Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6224

2026-06-09 Civiel recht; Personen- en familierecht 448109 JE RK 26-825 en 448847 JE RK 26-962
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-09
Publicatiedatum
2026-07-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
448109 JE RK 26-825 en 448847 JE RK 26-962
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging OTS en muhp bij de moeder, gevolgd door verzoek muhp bij de vader. Minderjarigen zonder rechterlijke toets en machtiging bij de vader geplaatst. Verzoek muhp bij de vader afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.647 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummers:



C/02/448109 / JE RK 26-825 (verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder)


C/02/448847 / JE RK 26-962 (machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader)




Datum uitspraak: 9 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaken van



de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R.F.P. Scheele te Numansdorp,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. F.A. van den Heuvel te Eindhoven.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:



In de zaak C/02/448109 JE RK 26-825




het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026;


de brief van mr. Van den Heuvel van 4 juni 2026.





In de zaak C/02/448847 JE RK 26-962

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 juni 2026;
- het verweerschrift met bijlagen namens de moeder, ontvangen op 8 juni 2026;
- de pleitnota van mr. Scheele.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door een tolk;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk;
- twee vertegenwoordigers van de GI.


De advocaat van de vader is met daaraan voorafgaand bericht niet ter zitting aanwezig geweest.




1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2.
Bij beschikking van 17 juni 2025 heeft de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 17 juni 2025 tot 17 juni 2026.



2.3.
Bij beschikking van 23 oktober 2025 heeft de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant een machtiging verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag (te weten de moeder) met ingang van 31 oktober 2025 tot 30 april 2026.



2.4.

Bij beschikking van 22 april 2026 heeft de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag (te weten de moeder) verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot
17 juni 2026.




2.5.
Op grond van voornoemde machtigingen verbleven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 18 mei 2026 bij de moeder.





3De verzoeken



In de zaak C/02/448109 JE RK 26-825



3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouder met gezag, te weten de moeder, te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



In de zaak C/02/448847 JE RK 26-962




3.2.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de (andere) ouders met gezag, te weten de vader, voor de duur van één jaar en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.3.
Bij dit verzoek heeft de GI het hiervoor onder 3.1. vermelde verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouder met gezag (te weten de moeder), ingetrokken. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is gehandhaafd.





4De standpunten


4.1.
In de verzoekschriften zijn de verzoeken en de standpunten van de GI toegelicht. Tijdens de zitting is namens de GI (in aanvulling daarop) - samengevat - verklaard dat er op 18 mei 2026 een incident in de woning van de moeder heeft plaatsgevonden, waarbij zij alcohol gedronken heeft. Zij was met een vriend die is afgelost door een vriendin. Niet is aangetoond dat er een groep mensen in huis was. De moeder heeft er op dat moment mee ingestemd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor nu bij de vader verblijven. Desgevraagd geeft de GI aan dat de kinderen sinds 18 mei 2026 zonder rechterlijke toets bij de vader verblijven. De GI verzoekt een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader voor de duur van een jaar omdat de moeder best gespannen kan zijn en het contact met de vader niet goed loopt. Ook moet het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog bepaald worden. Het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet eerst weer begeleid worden opgebouwd. Na een positieve ontwikkeling in de houding van [minderjarige 1] op school, wordt sinds het incident weer een huilende [minderjarige 1] gezien. [hulpverlening] was al bij het gezin betrokken maar er komt geen zicht op omdat het gezin en de deur gesloten blijft. Om die reden wil de GI opvoedondersteuning bij de vader inzetten, om te bezien of de vader het daarmee trekt. De moeder heeft een terugval gehad in haar alcoholgebruik. Zij moet dus aan zichzelf werken en dat doet zij ook. Aan de zorgen rondom de dwingende controle vanuit de vader richting het gezin wordt gewerkt, maar dat gaat niet nog niet helemaal goed. De vader zou eerder contact met een psycholoog hebben gehad maar over die betrokkenheid bestaat geen duidelijkheid. Tot april 2026 waren er geen zorgen over de dwingende controle vanuit de vader maar hiervan worden nu weer signalen teruggezien.



4.2.

