Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6223

2026-06-09 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447085 / JE RK 26-645
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-09
Publicatiedatum
2026-07-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447085 / JE RK 26-645
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling. Duur half jaar verzocht. Vader verzoekt duur jaar toe te wijzen. GI handhaaft verzoek. Kinderrechter kan niet meer toewijzen dan verzocht.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.864 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/447085 / JE RK 26-645
Datum uitspraak: 9 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van



de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,





[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .





1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 april 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun meningen gevraagd. Zij hebben geen meningen gegeven.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] .



2.2.
De kinderen wonen bij de moeder.



2.3.
Bij beschikking van 26 juni 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 28 juni 2025 tot 28 juni 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
In het verzoekschrift is het verzoek en het standpunt van de GI toegelicht. Tijdens de zitting is namens de GI (in aanvulling daarop), samengevat, door de jeugdbeschermer naar voren gebracht dat de verstandhouding en de samenwerking van de ouders nu echt positief is. Zij hebben beiden het beste met de kinderen voor. De vader geeft aan dat hij tegen het gedrag van de kinderen aanloopt. Hij ziet zichzelf terug in [minderjarige 1] en dat maakt hem onzeker omdat hij het beter voor [minderjarige 1] wil doen. De jeugdbeschermer geeft aan dat de ouders haar advies vragen maar dat de ouders ook samen communiceren als zij ergens tegenaan lopen. De huidige situatie is echter nog pril en kwetsbaar. Een verlenging van de maatregel is nog nodig maar de ouders mogen ook een stuk vertrouwen krijgen. De verzochte duur van zes maanden is daarom passend in deze. Er zal nog een traject van nazorg worden ingezet. Het is voor de ouders van belang om zich te realiseren dat MST [minderjarige 1] niet gaat veranderen. Het is fijn als MST verlengd kan worden maar het is niet realistisch dat dit tot zijn volwassenheid doorloopt. Belangrijk is dat de ouders handvatten krijgen hoe zij met [minderjarige 1] omgaan. Vooral de vader moet hierin meegenomen worden zodat hij dat gaat zien. Dat kan ook in een vrijwillig kader plaatsvinden.



4.2.
Door de moeder is, samengevat, aangegeven dat zij eigenlijk niet blij is met een ondertoezichtstelling maar zij verwacht dat deze binnen een half jaar kan worden afgesloten. De MST voor [minderjarige 1] verloopt goed en is bijna afgerond. Ook de (opbouw van de) contacten tussen de vader en de kinderen gaat goed vooruit. De onderzoeken van [minderjarige 3] zijn afgerond en de resultaten daarvan worden afgewacht. Er zijn bij hem in ieder geval kenmerken van autisme zichtbaar. De bedoeling is dat [minderjarige 3] vanuit de zorgboerderij weer naar school toe gaat. De moeder stelt dat de vader en zij steeds meer vertrouwen in elkaar hebben. Zij zullen best nog ups en downs kennen maar de moeder denkt dat zij er samen uit kunnen komen. De moeder vindt dat zij de juiste handvatten krijgt. Ook heeft zij haar back up en die gedachte maakt haar sterker.



4.3.
De vader heeft samengevat verklaard dat hij de verzochte verlenging voor de duur van een half jaar niet realistisch vindt. Een verlenging voor de duur van een jaar is in zijn ogen realistischer. Er worden pas sinds een maand goede stappen gezet en er dienen nog de nodige stappen te worden gezet en doelen te worden behaald. De MST loopt, maar dit neemt het gedrag van [minderjarige 1] niet weg. Zo heeft de moeder op 8 juni 2026 nog bij de vader aangegeven dat [minderjarige 1] de moeder slaat en met spullen gooit. De MST kan met zeven weken worden verlengd maar dit lost niet alles op. De vader ziet bij [minderjarige 1] terug wat er bij hem is gebeurd en dat wil hij voor [minderjarige 1] voorkomen. De contacten met de kinderen lopen volgens de vader goed en hij wil dat deze verder worden uitgebreid. Er is inmiddels sprake van overnachtingen en bekeken wordt of de kinderen op woensdagmiddag bij hem kunnen komen. De moeder en hij kunnen samen best goed afspraken maken, zij zitten op één lijn. De vader vindt het lastig om met de problematiek van [minderjarige 3] om te gaan. Hij wil daar graag begeleiding in. Bij de moeder is alle nodige hulpverlening ingezet. De vader wil graag dat dat bij hem ook wordt ingezet, zodat hij eveneens de nodige begeleiding en handvatten kan krijgen.





