Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6279

2026-06-11 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447635 / JE RK 26-739
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-11
Publicatiedatum
2026-07-12
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447635 / JE RK 26-739
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing toegewezen

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.059 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/447635 / JE RK 26-739



Datum uitspraak: 11 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van



de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. J.L.J. de Vos uit [woonplaats].






1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 april 2026;


het bericht van de GI met bijlagen van 15 mei 2026;


het bericht van de GI met bijlage van 9 juni 2026.





1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.


Daarnaast heeft de kinderrechter bijzondere toestemming verleend aan mw. [persoon], mentor van [minderjarige], om de mondelinge behandeling als toehoorder bij te wonen.




1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].



2.2.

[minderjarige] verblijft op de [groep] van [accommodatie].



2.3.
Bij beschikking van 14 juni 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 juni 2021 en tot 14 juni 2022. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is vervolgens steeds verlengd, laatstelijk tot 14 juni 2026.



2.4.

Ook is bij beschikking van 14 juni 2021 met ingang van 14 juni 2021 en tot 14
december 2021 een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor [minderjarige] verleend. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg werd laatstelijk verlengd tot 14 juni 2022.




2.5.
Bij beschikking van 14 april 2022 is ten aanzien van [minderjarige] een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 14 april 2022 en tot 28 april 2022, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.



2.6.
Bij beschikking van 15 april 2022 is toestemming aan de GI verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] van een voorziening voor pleegzorg naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een crisisplek van [accommodatie], met ingang van 15 april 2022 en tot 28 april 2022. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.



2.7.
Bij beschikking van 20 april 2022 is – definitief – toestemming aan de GI verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] van een voorziening voor pleegzorg naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een crisisplek van [accommodatie], met ingang van 28 april 2022 en tot 14 juni 2022. In die beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 28 april 2022 en tot 20 mei 2022. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is laatstelijk verlengd tot 29 oktober 2024.



2.8.
Bij beschikking van 13 maart 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg verleend met ingang van 13 maart 2025 en tot 14 juni 2025. Deze maatregel is vervolgens verlengd, laatstelijk tot 14 juni 2026.



2.9.
Bij beschikking van 24 september 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 24 september 2025 en tot 14 juni 2026.







3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt tot slot de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.

[minderjarige] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, dat ze het niet leuk vindt bij [groep], omdat ze daar te weinig vrijheid krijgt en het gevoel heeft dat ze steeds in de gaten wordt gehouden. Ook heeft ze het gevoel dat er helemaal niet naar haar wordt geluisterd. Ze ervaart hierdoor veel boosheid die terugkomt. [minderjarige] wil meer zelfstandigheid. Ze zou bijvoorbeeld eerst begeleid willen wonen en, als dit goed gaat, de begeleiding willen afbouwen. Het klopt dat [minderjarige] cannabis gebruikt. Dit doet ze om rust in haar hoofd te krijgen. Voorlichting over drugsgebruik is niet nodig. Verder vertelt [minderjarige] dat ze niemand meer vertrouwt, omdat zij in het verleden dingen in vertrouwen heeft verteld en dit vervolgens is doorverteld aan anderen. Ook geeft [minderjarige] aan dat ze het liefst in de weekenden en vakanties bij haar moeder en broertje wil zijn. Het zou helpen als [minderjarige] naar een groep of pleeggezin in [woonplaats] wordt overgeplaatst. Verder vertelt ze dat ze graag contact wil met haar oudere zus. [minderjarige] wil bovenal duidelijkheid.



4.2.
De GI handhaaft het verzoek en verklaart, kort samengevat, dat het de bedoeling is dat [minderjarige] tot haar achttiende bij [groep] blijft. De GI heeft geprobeerd om een plan te maken voor na de achttiende verjaardag van [minderjarige], maar dit is nog niet gelukt. Er is namelijk sprake van veel boosheid bij haar. Ook wisselt zij regelmatig in haar wens met wie zij wel en geen contact wil hebben. [minderjarige] kan manipuleren en legt de schuld regelmatig buiten zichzelf. De GI vermoedt dat dit het copingsmechanisme is van [minderjarige], gelet op het feit dat zij veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt. Het gaat niet goed met haar. Ze vertrouwt niemand, onttrekt zich aan gezag en is enorm zelfbepalend. De GI heeft [minderjarige] aangemeld voor een (emotieregulatie)behandeling bij [accommodatie], alsmede voor een buddy bij [hulpverlening]. Het is ook van belang dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] opgebouwd wordt. Voorts vindt de GI het belangrijk dat [minderjarige] voorlichting krijgt over drugsgebruik en dat, op den duur, ook een nieuw persoonlijkheidsonderzoek bij haar wordt afgenomen. Het is verder de bedoeling dat [minderjarige] een weekend per maand omgang blijft hebben met haar oud-pleegouders.



