Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6295

2026-06-11 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447649 / JE RK 26-739
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-11
Publicatiedatum
2026-07-12
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447649 / JE RK 26-739
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing toegewezen

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.165 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/447649 / JE RK 26-739



Datum uitspraak: 11 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van



de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. J.L.J. de Vos uit Goes,



De kinderrechter merkt als informanten aan:





[de gezinshuisvader]
, hierna te noemen: de gezinshuisvader, en [de gezinshuismoeder], hierna te noemen: de gezinshuismoeder,
hierna gezamenlijk te noemen: de gezinshuisouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.






1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 april 2026;


het bericht van de GI met bijlagen van 15 mei 2026;


het e-mailbericht van de GI, ontvangen op 29 mei 2026;


de brief van [minderjarige] , ontvangen op 5 juni 2026.





1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;


een vertegenwoordigster van de GI;


de gezinshuisvader.





1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief geschreven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] verblijft bij [gezinshuis] .



2.3.
Bij beschikking van 14 juni 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 juni 2021 en tot 14 juni 2022. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is vervolgens steeds verlengd, laatstelijk tot 14 juni 2026.



2.4.

Ook is bij beschikking van 14 juni 2021 met ingang van 14 juni 2021 en tot 14
december 2021 een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een
jeugdhulpaanbieder voor [minderjarige] verleend. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder werd laatstelijk verlengd bij beschikking van 5 december 2023 met ingang van 14 december 2023 en tot 14 maart 2024.




2.5.

Bij beschikking van 27 februari 2024 heeft de kinderrechter het verzoek tot
verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van
een jeugdhulpaanbieder afgewezen, omdat [minderjarige] sinds 12 februari 2024 in een
pleeggezin verblijft.




2.6.

Bij beschikking van 13 maart 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot
uithuisplaatsing voor [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van
14 maart 2024 en tot 14 juni 2024.




2.7.

Bij beschikking van 26 april 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot
uithuisplaatsing voor [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend
met ingang van 26 april 2024 en tot 14 juni 2024.




2.8.

Bij beschikking van 29 mei 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van

[minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 14 juni
2024 en tot 29 oktober 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.








2.9.

Bij beschikking van 22 oktober 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van

[minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 29
oktober 2024 en tot 14 juni 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder werd laatstelijk verlengd bij beschikking van 10
juni 2025 met ingang van 14 juni 2025 en tot 14 juni 2026.




2.10.
Bij beschikking van 29 oktober 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening, te weten een gezinshuis, verleend met ingang van 29 oktober 2025 en tot 14 juni 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt tot slot de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.

[minderjarige] schrijft in zijn brief aan de kinderrechter dat hij het fijn vindt om in het gezinshuis te wonen. Het is een goede plek en het is fijn dat het dicht bij zijn moeder is.



4.2.
De GI handhaaft het verzoek en licht, samengevat, toe dat er zorgen zijn omtrent het (imitatie)gedrag van [minderjarige] , nu hij vanuit verschillende ontwikkelingsstadia, waaronder babygedrag, kan reageren. De gezinshuisouders sluiten hier wel goed op aan. [minderjarige] heeft veel meegemaakt en er is mogelijk sprake van hechtingsproblematiek. De GI wil [minderjarige] echter niet overbelasten met een psychiatrisch onderzoek, hetgeen maakt dat voor nu zal worden gestart met bewegingstherapie bij [hulpverlening] . Dit zal binnenkort van start gaan. [minderjarige] is erg kwetsbaar en beïnvloedbaar, wat maakt dat de GI zorgen heeft over wat hij overneemt van anderen, zeker met het oog op zijn overgang naar de middelbare school. Daarnaast licht de GI toe dat [minderjarige] het naar zijn zin heeft bij het gezinshuis. Er is sprake van een omgangsregeling met de moeder. De omgang kan echter niet altijd doorgaan, omdat de moeder het erg druk heeft met werk. Dit maakt [minderjarige] verdrietig. Hij heeft duidelijkheid nodig.



4.3.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het gaat goed met [minderjarige] bij het gezinshuis. Het liefst wil de moeder dat [minderjarige] weer thuis komt wonen, maar ze heeft geaccepteerd dat het perspectief niet thuis ligt. Het is belangrijk dat er een goede balans wordt gevonden tussen het werk van de moeder en de omgangsmomenten met [minderjarige] . Het is ook belangrijk dat er hulpverlening wordt ingezet, gelet op de zorgen die er zijn omtrent [minderjarige] . De samenwerking met de GI is goed. Een tussentijds toetsmoment is niet wenselijk, aangezien een nieuwe zitting voor veel spanningen zorgt.



