Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6208
2026-06-09
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448168 / JE RK 26-841
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling. Voornemen was toewerken naar hulpverlening in vrijwillig kader. Opnieuw sprake van spanningen tussen ouders. Minderjarige wil geen contact meer met de moeder. Hulpverlening in gedwongen kader nog noodzakelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.122 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448168 / JE RK 26-841
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. N. Schiettekatte uit Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026;
het e-mailbericht van de moeder van 29 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. Bij voormeld e-mailbericht heeft de moeder zich afgemeld voor de zitting en heeft zij haar standpunt over het verzoek gegeven.
1.3.
De zaak is gelijktijdig behandeld met de samenhangende zaak met nummer C/02/448565 JE RK 26-914. In de samenhangende zaak zal bij aparte beschikking worden beslist.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de vader.
2.3.
Bij beschikking van 17 december 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 28 december 2025 tot 28 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
In het verzoekschrift is het verzoek en het standpunt van de GI toegelicht. Tijdens de zitting is namens de GI (in aanvulling daarop), samengevat, verklaard dat [minderjarige] eind april 2026 heeft aangegeven dat zij geen contact meer met de moeder wil. Dit standpunt van [minderjarige] is nog steeds actueel. Het is van belang dat [minderjarige] weer positieve ervaringen met de moeder opdoet zodat er weer een band tussen hen kan ontstaan en het vertrouwen van [minderjarige] kan herstellen. Dat is echter niet voldoende voor [minderjarige] . In de komende periode zal onderzocht worden of er een therapeutische basis kan zijn voor het contact tussen de moeder en [minderjarige] . [minderjarige] heeft al veel meegemaakt en krijgt veel mee van de spanningen tussen de ouders. Daar heeft zij last van. Bekeken zal worden of een KOPP-training voor [minderjarige] kan worden ingezet.
4.2.
Door de vader is, samengevat, aangegeven dat hij het eens is met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij heeft hier zelf om gevraagd. [minderjarige] heeft hulp nodig maar de moeder ook. De moeder kampt met psychische problematiek. De vader heeft de moeder lang de hand boven het hoofd gehouden, maar hij kan dat niet meer opbrengen. Hij vindt dat [minderjarige] recht heeft op de waarheid. De advocaat heeft daarop aangevuld dat het contact tussen de ouders een half jaar geleden goed was en dat zij afspraken met elkaar konden maken over [minderjarige] . De hulpverlening zou worden afgeschaald naar het vrijwillige kader. Er is nu echter sprake van een hele andere situatie, waardoor de betrokkenheid van de GI nog noodzakelijk is. De vader ervaart een goede samenwerking met de GI. Er moet nog veel gebeuren. De hulpverlening is nog maar net gestart. De vader moet worden ondersteund in het contact van [minderjarige] met de moeder. Ook moet de communicatie tussen de ouders geborgd worden. Daarnaast lijkt het inzetten van een KOPP training voor [minderjarige] passend.
4.3.
In voormeld e-mailbericht van de moeder stelt zij dat zij het eens is met een verlenging van de ondertoezichtstelling.
5De beoordeling
5.1.
In artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, kort gezegd, dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen als hij/zij ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd en die ontwikkelingsbedreiging niet (voldoende) kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling steeds verlengen met maximaal een jaar, als nog aan artikel 1:255 lid 1 BW wordt voldaan.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Na een langere periode waarin de samenwerking tussen de ouders positief verliep en er werd toegewerkt naar een overdracht naar het vrijwillig kader, is er sinds eind februari 2026 sprake van veel onrust. De samenwerking tussen de ouders is er niet en de onderlinge verstandhouding is zeer gespannen. [minderjarige] heeft hier last van en zit klem tussen haar ouders. Zij krijgt veel mee over de verwijten die de ouders elkaar maken en de zorgen die zij over elkaar uiten. Daarnaast ontbreekt nu het contact tussen de moeder en [minderjarige] . [minderjarige] wil sinds eind april 2026 geen contact meer met de moeder en er is veel boosheid in [minderjarige] . De moeder heeft ervoor gekozen het contact met [minderjarige] te stoppen totdat [minderjarige] toe is aan contactherstel. Ook zijn er zorgen over de ontwikkeling en belevingswereld van [minderjarige] . [minderjarige] heeft al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt en heeft veel behoefte aan controle. Zij lijkt soms dingen te ervaren die niet echt gebeuren. Mogelijk is er bij [minderjarige] sprake van een erfelijke aanleg voor psychische kwetsbaarheid vanuit de zijde van de moeder. Verder zijn er zorgen over de draagkracht van de vader. Hij ervaart de verzorging en opvoeding van [minderjarige] soms als zwaar en hij wordt hierin soms overvraagd. Ondersteunende hulpverlening hiervoor heeft echter nog niet kunnen starten.
