouders met elkaar communiceren en afstemmen. Een voorlopige “week-op-week-af” regeling biedt [minderjarige] rust, duidelijkheid en continuïteit gedurende de periode waarin de hulpverlening zijn situatie onderzoekt en begeleidt en waarbinnen de ouders werken aan de oudercommunicatie bij de Gezinsmanager. Tevens creëert deze tijdelijke regeling de mogelijkheid om te beoordelen hoe [minderjarige] functioneert binnen deze gelijke zorgverdeling en welke gevolgen dit heeft voor zijn welzijn en ontwikkeling en biedt partijen ook mogelijkheid om zaken waartegen ze aanlopen direct bij de Gezinsmanager te bespreken. Na ontvangst van de bevindingen van de hulpverlening kan worden beoordeeld of voortzetting, wijziging of beëindiging van deze co-ouderschapsregeling in het belang van [minderjarige] is.
4.10
De rechtbank houdt de beslissing over de definitieve verdeling van de zorg-en opvoedingstaken aan voor de duur van 6 maanden. De rechtbank verzoekt aan partijen om uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum, via hun advocaten, (kort) schriftelijk verslag uit te brengen over de actuele stand van zaken, waarbij zij met name dienen in te gaan op het verloop (en eventueel resultaat) van de hulpverlening en het verloop van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Partijen worden daarnaast verzocht om het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure kenbaar te maken. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.11
De rechtbank zal de beslissing over de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de vorm van co-ouderschap, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij niet teveel wisselingen meemaakt.
5De beslissing
De rechtbank
wijzigt de in de beschikking van [datum] 2022 opgenomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt:
bepaalt dat de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018,
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders voorlopig, totdat de rechtbank definitief beslist, volgens een week-op-week-af-regeling bij de ouders verblijft, waarbij het wisselmoment zal plaatsvinden op maandag. De ouder waar [minderjarige] op zondag heeft verbleven brengt hem op maandag naar school. De andere ouder haalt [minderjarige] op maandag van school op. Als maandag een vrije dag is, dan zal de overdracht op gelijkluidende wijze plaatsvinden, maar dan op dinsdag;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing op het verzoek van de man aan voor de duur van 6 maanden tot dinsdag 15 december 2026 PRO FORMA, in afwachting van de reacties van de ouders (via hun advocaten) en het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.10 is overwogen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 in aanwezigheid van Akkermans-Bruijs, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.