Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6163

2026-04-08 Civiel recht; Goederenrecht C/02/436223 / HA ZA 25-336
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-08
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Goederenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/02/436223 / HA ZA 25-336
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De kwestie betreft de verdeling van de restant executieopbrengst wanneer na een beslag een hypotheekrecht op de onroerende zaak wordt gevestigd dat in tijd wordt gevolgd door weer een beslag op deze onroerende zaak. De anterieure beslaglegger en de posterieure hypotheekhouder gaan voor op de andere schuldeisers. Het restant wordt vervolgens verdeeld tussen alle hypotheekhouders en alle beslagleggers in overeenstemming met hun voorrang en voorrecht.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.004 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant


Civiel recht



Zittingsplaats Middelburg



Zaaknummer: C/02/436223 / HA ZA 25-336




Vonnis van 8 april 2026 (bij vervroeging)




in de zaak van




de ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF,
te Middelburg,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. C. Rijckenberg,



tegen



1. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK,
te Utrecht,
de maten van de maatschap [maatschap] : 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


[B.V.]
,
te Middelburg,3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE LINDEN B.V.,
te Goes,4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BKLA GROUP B.V.,
te Numansdorp,5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EDF TAX ADVICE B.V.,
te Goes,6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WERKB@AS B.V.,
te Etten-Leur,7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SUNNY DAY B.V.,
te Goes,8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOLA OPUS B.V.,
te Serooskerke,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaten: mr. T.T. van Zanten en mr. L. van den Reek.



Eiser in conventie tevens verweerder in reconventie zal hierna ‘de Ontvanger’ worden genoemd, gedaagde sub 2 in conventie tevens eiser sub 1 in reconventie ‘de Rabobank’ en de overige gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie gezamenlijk ‘ [partij 2] ’ (enkelvoud).





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de akte overlegging producties;- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
- de conclusie van antwoord tevens wijziging van eis in conventie en akte houdende overlegging producties met producties;
- het proces-verbaal van de zitting waaraan de pleitaantekeningen van Rabobank en [partij 2] zijn gehecht.



1.2.
Op heden is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[persoon] (‘ [persoon] ’) vestigt een eerste en een tweede hypotheekrecht op zijn woning ten gunste van Van Lanschot. Deze woning staat en is gelegen aan [adres] . Deze hypotheken zijn gevestigd tot zekerheid van de betalingen van schulden aan Van Lanschot.



2.2.
Na deze hypotheekverleningen, legt Rabobank op 28 juli 2021 beslag op de woning van [persoon] voor een schuld van € 114.710,33 van [persoon] .



2.3.

[persoon] vestigt op 1 maart 2022 een derde recht van hypotheek op de woning ten gunste van [partij 2] tot zekerheid voor de betaling van het bedrag van € 73.929,14.



2.4.
Op 11 mei 2023 legt Rabobank voor een schuld van [persoon] van € 505.899,21 wederom beslag op de woning van [persoon] .



2.5.
De Ontvanger legt op 22 januari 2024 voor een onbetaald gelaten schuld van [persoon] van € 18.594,00 beslag op deze woning. Op 1 maart 2024 vestigt [persoon] ten gunste van de Ontvanger een recht van hypotheek op zijn woning en wel voor een schuld van € 228.584,79 aan de Ontvanger. Op 2 juli 2024 legt de Ontvanger voor een schuld van [persoon] van € 225.109,79 wederom beslag op de woning van [persoon] .



2.6.
De woning van [persoon] is op of rond 18 juli 2024 door Van Lanschot als hypotheekouder geveild. Van Lanschot heeft uit hoofde van haar hypothecaire vorderingen het bedrag van € 904.222,89 ontvangen. De nog tussen de crediteuren van [persoon] te verdelen restant executieopbrengst bedraagt € 174.396,61. Partijen verschillen van mening aan wie dit restant toekomt en dus hoe dit restant tussen hen dient te worden verdeeld.



2.7.
Partijen verzoeken niet om de benoeming van een rechter-commissaris in het kader van een rangeregeling, maar zij sluiten met de instrumenterend notaris op 11 juli 2024 een depotovereenkomst. Op grond van artikel 4 van de depotovereenkomst dient deze notaris eerst na ondubbelzinnig gelijkluidend schriftelijke opdracht of na een in kracht van gewijsde gegaan vonnis aan de voorwaardelijk gerechtigden het depot van € 174.396,61 uit te betalen.





3De geschillen


3.1.