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Hoewel er eerder met de ouders werd toegewerkt naar een overdracht naar het vrijwillige kader, is dit door de huidige situatie en omstandigheden niet langer haalbaar. Door hun gespannen onderlinge verstandhouding en het ontbreken van enige samenwerking en communicatie, zijn de ouders nu niet in staat om zelf tot overeenstemming en afspraken over [minderjarige] te komen.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, zoals verzocht. Beide ouders staan achter die verlenging. De kinderrechter acht het van belang dat de beoogde hulpverlening voor de vader spoedig kan starten. De hulpverlening kan de vader ondersteunen en zijn opvoedingsvaardigheden en zijn draagkracht versterken. Tegelijkertijd kan er zicht ontstaan op de thuissituatie van de vader en kan worden bekeken wat hierin nodig is. Binnen de hulpverlening zal tevens de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] beter gemonitord kunnen worden, zodat er meer rust kan ontstaan in de relatie tussen de ouders. Voor [minderjarige] is van belang dat er met het verrichten van psychodiagnostisch onderzoek zicht komt op haar (psychische) ontwikkeling en kan hiervoor passende hulpverlening/ behandeling worden ingezet. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat er aandacht is voor het contact tussen de moeder en [minderjarige] .
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 28 juni 2026 tot 28 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448168 / JE RK 26-841
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. N. Schiettekatte uit Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026;
het e-mailbericht van de moeder van 29 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. Bij voormeld e-mailbericht heeft de moeder zich afgemeld voor de zitting en heeft zij haar standpunt over het verzoek gegeven.
1.3.
De zaak is gelijktijdig behandeld met de samenhangende zaak met nummer C/02/448565 JE RK 26-914. In de samenhangende zaak zal bij aparte beschikking worden beslist.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de vader.
2.3.
Bij beschikking van 17 december 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 28 december 2025 tot 28 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
In het verzoekschrift is het verzoek en het standpunt van de GI toegelicht. Tijdens de zitting is namens de GI (in aanvulling daarop), samengevat, verklaard dat [minderjarige] eind april 2026 heeft aangegeven dat zij geen contact meer met de moeder wil. Dit standpunt van [minderjarige] is nog steeds actueel. Het is van belang dat [minderjarige] weer positieve ervaringen met de moeder opdoet zodat er weer een band tussen hen kan ontstaan en het vertrouwen van [minderjarige] kan herstellen. Dat is echter niet voldoende voor [minderjarige] . In de komende periode zal onderzocht worden of er een therapeutische basis kan zijn voor het contact tussen de moeder en [minderjarige] . [minderjarige] heeft al veel meegemaakt en krijgt veel mee van de spanningen tussen de ouders. Daar heeft zij last van. Bekeken zal worden of een KOPP-training voor [minderjarige] kan worden ingezet.
4.2.
