Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6104
Inhoudsindicatie
Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd over de jaren 2008 en 2009. Het door de inspecteur voor de navorderingsaanslag 2008 gehanteerde adres komt niet overeen met het adres dat belanghebbende heeft doorgegeven. De stelling dat de navorderingsaanslag 2008 door betekening aan het parket van het Openbaar Ministerie rechtsgeldig is bekendgemaakt volgt de rechtbank niet. De navorderingsaanslag 2008 is pas bekendgemaakt per e-mail van 20 oktober 2022. Het bezwaar van belanghebbende was daardoor tijdig. De navorderingsaanslag 2008 is niet tijdig opgelegd. Met betrekking tot de navorderingsaanslag 2009 is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de toenmalige gemachtigde op de hoogte is gesteld van het verleende becon-uitstel. Ook indien ervan uit wordt gegaan dat de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaren van toepassing is de navorderingsaanslag niet tijdig opgelegd.
Citeert (7)
- ECLI:NL:HR:1989:ZC4173 Hoge Raad 06-12-1989
- ECLI:NL:HR:2014:930 Hoge Raad 18-04-2014
- ECLI:NL:HR:2022:45 Hoge Raad 04-02-2022
- ECLI:NL:HR:2008:BC5346 Hoge Raad 29-02-2008
- ECLI:NL:HR:2014:930 Hoge Raad 18-04-2014
- ECLI:NL:HR:2014:930 Hoge Raad 18-04-2014
- ECLI:NL:HR:2023:1337 Hoge Raad 29-09-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.046 tekens)
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/6346 en 24/6348
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 juli 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] (Panama), belanghebbende
(gemachtigde: mr. D.J.E. de Kruif),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 16 juli 2024 en 22 augustus 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.487 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 946.175 (de navorderingsaanslag 2008). Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag 2008 heeft de inspecteur € 111.358 heffingsrente in rekening gebracht (de heffingsrentebeschikking 2008) en een vergrijpboete van € 118.271 opgelegd (de boetebeschikking 2008).
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.614 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 946.175 (de navorderingsaanslag 2009). Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag 2009 heeft de inspecteur € 110.532 heffingsrente in rekening gebracht (de heffingsrentebeschikking 2009) en een vergrijpboete van € 118.271 opgelegd (de boetebeschikking 2009).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2009 heeft de inspecteur gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de boetebeschikking 2009 verminderd tot nihil en de navorderingsaanslag 2009 en de heffingsrentebeschikking 2009 voor het overige gehandhaafd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2008 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verder beoordeelt de rechtbank of de inspecteur bevoegd was om de navorderingsaanslagen over 2008 en 2009 op te leggen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2008 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en was de inspecteur niet bevoegd om de navorderingsaanslagen over 2008 en 2009 op te leggen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. De inspecteur heeft belanghebbende per brief van 28 februari 2009 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV over 2008. Per brief van 27 februari 2010 heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV over 2009.
3.1.
Voor beide jaren wordt in schermprints uit het interne systeem van de Belastingdienst vermeld dat op verzoek becon-uitstel is verleend voor het doen van aangifte tot respectievelijk 1 mei 2010 en 1 mei 2011.
3.2.
Belanghebbende heeft op 9 juni 2010 de aangifte IB/PVV 2008 ingediend naar een verzamelinkomen van € 46.487. Op 21 juli 2011 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2009 ingediend naar een verzamelinkomen van € 42.614.
3.3.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2008 en de aanslag IB/PVV 2009 opgelegd conform de ingediende aangiften.
3.4.
Belanghebbende heeft op 23 maart 2018 zijn adres in de Basisregistratie Personen (BRP) gewijzigd van [adres 1] , Cuba naar:
“ [adres 2]
, PANAMA”
3.5.
Tot het dossier behoort een brief van de inspecteur met dagtekening 18 november 2021 waarin staat dat een navorderingsaanslag IB/PVV 2008 en een boete zullen worden opgelegd. Het adres dat op die brief staat is:
“ [adres 3]
PANAMA (REP)”
3.6.
Tot het dossier behoort ook de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 die een dagtekening 24 november 2021 vermeldt. Op de navorderingsaanslag 2008 staat het volgende adres vermeld:
“ [adres 4]
PANAMA”
3.7.
Op de sticker ten behoeve van de aangetekende verzending van de navorderingsaanslag 2008 is het adres als volgt opgenomen:
“ [adres 5]
PANAMA”
3.8.
De ontvanger heeft de navorderingsaanslag 2008 tevens betekend aan het parket van het Openbaar Ministerie in Maastricht.
3.9.
Op 20 oktober 2022 heeft de inspecteur, na telefonisch contact met belanghebbende, de navorderingsaanslag 2008 alsmede de eerdere aankondiging en mededeling van de navorderingsaanslag per e-mail aan belanghebbende toegestuurd.
3.10.
Op 31 oktober 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2008 ontvangen.
3.11.
Op 1 november 2022 ontvangt de inspecteur de brief van 18 november 2021 retour. Op de retourzending van de brief is “no reclamado” aangevinkt. Het adres op de envelop staat als volgt vermeld:
“ [adres 6]
PANAMA"
3.12.