De Ontvanger vordert in conventie bij uitvoer bij voorraad te verklaren vonnis te verklaren voor recht:
dat primair de restant verkoopopbrengst als volgt dient te worden verdeeld:



Rabobank: € 0,00



[partij 2] : € 73.929,14


Ontvanger: € 100.467,47


dat subsidiair de restant verkoopopbrengst als volgt dient te worden verdeeld:


Rabobank: € 69.745,34



[partij 2] : € 73.929,14


Ontvanger: € 30.722,13


onder de hoofdelijke veroordeling van Rabobank en [partij 2] in de proceskosten.



3.2.

Primair meent de Ontvanger dat het restant in overstemming met het betoog van [bedrijf 1] , ‘Met twee maten meten bij de verdeling van de executieopbrengst van registergoederen’, NTBR 1998/7, p. 219-225, dient te worden verdeeld. Hiermee verwerpt de Ontvanger in navolging van het betoog van [partij 2] en de Rabobank in de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie de visie van [bedrijf 2] , Hinderpalen bij executie, in Incidenten bij de afwikkeling van verkoop en overdracht (preadvies KNB 1997). [bedrijf 2] miskent volgens de Ontvanger dat de bepaling van artikel 505 lid 2 Rv slechts relatief werkt namelijk slechts tussen de anterieure beslaglegger en posterieure hypotheekhouder. [bedrijf 2] miskent de voorrang van de hypotheekhouder in relatie tot de posterieure beslaglegger. Met toepassing van [bedrijf 1] a.w. berekent de Ontvanger eerst welk bedrag toekomt aan de eerste beslaglegger. Dat geschiedt door de voorrang – niet de vordering – van de hypotheekhouder buiten beschouwing te laten. Met de preferenties van andere schuldeisers – die niet door artikel 505 lid 2 Rv zijn geblokkeerd – zoals die van de fiscus wordt wel rekening gehouden. Het aldus berekende bedrag trekt men van de totale opbrengst af en wordt gereserveerd voor de beslaglegger. Het restant van de opbrengst wordt op de normale wijze, door rekening te houden met ieders preferentie, ook met die van de hypotheekhouder, tussen beslaglegger en de overige schuldeisers verdeeld. Subsidiair dient de opbrengst in overeenstemming met HR 25 oktober 1985, NJ 1987/18 (Ontvangers/AMRO) te worden verdeeld behoudens een beperkte correctie zodat ook met het voorrecht van het na de hypotheekverlening gelegde beslag van de Ontvanger rekening wordt gehouden: in de eerste stap wordt de verkoopopbrengst verdeeld tussen de eerste beslaglegger en de latere hypotheekhouder. In de tweede stap wordt het restant verdeeld tussen alle beslagleggers en hypotheekhouder(s) met inachtneming van de omvang van de vordering en aan het hypotheekrecht en de vordering verbonden voorrang respectievelijk voorrecht. Deze exercitie leidt in de visie van de Ontvanger tot toewijzing van de subsidiaire vordering.



3.3.


In reconventie vorderen [partij 2] en Rabobank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
om primair voor recht te verklaren dat de executieopbrengst als volgt dient te worden verdeeld:



Rabobank: € 69.745,34



[partij 2] : € 73.929,14


Ontvanger: € 30.722,13


om subsidiair voor recht te verklaren dat de executieopbrengst als volgt dient te worden verdeeld:


Rabobank: € 0,00



[partij 2] : € 73.929,14


Ontvanger: € 100.467,47


om meer subsidiair voor recht te verklaren dat de executieopbrengst als volgt dient te worden verdeeld:


Rabobank: € 114.710,33



[partij 2] : € 59.686,28


Ontvanger: € 0,00


en onder veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.4.
Aan deze vorderingen leggen [partij 2] en de Rabobank ten grondslag dat de executieopbrengst eerst verdeeld dient te worden tussen Rabobank en [partij 2] en wel op gelijke voet uitgaande van het verhaalsobject in onbezwaarde toestand. Het restant wordt vervolgens verdeeld tussen alle beslagleggers en hypotheekhouders waarbij wel rekening wordt gehouden met voorrang van de hypotheekhouder en het voorrecht van de Ontvanger. Deze gedachtegang leidt tot toewijzing van de primaire vordering: het bedrag van € 114.710,33 wordt tussen Rabobank en [partij 2] op gelijke voet verdeeld. Het bedrag van € 69.745,34 komt aan de Rabobank toe en aan [partij 2] het bedrag van € 44.964,99. Het restant van € 59.686,28 wordt verdeeld tussen alle beslagleggers en alle hypotheekhouders in overeenstemming met hun voorrecht respectievelijk voorrang. [partij 2] ontvangt als eerst tot beloop van haar met hypotheek gedekte vordering en dan blijft nog het bedrag van € 30.722,13 over voor de Ontvanger. Ten aanzien van de subsidiaire vordering dient te gelden dat eerst dient te worden berekend welk bedrag toekomt aan de eerste beslaglegger. De voorrang van de hypotheekhouder blijft buiten beschouwing. Met zogenoemde ongeblokkeerde preferenties wordt wel rekening gehouden. Dit bedrag trekt men af van de executieopbrengst. Alsdan ontvangt de Rabobank gelet op de preferentie van de Ontvanger niets, maar [partij 2] ontvangt dan het bedrag van € 73.929,14 en de Ontvanger overigens het bedrag van € 100.467,47. Toepassing van HR 25 oktober 1985, NJ 1987/18 leidt tot toewijzing van de meer subsidiaire vordering.