In het verweerschrift is het standpunt van de moeder toegelicht. Tijdens de zitting heeft de advocaat van de moeder een pleitnota overgelegd aan de GI, de vader en de kinderrechter en de inhoud daarvan aan de aanwezigen voorgedragen. Daaraan voorafgaand heeft de advocaat opgemerkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader verblijven zonder dat daartoe een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend. In aanvulling op de pleitnota heeft de advocaat - samengevat - aangevoerd dat de vader steeds probeert stress bij de moeder te veroorzaken.
De moeder vraagt zich af hoe het kan dat de GI een verzoek doet tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar en heel kort daarna op basis van een incidentje ineens een machtiging tot uithuisplaatsing van hen bij de vader verzoekt. De begeleider van Sterk Huis heeft bij de advocaat aangegeven dat de moeder op 18 mei 2026 thuis was en stress had. Omdat het weekend was kon zij niemand van de hulpverlening bereiken en heeft zij volgens de afspraken eerst een vriend en later een vriendin gebeld om naar haar toe te komen, juist om een baken te hebben. De vriendin heeft de vriend afgelost. De GI en de politie zijn het huis van de moeder binnengestormd en hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meegenomen. De moeder stond op dat moment onder dwang en is daarom akkoord gegaan met een verblijf bij de vader. Zij heeft echter nooit aangegeven dat zij wil dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar de vader gaan. Dat, zoals de GI heeft aangegeven, de moeder gespannen was en het contact met de vader niet goed liep, is geen grond voor het verzoek van de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader te plaatsen. Daarbij stelt de advocaat zich ook de vraag hoe [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veilig kunnen zijn bij de vader als er weer signalen van dwingende controle bij hem zichtbaar zijn. Met name [minderjarige 1] komt dan in een enorm loyaliteitsconflict terecht. Dat is al zichtbaar nu zij geen contact met de moeder wil. Verder vindt de advocaat het opmerkelijk dat de GI [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader wil plaatsen voordat duidelijk is of de vader hulpverlening accepteert. De moeder stemt in met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader dient primair te worden afgewezen, subsidiair, bij toewijzing daarvan, tot uiterlijk 17 juni 2026. Meer subsidiair kan dit verzoek alleen ten aanzien van [minderjarige 1] worden toegewezen en voor een hele korte periode.




4.3.
Door de moeder is - samengevat - naar voren gebracht dat zij al acht maanden heel hard aan zichzelf werkt. Zij werkt mee met alle betrokken instanties en zij heeft contact met een psycholoog. De psycholoog heeft een voorstel gedaan tot gezamenlijke therapie van de moeder en [minderjarige 1] . De moeder erkent dat zij op 18 mei 2026 een fout heeft gemaakt door alcohol te drinken. Dat had niet mogen gebeuren en daar heeft zij spijt van. Het was een eenmalig incident, er is geen sprake van alcoholmisbruik. Zij moet hier nu heel erg voor boeten. Vooral [minderjarige 2] lijdt erg onder de situatie omdat hij erg aan haar gehecht is.



4.4.
De vader heeft aangegeven dat hij volledig achter het verzoek staat om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem te plaatsen. Het is ook een goed idee om de ondertoezichtstelling te verlengen. Dat zal de moeder deels helpen en het geeft haar meer tijd en ruimte om aan zichzelf te werken. De moeder heeft hulp nodig van een psycholoog. Het vluchten in alcoholgebruik is geen goed idee. Het is een betere oplossing als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] langer bij hem blijven. Zij zijn blij bij hem. Zij wonen nu ook dichter bij school. De vader stelt allerlei regelingen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te hebben getroffen.





5De beoordeling



Rechtsmacht en toepasselijk recht




5.1.
In voornoemde beschikking van 22 april 2026 heeft de kinderrechter al vastgesteld dat de ouders, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de Poolse nationaliteit hebben. Dit maakt dat de zaak een internationaal karakter heeft, dat een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter vraagt. Na dit ambtshalve te hebben onderzocht is de kinderrechter van oordeel dat ook ten aanzien van het huidige verzoek, de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland gelegen is. Gelet op dit laatste feit is Nederlands recht op het verzoek van toepassing.



Inhoudelijke beoordeling





Verlenging ondertoezichtstelling




5.2.
In artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, kort gezegd, dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen als hij/zij ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd en die ontwikkelingsbedreiging niet (voldoende) kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening.



5.3.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling steeds verlengen met maximaal een jaar, als nog aan artikel 1:255 lid 1 BW wordt voldaan.



5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.5.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er zijn in een korte periode veel veranderingen geweest. Zo is vaktherapie voor de kinderen gestart en zijn de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar een doorstroomwoning verhuisd. Verder zou de contactregeling tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden uitgebreid naar een 50/50-regeling maar dit is niet doorgegaan omdat de ouders in april 2026 afspraken hierover niet zijn nagekomen en zij deze zelf anders hebben ingevuld. Het lukt de ouders daarmee niet om te zorgen voor rust en stabiliteit voor de kinderen. Daarbij komt dat er zeer recent een incident heeft plaatsgevonden in de thuissituatie van de moeder, waardoor de situatie voor de kinderen wederom is veranderd en zij door de GI bij de vader zijn geplaatst. Beide kinderen hebben veel last van de huidige situatie. Met name [minderjarige 1] bevindt zich in een loyaliteitsconflict. Zij uit dit onder meer door geen contact met de moeder te willen. De binnen de ondertoezichtstelling opgestelde doelen zijn nog niet behaald.



