Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6138

2026-06-08 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447789 / JE RK 26-770
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-08
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447789 / JE RK 26-770
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Art. 1:255 lid 1 BW jo art. 1:265b BW. OTS & MUHP. Veel zorgen over de minderjarige. Ouders zijn onvoldoende betrokken.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.527 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/447789 / JE RK 26-770
Datum uitspraak: 8 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze.



De kinderrechter merkt als informant aan:




WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 mei 2026;
- het e-mailbericht van [minderjarige] van 22 mei 2026.



1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- mr. Boudrad, waarnemend advocaat voor mr. Van Kerkhof;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.



1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.



1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft een brief gestuurd waarin hij aangeeft af te zien van zijn gesprek met de kinderrechter.





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] verblijft op een open [woongroep] .





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.



3.2.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten



De Raad



4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] verblijft sinds 17 februari 2026 bij [woongroep] in [plaats 2] op een open groep. Hij gaat dagelijks naar dagbesteding van [hulpverlening] en hij heeft 2/3 keer per week contact met coach [persoon] vanuit [zorginstelling] , waarbij gekeken wordt naar vrijetijdsbesteding en bezoeken aan zijn moeder. Vóór de uithuisplaatsing woonde hij bij zijn moeder, samen met twee (half)broertjes. Zijn vader woont in [plaats 3] . [minderjarige] heeft sporadisch contact met zijn vader via beeldbellen. Er zijn veel zorgen rondom [minderjarige] . [minderjarige] is een jongen met licht verstandelijke beperking. Hij heeft een hechtingsstoornis met bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en een sociaal emotionele ontwikkelingsachterstand. [minderjarige] heeft veel wisselingen en onrust in zijn leven gehad. Op dit moment zijn er veel zorgen over crimineel handelen en seksueel overschrijdend gedrag. Er wordt gezien dat hij beperkt moreel besef heeft en impulsief handelt. Zijn sociale netwerk bestaat grotendeels uit antisociale contacten die crimineel van aard zijn. [minderjarige] heeft op 8 mei 2025 een delict gepleegd, waarvoor nu vrijwillige jeugdreclassing betrokken is door William Schrikker Jeugdreclassering.



4.2.
De ouders dragen steeds minder bij aan de ontwikkeling van [minderjarige] . De vader is al enkele jaren afwezig in de opvoeding en de moeder is inhoudelijk steeds minder betrokken bij zowel [minderjarige] als de betrokken hulpverlening. Doordat de moeder slecht bereikbaar is, stagneert de hulpverlening. Er is een patroon zichtbaar waarin [minderjarige] afgewezen of weggestuurd wordt door zijn opvoeders. Het ontbreekt [minderjarige] aan een volwassene die naast hem staat en hem ondersteunt en begrenst. De Raad is van mening dat er een ondertoezichtstelling nodig is, zodat er een jeugdbeschermer komt die de moeder kan ondersteunen in de uitoefening van het gezag. Los van de zorgen moeten er ook praktische dingen geregeld worden, maar de moeder is dan vaak niet bereikbaar voor hulpverlening. Er moet het nodig gebeuren voor [minderjarige] en daar is ondersteuning van een jeugdbeschermer bij nodig. Daarnaast is een machtiging voor een uithuisplaatsing voor [minderjarige] noodzakelijk, omdat hij sinds november 2024 niet langer thuis woont en vanwege behandeling geplaatst is op de huidige groep van [woongroep] .



De moeder




4.3.
Door de advocaat van de moeder is, samengevat, aangegeven dat zij geprobeerd heeft om contact te leggen met de moeder, maar dit niet is gelukt. De advocaat refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter.





5De beoordeling


5.1.

Op grond van artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.




5.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.



5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.4.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen besproken op de zitting blijkt het volgende. Er zijn veel zorgen over [minderjarige] . Hij is een jongen met een lichte verstandelijke beperking, een hechtingsstoornis en een sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand. Hij heeft in zijn leven veel onrust en wisselingen meegemaakt. Op dit moment zijn er zorgen over crimineel gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zijn sociale omgeving bestaat vooral uit mensen met crimineel gedrag. Op 8 mei 2025 heeft hij een delict gepleegd, waardoor er nu vrijwillige jeugdreclassering betrokken ia via William Schrikker Jeugdreclassering. De ouders dragen steeds minder bij aan de ontwikkeling van [minderjarige] . Zijn vader is al jaren niet betrokken bij de opvoeding en zijn moeder is steeds minder actief in de zorg voor [minderjarige] en in de samenwerking met hulpverleners. Omdat de moeder slecht bereikbaar is, komt de hulpverlening vaak stil te liggen. De ouders van [minderjarige] zijn daarom op dit moment onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren.



5.5.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [minderjarige] woont sinds november 2024 niet meer thuis. Vanwege behandeling is hij geplaatst op de huidige groep van [woongroep] . De kinderrechter acht het van belang dat zijn behandeling hier voortduurt.



5.6.
De kinderrechter is, met de Raad, van oordeel dat er de komende periode gewerkt moet worden aan de volgende doelen:

- [minderjarige] groeit op tot een volwassen jongen en leert passend omgaan met zijn ontwikkeltaken;

- [minderjarige] beschikt over een opvoeder die hem kan ondersteunen in zijn weg naar de volwassenheid (het regelen van een huisarts, het omgaan met meer vrijheden op de open groep, het vinden van een passende dagbesteding zoals een baan).

- [minderjarige] krijgt structuur en duidelijke kaders zodat hij geen schadelijk, onveilig, crimineel gedrag kan vertonen (er is zicht op zijn antisociale netwerk, er is zicht op zijn drugsgebruik). Hij beschikt hierbij over een volwassene die hem hierin kan begeleiden en ondersteunen.

- [minderjarige] vindt een passende dagbesteding met toekomstperspectief passend bij zijn mogelijkheden.

- [minderjarige] leert de grenzen van anderen te respecteren: hij wordt ondersteund in het vergroten van zijn sociaal emotionele vaardigheden, leert hoe hij seksuele grenzen van anderen respecteert en werkt aan zijn gewetensontwikkeling.



5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 8 juni 2026 tot 8 juni 2027;



6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 8 juni 2026 tot 8 juni 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.


Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.