4.4.
De gezinshuisvader staat achter het verzoek van de GI en licht toe dat het goed gaat met [minderjarige] , maar dat hij zich wel zorgen maakt om het gedrag van [minderjarige] . Zo wisselt hij soms van zeer kinderlijk naar puberaal gedrag. [minderjarige] lijkt onveilig te zijn gehecht. De gezinshuisvader heeft goed contact met de GI en de moeder. Zo probeert de gezinshuisvader te regelen dat de moeder komt kijken bij een voetbalwedstrijd van [minderjarige] als de omgangsmomenten niet door kunnen gaan. Structuur en duidelijkheid zijn van belang. Het is noodzakelijk dat [hulpverlening] van start kan gaan. De gezinshuisvader verklaart dat [minderjarige] minimaal tot zijn achttiende bij het gezinshuis kan blijven wonen.





5De beoordeling



Wettelijk kader



5.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de
kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur
van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.




5.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als
bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing
telkens verlengen met ten hoogste een jaar.




Inhoudelijke beoordeling




5.3.
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.4.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft in zijn leven al veel meegemaakt, zoals instabiliteit in wonen, verwaarlozing en onveiligheid. Daarnaast is er bij [minderjarige] sprake van complexe ontwikkelingsproblematiek, waaronder een taalontwikkelingsstoornis, een reactieve hechtingsstoornis, een licht verstandelijke beperking en een lage sociaal-emotionele ontwikkeling. Hij heeft hierdoor moeite met het overzien van risico’s en gevolgen. Dit maakt [minderjarige] zeer kwetsbaar en beïnvloedbaar, waardoor hij in onveilige situaties terecht kan komen. Ook zijn er zorgen over het wisselende regressie- en imitatiegedrag van [minderjarige] . Voorts is het de kinderrechter gebleken dat er zorgen zijn over de opvoedomgeving van de moeder. Het lukt de moeder niet om consequent aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft, met name op het gebied van structuur, voorspelbaarheid en emotieregulatie. Het lukt de moeder ook niet om overzicht te houden en op een passende manier te reageren. Zo worden de omgangsafspraken regelmatig door de moeder gewijzigd of afgezegd, hetgeen verwarrend en belastend is voor [minderjarige] .



5.5.
De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat het vrijwillige kader nog onvoldoende toereikend is. Het is immers gebleken dat afspraken in het vrijwillige kader onvoldoende consistent werden nagekomen door de moeder. De betrokkenheid van de GI als regievoerder is de komende periode nog noodzakelijk, zodat de belangen van [minderjarige] voorop gesteld blijven worden. De GI draagt ook zorg voor de inzet en continuering van de noodzakelijke hulpverleningstrajecten, zoals de bewegingstherapie van [hulpverlening] . Ook dient de GI, op geleide van [minderjarige] , te onderzoeken welke (aanvullende) hulpverleningstrajecten passend zijn voor hem. Tevens heeft [persoon] , de (half)zus van [minderjarige] , de wens uitgesproken om contact met [minderjarige] te hebben. Het is van belang dat de GI onderzoekt of dit passend is voor [minderjarige] en op welke wijze dit contact vorm moet worden gegeven. Voorts is het noodzakelijk dat de GI zorg draagt voor de continuering van (een vorm van) contact tussen de moeder en [minderjarige] , nu het in het belang van [minderjarige] is om, ondanks het werk van de moeder, structurele omgang te hebben met de moeder. Tot slot verwacht de kinderrechter van de GI dat zij onderzoekt of de Raad voor de Kinderbescherming moet worden benaderd voor nadere juridische maatregelen, gelet op het lange verloop van de huidige ondertoezichtstelling en het feit dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt, en/of dat een overdracht naar het vrijwillige kader tot de mogelijkheden behoort.



5.6.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom – onweersproken – de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de verzochte duur van een jaar.



5.7.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk. Gelet op de forse kindeigen-problematiek van [minderjarige] vraagt hij meer van zijn omgeving en opvoeder. Zo heeft hij veel behoefte aan voorspelbaarheid, grenzen, structuur en emotionele beschikbaarheid. Ook heeft hij ondersteuning nodig bij het omgaan met impulsiviteit en het inschatten van risico’s. Het huidige gezinshuis is een perspectiefbiedende plek voor [minderjarige] , nu zij (met behulp van ondersteuning) kunnen voldoen aan deze verzwaarde opvoedbehoeften. Een terugplaatsing bij de moeder is niet aan de orde, aangezien de moeder, gelet op haar beperkte opvoedvaardigheden en draagkracht, onvoldoende aansluit op de behoeften van [minderjarige] . Daarbij overweegt de kinderrechter dat de moeder achter de plaatsing binnen het gezinshuis staat en dat de samenwerking tussen de GI, de moeder en het gezinshuis goed verloopt. Het is van belang dat de plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis kan worden gecontinueerd. De kinderrechter verlengt daarom – onweersproken – de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening voor de verzochte duur van een jaar.



5.8.
De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.



5.9.
Dit leidt tot de volgende beslissing.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 14 juni 2026 en tot 14 juni 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 14 juni 2026 en tot 14 juni 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 24 juni 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.