5.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Gelet op de verstandhouding tussen de ouders en hun uiteenlopende standpunten over wat het meest in belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , kunnen de ouders zelf niet tot afspraken en een definitieve contactregeling komen. Zo zijn de ouders het niet eens over het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De regie vanuit de GI is daarbij noodzakelijk.



5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de ouders in de komende periode met begeleiding een ouderschapsplan opstellen en dat zij zich aan de afspraken houden. Verder vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de GI zicht krijgt op de thuissituatie van beide ouders en wat daarin voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig en passend is. Van de ouders wordt verwacht dat zij daaraan hun medewerking verlenen. Ook moet worden gekeken naar het inzetten van persoonlijke hulpverlening voor de ouders. Daarnaast moet bekeken worden in hoeverre de ingezette vaktherapie voor de kinderen voldoende is en wat eventueel verder voor hen nodig is. Er dient verder te worden gewerkt aan de eerder opgestelde doelen.



Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder




5.8.
De GI heeft haar verzoek om een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder ingetrokken, zodat de kinderrechter dit verzoek niet meer kan onderzoeken. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder van rechtswege zal aflopen op 17 juni 2026.



Machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader




5.9.
In artikel 1:265b lid 1 BW is, kort gezegd, bepaald dat de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige kan verlenen als dat in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is.



5.10.
Om te beginnen stelt de kinderrechter op grond van de stukken en de behandeling ter zitting vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na een incident in de thuissituatie van de moeder op 18 mei 2026 bij de vader zijn geplaatst, zonder dat daaraan een rechterlijke toets is voorafgegaan en een machtiging tot die plaatsing is verleend. Dit vindt de kinderrechter zeer zorgelijk.



5.11.
Verder is de kinderrechter van oordeel dat een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader niet in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Uit de stukken, waaronder een eerder verzoek van de GI van 20 maart 2026 tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder voor de duur van een jaar, blijkt dat het daar goed met hen ging. [minderjarige 1] had in haar houding op school in de afgelopen periode een positieve ontwikkeling laten zien, maar sinds het incident op 18 mei 2026 en de plaatsing bij de vader is zij weer stiller en verdrietiger aanwezig. Bij de moeder was op 18 mei 2026 sprake van een terugval in alcoholgebruik. Dit heeft de moeder ook erkend, waarbij zij heeft aangegeven dat dit een fout en een eenmalig incident was. Niet gesteld of gebleken is dat er signalen zijn dat er bij de moeder sprake is van meerdere of structurele terugvallen op andere momenten. Dat [minderjarige 1] aangeeft dat de moeder alcohol gebruikt, is verder niet onderzocht en een dergelijke uitspraak kan voortkomen uit haar loyaliteitsconflict. De terugval van de moeder maakt niet dat zij niet geschikt is om de zorg voor de kinderen te kunnen dragen. Door de GI is aangegeven dat de moeder aan zichzelf moet werken maar dat de moeder dat ook doet.



5.12.

Daarbij komt er een zorgelijk beeld van de vader naar voren. De kinderrechter verwijst allereerst naar voornoemde beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 oktober 2025. In rechtsoverweging 5.2. van die beschikking is opgenomen dat: “De feiten en omstandigheden die niet ter discussie staan, zoals eerdere forse escalaties tussen de ouders, het ophangen van camera’s door de vader en het door hem afnemen van het paspoort, de bankpas en de telefoon van de moeder, leveren een zorgelijk beeld op met kenmerken van dwingende controle door de vader.”
Niet gebleken is dat er door de GI intensief is ingezet om de aard van de problematiek van de vader beter in beeld te krijgen. Onduidelijk is of de vader daarvoor behandeld wordt. Wel is door de GI desgevraagd naar voren gebracht dat na het eindigen van het contactverbod dat aan de vader was opgelegd, de signalen van de controle vanuit de vader sinds april 2026 weer sterker op de voorgrond treden. Dit vormt naar het oordeel van de kinderrechter een risico voor (een verdere toename van) de loyaliteitsproblematiek en de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In dat kader vindt de kinderrechter het ook uiterst zorgelijk dat de vader [minderjarige 1] heeft aangestuurd om met haar telefoon geluidsopnames in de thuissituatie van de moeder te maken en deze via WhatsApp aan hem toe te sturen.
Tot slot is niet helder of de vader over voldoende opvoedvaardigheden beschikt om de volledige zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen, nu er volgens de GI opvoedondersteuning bij de vader moet worden ingezet.




5.12.
Dit alles maakt dat de kinderrechter het verzoek zal afwijzen.



5.13.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:




In de zaak C/02/448109 JE RK 26-825




6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 17 juni 2026 tot 17 juni 2027;



6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



6.3.

wijst af het ingetrokken verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag (te weten de moeder), met inachtneming van hetgeen hierover onder 5.8. is overwogen;

In de zaak C/02/448847 JE RK 26-962





6.4.
wijst af het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag (te weten de vader).









Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.