5De beoordeling


5.1.
In artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, kort gezegd, dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen als hij/zij ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd en die ontwikkelingsbedreiging niet (voldoende) kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening.



5.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling steeds verlengen met maximaal een jaar, als nog aan artikel 1:255 lid 1 BW wordt voldaan.



5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Bij [minderjarige 1] en [minderjarige 3] is sprake van forse kind eigen problematiek. De zorgen over hun gedrag zijn de afgelopen tijd zelfs toegenomen. Ondanks de ingezette intensieve hulpverlening kan [minderjarige 1] terugvallen in negatief gedrag waarbij het voor hem lastig is zijn emoties en impulsen te reguleren. [minderjarige 3] gaat al maandenlang niet naar school. Er is psychologisch onderzoek ingezet om duidelijk te krijgen waarom hij zo vastloopt in zijn ontwikkeling. Er worden signalen van autisme bij [minderjarige 3] gezien. Hoewel [minderjarige 2] zich goed lijkt te ontwikkelen, voelt zij zich verantwoordelijk voor haar broertjes en springt zij in op het moment dat de moeder er niet is of druk is. Dit kan een risico vormen voor het ontstaan van loyaliteitsproblematiek en/of parentificatiegedrag, wat zorgelijk kan zijn. Tegelijkertijd is bij de ouders sprake van positieve ontwikkelingen. Hun onderlinge samenwerking en communicatie is verbeterd en het lukt hen om samen afspraken over de kinderen te maken. Deze ontwikkelingen zijn echter nog pril. De binnen de ondertoezichtstelling gestelde doelen zijn nog niet (geheel) behaald.



5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders hebben hun instelling veranderd waardoor zij de samenwerking met elkaar hebben kunnen aangaan. Zo is er inmiddels sprake van contact tussen de vader en de kinderen, wat verder opgebouwd wordt. Dit heeft een positief effect op de kinderen en op het behalen van de gestelde doelen. De situatie is echter nog te fragiel om op dit moment binnen de vrijwillige hulpverlening voort te zetten. Dit hangt samen met de problematiek van met name [minderjarige 1] en [minderjarige 3] en binnen de gezinssituatie, waardoor naar verwachting langdurige hulpverlening noodzakelijk is. Dit alles vraagt veel van de ouders. Zij zijn hierin nog een weg aan het zoeken. Er zijn nog stappen nodig om deze weg op een bestendige manier in een vrijwillig kader te kunnen voortzetten.



5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] voor de duur van zes maanden. De vader heeft aangegeven dat hij een verlenging voor de duur van een jaar realistischer vindt. Bij hem heerst de angst dat alle huidige positieve ontwikkelingen na het stoppen van de ondertoezichtstelling teniet worden gedaan, ook nu bij hem nog geen hulpverlening is ingezet. Dit vindt de kinderrechter vanuit de positie van de vader een begrijpelijke gedachte. Van de zijde van de GI is het verzoek ter zitting echter gehandhaafd. De GI is daarbij van mening dat de ouders ook een stukje vertrouwen verdienen. De kinderrechter deelt deze mening van de GI. Het is een compliment aan de ouders voor hun houding en inzet in de afgelopen periode. Het is de kinderrechter bovendien wettelijk niet toegestaan om de ondertoezichtstelling voor een langere duur te verlengen dan is verzocht. Daarbij merkt de kinderrechter op dat indien de GI in de loop van de komende periode meent dat een verdere verlenging van de ondertoezichtstelling in deze toch noodzakelijk is, zij daartoe een verzoek bij de rechtbank kan indienen. Vooralsnog zal de GI met de ouders verder werken aan de positieve ontwikkelingen en dit evalueren. Verder zal de GI kijken wat er in de komende tijd nodig is aan hulpverlening en training en zal dit worden ingezet en gemonitord. De GI zal dan opnieuw wegen of de hulpverlening naar een vrijwillig kader kan worden overgedragen.



5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] met ingang van
28 juni 2026 tot 28 december 2026;



6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.















































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.