Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6131
2026-06-08
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448213 / FA RK 26-2506
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beëindiging voogdij en benoeming voogd
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.327 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448213 / FA RK 26-2506
Datum uitspraak: 8 juni 2026
Beschikking over beëindiging voogdij en benoeming voogd
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de grootvader]
,
hierna te noemen: de grootvader,
wonende in [woonplaats] .
Als informant wordt aangemerkt:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
een vertegenwoordiger van de Raad;
de minderjarige [minderjarige] ;
- een vertegenwoordiger van de GI (via beeldbellen).
De grootvader is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.
2De feiten
2.1.
Bij beschikking van 13 mei 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering ontslagen van de voogdij over [minderjarige] en de grootvader, de heer [de grootvader] voornoemd, benoemd tot voogd over [minderjarige] .
3Het verzoek
3.1.
Het verzoek van de Raad strekt ertoe om op grond van de artikelen 1:327 jo. 1:329 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de voogdij van de grootvader te beëindigen en op grond van artikel 1:299 BW de GI te benoemen tot voogdes over [minderjarige] .
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Bij brief van 4 mei 2026 heeft de GI zich bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
4De inhoudelijke beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 1:327 BW kan de rechtbank de voogdij van een natuurlijk persoon beëindigen indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt
bedreigd, en de voogd niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en
opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor
de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn,
of
b. de voogd het gezag misbruikt, of
c. niet beschikt over de ingevolge artikel 2 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie vereiste beginseltoestemming.
4.2.
Ingevolge het eerste lid van artikel 1:329 BW kan beëindiging van de voogdij worden uitgesproken op verzoek van de Raad, het openbaar ministerie of een der bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad.
4.3.
De Raad acht een beëindiging van de voogdij van de grootvader aangewezen en grondt zijn verzoek nadrukkelijk op het in artikel 1:327 BW onder sub a. bepaalde.
De Raad stelt hiertoe dat sinds de overdracht van de voogdij is gebleken dat belangrijke zaken niet voor [minderjarige] geregeld zijn/worden. Hij wordt hierdoor niet voorzien in zijn basale levensbehoeften, omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Hij mag van de woningbouw niet ingeschreven staan en verblijven bij de grootvader. Ook zijn zaken als een passende zorgverzekering niet geregeld, is zijn medische zorg ontoereikend en beschikt [minderjarige] niet over een structureel eigen inkomen voor zaken als voeding.
De Raad heeft de zorg dat de grootvader onvoldoende in staat is om de nodige zaken voor [minderjarige] te regelen. De grootvader heeft zelf ook aangegeven zich onmachtig te voelen.
Naar de mening van de Raad is [minderjarige] vooral aan het “overleven” en komt hij in een negatieve spiraal terecht. Zo geraakt [minderjarige] steeds meer verzeild in zorgelijke zaken zoals criminaliteit en een relatie/huwelijk met een jonger meisje dat zwanger van hem is geweest en heeft hij geen zinvolle dagbesteding. Naar de mening van de Raad wordt [minderjarige] hierdoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Bij [minderjarige] is voorts sprake van een groot wantrouwen richting de hulpverlening. De Raad acht de grootvader niet langer in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. Een complicatie hierin is dat de grootvader de zorgen vanuit de hulpverlening niet als zodanig zorgelijk beschouwt, omdat dit passend is binnen de cultuur en de normen en waarden van de familie. De Raad is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat de GI de voogdij over hem zal krijgen, omdat zij reeds bekend is met het familiesysteem (en de cultuur) rondom [minderjarige] . Daarbij is er – in tegenstelling tot andere hulpverleners – vanuit [minderjarige] vertrouwen in de GI, specifiek in mevrouw [persoon] gezien haar jarenlange betrokkenheid bij het netwerk van [minderjarige] . De Raad heeft een ondertoezichtstelling overwogen, maar acht dat in dit geval niet de geschikte maatregel om de zorgen weg te nemen, omdat het vooral veel regelzaken betreffen voor [minderjarige] . De Raad verwacht dat indien voor [minderjarige] richting zijn meerderjarigheid veel belangrijke zaken geregeld zullen zijn, zoals huisvesting en een zinvolle dagbesteding, de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] in voldoende mate zal kunnen worden afgewend.
4.4.
[minderjarige] heeft aangegeven het volledig eens te zijn met het verzoek. Naar de mening van [minderjarige] heeft mevrouw [persoon] hem inmiddels al goed geholpen door hem aan huisvesting (in [plaats] ) te helpen. Volgens [minderjarige] dient er voor hem nog veel meer geregeld te worden, zoals een zinvolle dagbesteding. [minderjarige] heeft er vertrouwen in dat mevrouw [persoon] hem daarin verder zal kunnen helpen.
4.5.
De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om de voogdij van de grootvader over [minderjarige] te beëindigen.
4.6.
Nu de beëindiging van de voogdij van de grootvader ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, zal de rechtbank, zoals verzocht, op grond van het in artikel 1:299 BW bepaalde een andere voogd moeten benoemen over [minderjarige] .
4.7.
De GI heeft zowel schriftelijk als ter zitting verklaard dat zij bereid is om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. Gezien het hiervoor overwogene zal de rechtbank de GI tot voogdes over [minderjarige] benoemen.
4.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
4.9.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
ontslaat de heer [de grootvader] , geboren te [geboorteplaats 2] , Joegoslavië, op [geboortedag 2] 1970, en wonende te [woonplaats] van de voogdij over [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009;
5.2.
