Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6212

2026-06-09 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/443576 / JE RK 25-2338
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-09
Publicatiedatum
2026-07-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/443576 / JE RK 25-2338
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Restant verlenging ondertoezichtstelling en restant verzoek machtiging uithuisplaatsing, verzoeken toegewezen

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.715 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/443576 / JE RK 25-2338
Datum uitspraak: 9 juni 2026




Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom,




FAMILIE [pleegouders] ,

hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats 2] .



De kinderrechter merkt als informant aan:





[de pleegzorgwerker] ,

hierna te noemen: de pleegzorgwerker.



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


de beschikking van deze rechtbank van 9 februari 2026 met zaaknummer 443576 en alle daarin genoemde stukken;


het perspectiefbesluit van 23 februari 2026, ontvangen op 29 april 2026;


het bericht van de GI van 28 april 2026, ontvangen op 29 april 2026;


de beschikking van deze rechtbank van 9 februari 2026 met zaaknummer 446290 en alle daarin genoemde stukken;


het bericht van mr. Bronsveld, ontvangen op 21 mei 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:


de pleegouders;


de pleegzorgwerker;




een vertegenwoordigster van de GI;


een vertegenwoordiger van de Raad.




De moeder en haar advocaat zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en haar advocaat wel juist zijn opgeroepen.






2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

Bij beschikking van 27 mei 2022 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de
GI met ingang van 27 mei 2022 en tot 16 augustus 2022.




2.3.
Bij beschikking van 10 augustus 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 augustus 2022 en tot 10 februari 2023. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 juni 2026, onder aanhouding van het restant.



2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 7 maart 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 7 maart 2023 tot 21 maart 2023, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Deze machtiging is daarna verlengd tot 7 juni 2023.



2.5.
In mei 2023 is [minderjarige] na een periode uit huis te zijn geplaatst weer bij de moeder teruggeplaatst.



2.6.
Bij beschikking van 1 februari 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 1 februari 2024 en tot 10 februari 2024. Deze machtiging is laatstelijk verlengd tot 10 juni 2026, onder aanhouding van het restant.



2.7.

[minderjarige] verblijft op basis van voornoemde machtiging in een pleeggezin.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, namelijk de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van 10 juni 2026 en tot 10 februari 2027.





4De standpunten


4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overlegde stukken. Op dit moment is er slecht contact tussen de moeder en de GI. Te zien is dat de moeder af begint te haken in de omgangsmomenten. De ingezette hulpverlening heeft geen verandering van gedrag bij de moeder opgeleverd. [gezinstherapeut] , die de omgangsmomenten begeleidt, maakt zich bovendien zorgen over het middelengebruik van de moeder. De GI heeft in een perspectiefbesluit aan de moeder laten weten dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt. Het is niet gelukt om het perspectiefbesluit persoonlijk met de moeder te bespreken. De GI zou graag zien dat wordt bevestigd dat [minderjarige] opgroeit bij de pleegouders.



4.2.
Namens de moeder is aangegeven dat zij geen verweer zal voeren tegen de verzoeken van de GI.



4.3.
De pleegouders geven aan dat zij positief tegen het perspectiefbesluit van de GI staan. De omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder zijn op dit moment al drie tot vier weken gestopt.



4.4.
De Raad vindt het belangrijk dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt. Het moet voor [minderjarige] duidelijk zijn dat hij mag blijven wonen bij de pleegouders. Rondom de moeder zijn er zorgen over het middelengebruik en het is niet duidelijk of de ingezette hulpverlening iets heeft opgelost. Het is te betreuren dat de contacten tussen de moeder en [minderjarige] op dit moment zijn gestagneerd. Vanwege de moeilijke samenwerking tussen de moeder en GI ziet de Raad weinig mogelijkheden voor hulp in het vrijwillig kader. Verder geeft de Raad de GI mee om een gezagsbeëindigende maatregel te overwegen.



4.5.
De pleegzorgwerker geeft aan dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] wordt begeleid door [gezinstherapeut] . De samenwerking tussen de moeder en [gezinstherapeut] verloopt moeizaam.





5De beoordeling



Wettelijk kader




5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.





Inhoudelijke beoordeling





5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.4.

[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat sinds eind februari 2026 de begeleide omgang tussen [minderjarige] en de moeder is opgestart. Er leek sprake te zijn van een voorzichtige vooruitgang in het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] . Op de mondelinge behandeling is echter gebleken dat deze omgang tijdelijk is gestagneerd, omdat de moeder is afgehaakt. De moeder laat hierbij een terugtrekkende beweging zien. Dat er voor [minderjarige] geen stabiliteit is in de omgang met de moeder is erg zorgelijk. Sinds augustus 2025 is er bovendien geen hulpverlening meer bij de moeder. Daarnaast zijn er nog steeds zorgen over het middelengebruik van de moeder, hetgeen niet voldoende is afgebouwd. De kinderrechter betreurt dat de zorgen over de moeder de laatste periode niet zijn afgenomen. De moeder staat onvoldoende open voor de hulpverlening, waardoor hulp in het vrijwillig kader niet mogelijk is. Het is daarom nodig dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. De GI moet de komende periode de moeder verder ondersteunen en de ontwikkeling van [minderjarige] blijven monitoren. De samenwerking tussen de moeder en de GI verloopt op dit moment moeizaam. Het is van belang dat de moeder de komende periode open gaat staan voor feedback en de afspraken met de GI gaat nakomen.



5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.



5.6.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van opvoeding en verzorging. De GI heeft in december 2025 een perspectiefbesluit genomen. Het perspectief van [minderjarige] ligt niet bij de moeder. [minderjarige] heeft in zijn jonge leeftijd al meerdere wisselingen van woonplek meegemaakt, zowel met als zonder de moeder. Deze instabiliteit vergroot het risico op hechtingsproblemen, gedragsproblemen en ontwikkelingsstoornissen. Deze risico’s kunnen bij de huidige pleegouders zoveel als mogelijk worden beperkt. Bij de pleegouders kan [minderjarige] zich optimaal ontwikkelen. Ook kan [minderjarige] een vaste en betrouwbare opvoedrelatie opbouwen met de pleegouders. Net als de GI oordeelt de kinderrechter dat het in het belang is van [minderjarige] dat hij opgroeit in het huidige pleeggezin. Het is daarbij belangrijk dat dit perspectief duidelijk is voor [minderjarige] .



5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 10 februari 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 10 februari 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beschikking is gegeven door mr. Borm kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 BW.


Artikel 1:265c, tweede lid, BW.