3.5.
Partijen weerspreken deels elkaars vorderingen.





4De beoordeling



in conventie en in reconventie





inleiding




4.1.
Partijen verschillen niet langer van mening over de feiten: de door de Ontvanger opgevoerde vorderingen van de Ontvanger staan in dit geding vast (vergelijk sub 2 van de spreekaantekeningen van de Rabobank). De rechtbank zal slechts hoeven te oordelen over de verdeling van het depot uitgaande van de omvang van de in de feitenvaststelling vermelde vorderingen van de Rabobank, [partij 2] en de Ontvanger.



4.2.
De Ontvanger heeft na de hypothecaire executie van de woning niet om de benoeming van een rechter-commissaris verzocht in het kader van een rangregeling ex artikel 3:271 BW waartoe de Ontvanger als belanghebbende hypotheekhouder en beslaglegger bevoegd was. De rechtbank is van oordeel dat de Ontvanger desondanks na het sluiten van de depotovereenkomst met de notaris, de Rabobank en [partij 2] bevoegd is onderhavige vorderingen tegen de Rabobank en [partij 2] in te stellen teneinde de gevorderde verdeling van het restant van de executieopbrengst af te dwingen. Overigens hebben de Rabobank en [partij 2] ook niet iets anders betoogd.



4.3.
Partijen wensen een ‘principiële’ uitspraak van de rechtbank die voorbij gaat aan het geldende recht zoals dat volgt uit HR 25 oktober 1985, NJ 1987/18. Alle partijen menen dat deze uitspraak niet het wenselijke recht weergeeft. Zij verwijzen naar uiteenlopende opvattingen in de ‘literatuur’. Het spreekt vanzelf dat de rechtbank niet gebonden is aan opvattingen in de ‘literatuur’. De rechtbank behoort zich te richten -maar zij is niet gebonden- naar de uitleg van het geldende recht door de Hoge Raad, tenzij de rechtbank oordeelt dat deze uitleg niet (langer) voldoet.



verschillende opvattingen over verdeling van de executieopbrengst





4.4.
De kwestie betreft de verdeling van de restant executieopbrengst wanneer na een beslag een hypotheekrecht op de onroerende zaak wordt gevestigd dat in tijd wordt gevolgd door weer een beslag op deze onroerende zaak.



4.5.

Uit het geldende recht volgt dat de anterieure beslaglegger als eerste uit de opbrengst moet worden voldaan waarna de hypotheekhouder aan bod komt. Als na de uitkering aan de hypotheekhouder nog een restantbedrag overblijft, dient dit restantbedrag aan de posterieure beslaglegger te worden uitgekeerd. Deze verdeling volgt uit het onder sub 4.3. van dit vonnis vermelde arrest, althans daarvan gaat de ‘literatuur’
uit.




4.6.
In de ‘literatuur’ is op deze verdelingswijze kritiek geleverd. Als de rechtbank het goed ziet, richt deze kritiek zich op de achterstelling van de hypotheekhouder bij de anterieure beslaglegger en de preferentie van de eerste beslaglegger boven de posterieure beslaglegger ook al zou deze beslaglegger over een bevoorrechte vordering beschikken. In de literatuur zijn uiteenlopende exercities beschreven om tot een -zo begrijpt de rechtbank- ‘rechtvaardigere’ of eerlijkere verdeling van de executieopbrengst te komen rekening houdende met de hiervoor beschreven kritiek.