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg ;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr. Pellikaan, rechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448213 / FA RK 26-2506
Datum uitspraak: 8 juni 2026
Beschikking over beëindiging voogdij en benoeming voogd
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de grootvader]
,
hierna te noemen: de grootvader,
wonende in [woonplaats] .
Als informant wordt aangemerkt:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
een vertegenwoordiger van de Raad;
de minderjarige [minderjarige] ;
- een vertegenwoordiger van de GI (via beeldbellen).
De grootvader is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.
2De feiten
2.1.
Bij beschikking van 13 mei 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering ontslagen van de voogdij over [minderjarige] en de grootvader, de heer [de grootvader] voornoemd, benoemd tot voogd over [minderjarige] .
3Het verzoek
3.1.
Het verzoek van de Raad strekt ertoe om op grond van de artikelen 1:327 jo. 1:329 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de voogdij van de grootvader te beëindigen en op grond van artikel 1:299 BW de GI te benoemen tot voogdes over [minderjarige] .
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Bij brief van 4 mei 2026 heeft de GI zich bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
4De inhoudelijke beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 1:327 BW kan de rechtbank de voogdij van een natuurlijk persoon beëindigen indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt
bedreigd, en de voogd niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en
opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor
de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn,
of
b. de voogd het gezag misbruikt, of
c. niet beschikt over de ingevolge artikel 2 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie vereiste beginseltoestemming.
4.2.
Ingevolge het eerste lid van artikel 1:329 BW kan beëindiging van de voogdij worden uitgesproken op verzoek van de Raad, het openbaar ministerie of een der bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad.
4.3.
De Raad acht een beëindiging van de voogdij van de grootvader aangewezen en grondt zijn verzoek nadrukkelijk op het in artikel 1:327 BW onder sub a. bepaalde.
De Raad stelt hiertoe dat sinds de overdracht van de voogdij is gebleken dat belangrijke zaken niet voor [minderjarige] geregeld zijn/worden. Hij wordt hierdoor niet voorzien in zijn basale levensbehoeften, omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Hij mag van de woningbouw niet ingeschreven staan en verblijven bij de grootvader. Ook zijn zaken als een passende zorgverzekering niet geregeld, is zijn medische zorg ontoereikend en beschikt [minderjarige] niet over een structureel eigen inkomen voor zaken als voeding.
De Raad heeft de zorg dat de grootvader onvoldoende in staat is om de nodige zaken voor [minderjarige] te regelen. De grootvader heeft zelf ook aangegeven zich onmachtig te voelen.
Naar de mening van de Raad is [minderjarige] vooral aan het “overleven” en komt hij in een negatieve spiraal terecht. Zo geraakt [minderjarige] steeds meer verzeild in zorgelijke zaken zoals criminaliteit en een relatie/huwelijk met een jonger meisje dat zwanger van hem is geweest en heeft hij geen zinvolle dagbesteding. Naar de mening van de Raad wordt [minderjarige] hierdoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Bij [minderjarige] is voorts sprake van een groot wantrouwen richting de hulpverlening. De Raad acht de grootvader niet langer in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. Een complicatie hierin is dat de grootvader de zorgen vanuit de hulpverlening niet als zodanig zorgelijk beschouwt, omdat dit passend is binnen de cultuur en de normen en waarden van de familie. De Raad is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat de GI de voogdij over hem zal krijgen, omdat zij reeds bekend is met het familiesysteem (en de cultuur) rondom [minderjarige] . Daarbij is er – in tegenstelling tot andere hulpverleners – vanuit [minderjarige] vertrouwen in de GI, specifiek in mevrouw [persoon] gezien haar jarenlange betrokkenheid bij het netwerk van [minderjarige] . De Raad heeft een ondertoezichtstelling overwogen, maar acht dat in dit geval niet de geschikte maatregel om de zorgen weg te nemen, omdat het vooral veel regelzaken betreffen voor [minderjarige] . De Raad verwacht dat indien voor [minderjarige] richting zijn meerderjarigheid veel belangrijke zaken geregeld zullen zijn, zoals huisvesting en een zinvolle dagbesteding, de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] in voldoende mate zal kunnen worden afgewend.
4.4.
[minderjarige] heeft aangegeven het volledig eens te zijn met het verzoek. Naar de mening van [minderjarige] heeft mevrouw [persoon] hem inmiddels al goed geholpen door hem aan huisvesting (in [plaats] ) te helpen. Volgens [minderjarige] dient er voor hem nog veel meer geregeld te worden, zoals een zinvolle dagbesteding. [minderjarige] heeft er vertrouwen in dat mevrouw [persoon] hem daarin verder zal kunnen helpen.
4.5.
De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om de voogdij van de grootvader over [minderjarige] te beëindigen.
4.6.
Nu de beëindiging van de voogdij van de grootvader ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, zal de rechtbank, zoals verzocht, op grond van het in artikel 1:299 BW bepaalde een andere voogd moeten benoemen over [minderjarige] .
4.7.
De GI heeft zowel schriftelijk als ter zitting verklaard dat zij bereid is om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. Gezien het hiervoor overwogene zal de rechtbank de GI tot voogdes over [minderjarige] benoemen.
4.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
4.9.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
ontslaat de heer [de grootvader] , geboren te [geboorteplaats 2] , Joegoslavië, op [geboortedag 2] 1970, en wonende te [woonplaats] van de voogdij over [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009;
5.2.
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg ;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr. Pellikaan, rechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.