Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6140

2026-06-08 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/441907 / JE RK 25-2010
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-08
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/441907 / JE RK 25-2010
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Art. 1:255 jo 1:260 BW. Verl. OTS.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.090 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/441907 / JE RK 25-2010
Datum uitspraak: 8 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling




in de zaak van




DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,





[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,





[minderjarige 4]
, geboren op [geboortedag 3] 2015 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen [minderjarige 4] ,





[minderjarige 5]
, geboren op [geboortedag 4] 2022 in [geboorteplaats 4] ,
hierna te noemen [minderjarige 5] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,




WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN


JEUGDRECLASSERING,

gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 16 december 2025;
- de brief van de Raad met bijlage van 15 april 2026.



1.2.
Op 8 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. Zij hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.





2De feiten


2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .



2.2.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] wonen bij hun ouders.



2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 december 2025 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] onder toezicht gesteld met ingang van 16 december 2025 tot 16 juni 2026.



2.4.
De behandeling van het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot onderhavige zitting.





3Het verzoek


3.1.
Aan de orde is het resterende deel van het verzoek van de Raad om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De Raad handhaaft zijn verzoek om een ondertoezichtstelling te verlenen voor de resterende duur van zes maanden. Er is nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij alle kinderen. De ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] heeft met name te maken met het ontbreken van continuïteit in schoolgang en daarnaast met het gedrag en de vrijetijdsbesteding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , waarbij zij regelmatig met de politie in contact komen. De ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 4] heeft te maken met het ontbreken van schoolgang. [minderjarige 4] gaat enkel naar dagbesteding en is in afwachting van dagbehandeling. De zorgen rondom [minderjarige 5] hebben te maken met een taalachterstand. De bedreiging in de ontwikkeling hangt nauw samen met het opvoedend handelen van ouders. De ouders liggen in scheiding, maar wonen zij nog wel samen. Daarbij is volgens de GI nog steeds sprake van onmacht/onkunde bij ouders en zijn ouders geneigd de zorgen te bagatelliseren. Er is veel complexe problematiek is in het gezin op systemisch gebied. De Raad concludeert dat er binnen de eerste maanden van de ondertoezichtstelling nog onvoldoende noodzakelijke verbeteringen zijn bereikt en verzoekt daarom om het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling uit te spreken.



4.2.
De moeder heeft, samengevat, aangegeven dat zij het goed vindt dat de ondertoezichtstelling door blijft lopen. De ouders doen alles wat ze kunnen doen en het belang van de kinderen staat voorop.



4.3.
De vader heeft, samengevat, naar voren gebracht dat hij het geen probleem vindt als de jeugdbeschermer nog betrokken blijft. De kinderen zijn prioriteit.



4.4.

De GI geeft, samengevat, het volgende aan. Sinds de GI betrokken is, heeft zij kennisgemaakt met alle betrokkenen en de hulpverlening in kaart gebracht. [minderjarige 1] loopt momenteel stage en gaat in mei zijn opleiding afronden. In de afgelopen periode is het (na enige moeite) gelukt om een ID-kaart voor hem aan te vragen. [minderjarige 2] heeft een JR-maatregel die loopt tot mei 2026. Het lukt [minderjarige 2] niet om naar school te gaan ondanks alle inzet en inspanningen. De ouders hebben grote zorgen over hem: hij is veel op straat, met name in de avond en overdag slaapt hij. Het lukt hem niet om een bijbaantje te houden. Er zijn sterke vermoedens van softdrugsgebruik. Het lukt de ouders niet om [minderjarige 2] te sturen in zijn gedrag. JR is voornemens om een terugmelding naar de rechtbank te doen zodat mogelijk met aanvullende voorwaarden een kentering plaats kan vinden tijdens langduriger JR-traject.

[minderjarige 3] gaat vier dagdelen naar [dagbesteding] . Er wordt gezien dat hij veel problemen heeft met zijn emotieregulatie en het uiten van emoties. Hij is geregeld betrokken bij incidenten op de dagbesteding en is ook geregeld afwezig. [minderjarige 3] is aangemeld voor [hulpverlening] , zal hiernaartoe doorstromen. [minderjarige 3] heeft ook een HALT-traject (succesvol) doorlopen. Deze drie jongens komen geregeld in beeld bij de politie. [minderjarige 4] bezoekt drie dagdelen per week dagbesteding bij Samen Sterk. Hij heeft veel moeite in sociale context met anderen. Hij begrijpt opdrachten moeilijk en heeft een zeer korte spanningsboog. [minderjarige 4] is aangemeld voor een traject voor dagbehandeling bij [accommodatie] – voor diagnose en behandeling. Bij [minderjarige 5] is sprake van een taalachterstand. Hij is inmiddels wel aangemeld voor een reguliere basisschool. De ouders liggen momenteel in scheiding, maar zij wonen nog samen. Zij willen de zorg voor de kinderen blijven delen, waarbij de kinderen bij de moeder blijven wonen en ze de vader regelmatig zien. Er zijn veel zorgen op systemisch gebied. Alle kinderen hebben moeite met het schoolsysteem en gezagrelaties. De ouders delen deze zorgen maar kunnen dit ook bagatelliseren; het lijkt erop dat ouders onmachtig of onkundig zijn. De GI ziet veel complexe problematiek in het gezin op systemisch gebied. Het is noodzakelijk om het aangehouden deel van de ondertoezichtstelling uit te spreken.






5De nadere beoordeling


5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.2.
In de beschikking van 16 december 2025 is de ondertoezichtstelling uitgesproken voor de duur van zes maanden, waarbij het resterende deel is aangehouden. De GI heeft inmiddels kennisgemaakt met de ouders en de betrokken hulpverlening in kaart gebracht. Gebleken is dat, hoewel de ouders stappen hebben gezet, de situatie nog niet stabiel genoeg is om over te gaan naar vrijwillige hulp. Er blijven zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ligt in het ontbreken van een vaste schoolroutine en hun gedrag en vrijetijdsbesteding. Ze komen regelmatig in aanraking met de politie. Voor [minderjarige 4] is de zorg dat hij niet naar school gaat; hij volgt alleen dagbesteding en wacht op plaatsing voor een dagbehandeling. Bij [minderjarige 5] is er sprake van een taalachterstand. Er is veel complexe problematiek in het gezin op systemisch gebied en het lijkt erop dat de ouders onmachtig zijn om de zorgen op te lossen. De ouders zijn in scheiding, maar wonen nog samen. Zij hebben moeite met de opvoeding.



5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verlengen voor de duur van zes maanden. De ouders hebben ter zitting aangegeven dat zij steun ervaren van de ondertoezichtstelling en kunnen instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling.



5.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



5.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] met ingang van 16 juni 2026 tot 16 december 2026;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:255 BW jo. artikel 1:260 lid 1 BW.