4.3.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder vindt het fijn als de jeugdbeschermer als regievoerder betrokken blijft. De moeder voelt zich door haar gehoord. Het is ook belangrijk dat de omgang met [minderjarige] zorgvuldig wordt opgebouwd. Hoewel de moeder [minderjarige] het liefste thuis zou willen hebben, ziet zij ook in dat dit niet in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] moet hulp krijgen, bijvoorbeeld in de vorm van een buddy, omdat zij veel heeft meegemaakt. Een tussentijds toetsmoment is niet wenselijk, nu een nieuwe zitting veel spanning oplevert. De moeder kan zich vinden in het advies van de Raad om geen onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel.







5De beoordeling



Wettelijk kader



5.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de
kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur
van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.




5.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als
bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing
telkens verlengen met ten hoogste een jaar.




Inhoudelijke beoordeling




5.3.
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.4.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft in haar leven veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, gelet op de vele wisselingen in verblijfplaats en haar ziekteproces met de bijkomende zware behandelingen. Haar ontbreekt het al een lange tijd aan stabiliteit, rust en voorspelbaarheid. Daarnaast zijn er nog altijd zorgen over [minderjarige]. Bij [minderjarige] is sprake van een licht verstandelijke beperking en een lage sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit maakt dat zij moeite heeft met het overzien van risico’s en gevolgen. Ook kan zij impulsief handelen, heeft zij moeite met het inschatten van grenzen en is ze beïnvloedbaar, wat maakt dat er zorgen zijn over een risico op het in aanraking komen met de politie. Bij spanningen kan [minderjarige] ontregeld raken en behoeft zij een professionele co-regulator nodig. Verder is er sprake van een toename in middelengebruik en ongeoorloofde afwezigheid op de groep en zijn er zorgen over het zelfbepalende gedrag van [minderjarige]. De kinderrechter stelt daarnaast vast dat er zorgen zijn over de opvoedomgeving van de moeder. Het lukt de moeder niet om [minderjarige] voldoende te begrenzen, te reguleren en emotionele veiligheid te bieden. Er is sprake (geweest) van een negatieve interactiedynamiek tussen de moeder en [minderjarige].



5.5.
Het vrijwillige kader is op dit moment nog onvoldoende toereikend. Er is behoefte aan sturing, toezicht en besluitvorming door de GI, nu er nog forse zorgen zijn over [minderjarige] en in het verleden is gebleken dat het de moeder niet lukt om de benodigde hulpverlening zelfstandig vast te houden. De kinderrechter is tevens van oordeel dat de betrokkenheid van de GI de komende periode nog steeds noodzakelijk is, zodat de belangen van [minderjarige] vooropgesteld blijven worden. De GI kan de noodzakelijke hulpverleningstrajecten voor [minderjarige] inzetten, bijvoorbeeld in de vorm van emotieregulatietherapie, voorlichting over middelengebruik en een buddy, en zorgt voor de continuering daarvan. Ook is het van belang dat de GI de komende periode onderzoekt wat verder aan hulpverlening nodig is en een duidelijk plan maakt, mede gelet op de naderende overgang naar volwassenheid. De kinderrechter merkt hierbij tot slot op dat het noodzakelijk is dat de GI aandacht heeft voor het onderzoeken van de mogelijkheden van een overdracht naar het vrijwillige kader, nu er sprake is van een goede samenwerking met de moeder en de ondertoezichtstelling een lang verloop heeft.



5.6.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom, onweersproken, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de verzochte duur van een jaar.



5.7.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk. Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige], mede gelet op haar kind-eigen problematiek, sterk afhankelijk is van structuur en professionele begeleiding. Het lukt de moeder niet om te voldoen aan de (verzwaarde) opvoedbehoeften van [minderjarige]. [groep] is perspectiefbiedend en sluit goed aan bij de specifieke ontwikkelings- en begeleidingsbehoeften van [minderjarige], nu zij hier de noodzakelijke bescherming, structuur, duidelijkheid, grenzen en nabijheid krijgt. Tevens kan [minderjarige] op de groep de noodzakelijke behandelingen volgen. Voorts is er aandacht voor preventie en voorlichting op de groep. De afstemming tussen de groep, de moeder, school, de behandelaren en de GI verloopt ook goed. Het is van belang dat deze plaatsing wordt gecontinueerd. De kinderrechter verlengt daarom, onweersproken, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de verzochte duur van een jaar. Hierbij zal er ook aandacht moeten zijn voor de wensen van [minderjarige], namelijk het vaker naar haar moeder, broertje en zus kunnen en de mogelijkheden hiervoor.



5.8.
De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.



5.9.
Dit leidt tot de volgende beslissing.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 14 juni 2026 en tot 14 juni 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 14 juni 2026 en tot 14 juni 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.










Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 24 juni 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.