4.7.
De rechtbank acht één onderdeel van deze kritiek terecht. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen zinnige verklaring waarom een posterieure hypotheekhouder geheel wordt achtergesteld bij een anterieure beslaglegger, terwijl een posterieure beslaglegger op grond van artikel 505 lid 2 Rv niet is achtergesteld, maar volledig meedeelt in de opbrengst. Zou de crediteur in plaats van het hypotheekrecht doen vestigen, beslag leggen zou hij wel volledig meedelen. Zou de posterieure beslaglegger over een (hoger) bevoorrechte vordering beschikken, dient er zelfs vanuit te worden gegaan dat deze posterieure beslaglegger als eerste uit de executieopbrengst dient te worden voldaan. Ook de rechtspraak van de Hoge Raad -zie hiervoor sub 4.3.- gaat van deze volledige achterstelling van de posterieure hypotheekhouder uit. Deze uitleg van artikel 505 lid 2 Rv schiet naar het oordeel van de rechtbank tekort.



4.8.
De visie van de Ontvanger dat bij de berekening van hetgeen de eerste beslaglegger uit de opbrengst toekomt géén rekening mag worden gehouden met de preferentie van de hypotheekhouder, maar wel met preferenties van de anderen en dat overigens de executieopbrengst tussen de schuldeisers rekening houdende met alle preferenties moet worden verdeeld, schiet naar het oordeel van de rechtbank ook tekort. Tegen een dergelijke verdeling dient als bezwaar te worden ingebracht dat de anterieure hypotheekhouder het vermogen van de debiteur waarop verhaal kan worden genomen voor de posterieure beslaglegger heeft verminderd namelijk door de bezwaring van dit vermogen met een hypotheekrecht. Dit gegeven dat de Rabobank en [partij 2] telkens benadrukken, miskent de Ontvanger. De rechtbank zal dat niet doen: de posterieure beslaglegger zal het recht van het anterieure hypotheekrecht tegen zich moeten laten werken, tenzij de vordering van deze beslaglegger een hogere preferentie heeft maar dat is in het voorliggende geschil niet het geval: de vorderingen van de Ontvanger zijn lager gerangschikt dan de vordering van hypotheekhouder [partij 2] .



4.9.
De rechtbank zal de verdeling van de executieopbrengst dan ook overeenkomstig de subsidiair conventionele vordering tevens primair reconventionele vordering vaststellen. Zodoende houdt de rechtbank rekening met het voorschrift van artikel 505 lid 2 Rv en overigens met de preferenties van de crediteuren en het voor hen beschikbare verhaalbare vermogen. De anterieure beslaglegger en de posterieure hypotheekhouder hebben verhaal op het onbezwaarde goed. Zij gaan dan ook voor op de andere schuldeisers. Het restant wordt vervolgens verdeeld tussen alle hypotheekhouders en alle beslagleggers in overeenstemming met hun voorrang en voorrecht.



4.10.
Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal de Ontvanger in conventie en in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld die aan de zijde van de Rabobank en [partij 2] als volgt kunnen worden vastgesteld:



in conventie

-griffierecht € 6.861,00
-kosten exploit € 168,00
-advocaatkosten € 4.102,00 (2 punten x tarief V)

-nakosten € 296,00

totaal € 11.427,00




in reconventie

-advocaatkosten € 2.051,00 (2 punten x tarief V x ½)



De na-kosten zullen worden vermeerderd met € 98,00 na betekening van het vonnis alsmede met de kosten van betekening zelf.




4.11.
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.





5De beslissing



in conventie en in reconventie




5.1.

verklaart voor recht dat het restant van de executieopbrengst van € 174.396,61 als volgt moet worden verdeeld:
-aan de Rabobank komt toe het bedrag van € 69.745,34;
-aan [partij 2] komt toe het bedrag van € 73.929,14; en
-aan de Ontvanger komt toe het bedrag van € 30.722,13;




in conventie





5.2.
veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding die aan de zijde van de Rabobank en [partij 2] worden vastgesteld op € 11.427,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 dagen na heden tot de dag van algehele voldoening;



in reconventie





5.3.
veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding die aan de zijde van de Rabobank en [partij 2] worden vastgesteld op € 2.051,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 dagen na heden tot de dag van algehele voldoening;



in conventie en in reconventie





5.4.
veroordeelt de Ontvanger om de na-kosten van € 98,00 aan de Rabobank en [partij 2] te betalen, als het vonnis zal worden betekend onverminderd de kosten van de betekening zelf;



5.5.
verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is bij vervroeging gewezen door mr. Luijks en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.







Zie feitenvaststelling sub 2.2.


[partij 2] heeft € 73.929,14 te vorderen.


De opvatting van de Bossche rechter-commissaris -de verdeling van steeds kleiner wordende ‘potjes’- laat de rechtbank verder onbesproken omdat geen der partijen zijn visie wenst te volgen, ook de rechtbank niet.