Door de vader is, samengevat, aangegeven dat hij het eens is met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij heeft hier zelf om gevraagd. [minderjarige] heeft hulp nodig maar de moeder ook. De moeder kampt met psychische problematiek. De vader heeft de moeder lang de hand boven het hoofd gehouden, maar hij kan dat niet meer opbrengen. Hij vindt dat [minderjarige] recht heeft op de waarheid. De advocaat heeft daarop aangevuld dat het contact tussen de ouders een half jaar geleden goed was en dat zij afspraken met elkaar konden maken over [minderjarige] . De hulpverlening zou worden afgeschaald naar het vrijwillige kader. Er is nu echter sprake van een hele andere situatie, waardoor de betrokkenheid van de GI nog noodzakelijk is. De vader ervaart een goede samenwerking met de GI. Er moet nog veel gebeuren. De hulpverlening is nog maar net gestart. De vader moet worden ondersteund in het contact van [minderjarige] met de moeder. Ook moet de communicatie tussen de ouders geborgd worden. Daarnaast lijkt het inzetten van een KOPP training voor [minderjarige] passend.
4.3.
In voormeld e-mailbericht van de moeder stelt zij dat zij het eens is met een verlenging van de ondertoezichtstelling.
5De beoordeling
5.1.
In artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, kort gezegd, dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen als hij/zij ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd en die ontwikkelingsbedreiging niet (voldoende) kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling steeds verlengen met maximaal een jaar, als nog aan artikel 1:255 lid 1 BW wordt voldaan.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Na een langere periode waarin de samenwerking tussen de ouders positief verliep en er werd toegewerkt naar een overdracht naar het vrijwillig kader, is er sinds eind februari 2026 sprake van veel onrust. De samenwerking tussen de ouders is er niet en de onderlinge verstandhouding is zeer gespannen. [minderjarige] heeft hier last van en zit klem tussen haar ouders. Zij krijgt veel mee over de verwijten die de ouders elkaar maken en de zorgen die zij over elkaar uiten. Daarnaast ontbreekt nu het contact tussen de moeder en [minderjarige] . [minderjarige] wil sinds eind april 2026 geen contact meer met de moeder en er is veel boosheid in [minderjarige] . De moeder heeft ervoor gekozen het contact met [minderjarige] te stoppen totdat [minderjarige] toe is aan contactherstel. Ook zijn er zorgen over de ontwikkeling en belevingswereld van [minderjarige] . [minderjarige] heeft al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt en heeft veel behoefte aan controle. Zij lijkt soms dingen te ervaren die niet echt gebeuren. Mogelijk is er bij [minderjarige] sprake van een erfelijke aanleg voor psychische kwetsbaarheid vanuit de zijde van de moeder. Verder zijn er zorgen over de draagkracht van de vader. Hij ervaart de verzorging en opvoeding van [minderjarige] soms als zwaar en hij wordt hierin soms overvraagd. Ondersteunende hulpverlening hiervoor heeft echter nog niet kunnen starten.
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Hoewel er eerder met de ouders werd toegewerkt naar een overdracht naar het vrijwillige kader, is dit door de huidige situatie en omstandigheden niet langer haalbaar. Door hun gespannen onderlinge verstandhouding en het ontbreken van enige samenwerking en communicatie, zijn de ouders nu niet in staat om zelf tot overeenstemming en afspraken over [minderjarige] te komen.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, zoals verzocht. Beide ouders staan achter die verlenging. De kinderrechter acht het van belang dat de beoogde hulpverlening voor de vader spoedig kan starten. De hulpverlening kan de vader ondersteunen en zijn opvoedingsvaardigheden en zijn draagkracht versterken. Tegelijkertijd kan er zicht ontstaan op de thuissituatie van de vader en kan worden bekeken wat hierin nodig is. Binnen de hulpverlening zal tevens de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] beter gemonitord kunnen worden, zodat er meer rust kan ontstaan in de relatie tussen de ouders. Voor [minderjarige] is van belang dat er met het verrichten van psychodiagnostisch onderzoek zicht komt op haar (psychische) ontwikkeling en kan hiervoor passende hulpverlening/ behandeling worden ingezet. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat er aandacht is voor het contact tussen de moeder en [minderjarige] .
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 28 juni 2026 tot 28 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.