Met dagtekening 31 december 2022 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag 2009 vastgesteld. Belanghebbende heeft op 15 december 2022 de ontvangst van de navorderingsaanslag bevestigd.
3.13.
De inspecteur heeft de toenmalige adviseur van belanghebbende per e-mail van 30 november 2023 verzocht om de volgende informatie:
“- correspondentie van de Belastingdienst aan uw kantoor over het verleende (becon-)uitstel;
- correspondentie tussen uw kantoor en de heer [belanghebbende] (of een persoon namens de heer [belanghebbende] ) over het verleende uitstel/het doen van aangifte IB/PVV namens de heer [belanghebbende] .”
De toenmalige adviseur heeft de inspecteur in reactie op dit verzoek laten weten de gevraagde gegevens niet te kunnen vinden.
3.14.
De huisbaas van belanghebbendes woning in Panama heeft op verzoek van belanghebbende schriftelijk het volgende verklaard:
“My name is [persoon] I am the Land Lady of the rental Apartment at [adres 7] , Mr. [belanghebbende] is renting since April lst, 2017.
As the rented property is part of my unit l should be aware if there was ever offered a postal letter for Mr. [belanghebbende] during these year.
l have never received a notification of such a letter at our door or under his name and for this reason l also would like to explain and confirm that Panama has such a proper mail delivery system, regular mail is usually lost in in our mail system.”
3.15.
Op 5 februari 2009 heeft [b.v. 1] een aangifte dividendbelasting ingediend voor een dividend van € 846.172, beschikbaar gesteld op 24 december 2008. Verder heeft [b.v. 2] op 5 februari 2009 een aangifte
dividendbelasting ingediend voor een dividend van € 100.000, beschikbaar gesteld op 31 december 2008. Uit een tot het dossier behorende akte van levering volgt dat belanghebbende op enig moment voor 2008 (middellijk) aandeelhouder is geweest van deze vennootschappen.
Motivering
4. Belanghebbende stelt dat het bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2008 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hiertoe voert belanghebbende aan dat de navorderingsaanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, doordat de inspecteur een onjuiste adressering heeft gehanteerd. Als gevolg hiervan is de bezwaartermijn niet aangevangen op de datum van de dagtekening van de navorderingsaanslag, maar op 20 oktober 2022, en is het bezwaar tijdig ingediend. Voor beide navorderingsaanslagen betoogt belanghebbende dat zij niet binnen de navorderingstermijn zijn opgelegd, omdat de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar niet van toepassing is en de navorderingsaanslagen bovendien pas na afloop van de termijn van twaalf jaar zijn opgelegd. Het vermeende uitstel voor het doen van aangifte over 2008 en 2009 was niet kenbaar voor belanghebbende, zodat de navorderingstermijnen niet kunnen worden verlengd met de duur van dit uitstel. Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat hij niets heeft genoten van de vennootschappen [b.v. 1] en [b.v. 2] .
4.1.
De inspecteur stelt dat het bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2008 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De gebruikte adressering is gebaseerd op het adres dat belanghebbende heeft doorgegeven. Dat het gebruikte adres onvolledig is, doet niets af aan de verzending, omdat het adres naar het juiste appartement in Panama leidt. Op de retourzending van de brief van 18 november 2021 staat ‘no reclamado’. Dit toont aan dat de post wel degelijk op het opgegeven adres is bezorgd, maar niet in ontvangst is genomen. De navorderingsaanslag is bovendien door middel van betekening aan het parket van het Openbaar Ministerie in Maastricht bekendgemaakt. De inspecteur betoogt verder dat de navorderingsaanslagen tijdig zijn opgelegd, omdat de verlengde termijn van twaalf jaar van toepassing is en voor beide jaren dertien maanden uitstel is verleend voor het doen van aangifte. Het verleende uitstel was kenbaar voor belanghebbende.
De ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2008
4.2.
De rechtbank overweegt dat de termijn voor het instellen van bezwaar aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Bekendmaking van een aanslag geschiedt op grond van artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990 door de ontvanger, en wel in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door verzending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat het door de inspecteur voor de navorderingsaanslag 2008 gehanteerde adres niet overeenkomt met het adres dat belanghebbende heeft doorgegeven. Het adres op de sticker voor de aangetekende verzending wijkt ook af van het adres dat belanghebbende heeft doorgegeven. Op de sticker ontbreekt naast de naam van de stad ook de straatnaam. De navorderingsaanslag is dus niet naar het juiste adres verzonden. Het betoog van de inspecteur dat uit de retourzending van een andere brief met de opmerking ‘no reclamado’ kan worden opgemaakt dat de inspecteur de post naar het juiste adres heeft gezonden volgt de rechtbank niet. Het stuk dat retour is gezonden is immers niet de navorderingsaanslag 2008, maar de brief van 18 november 2021. Anders dan de navorderingsaanslag 2008 was deze brief wel juist geadresseerd. Uit het retour komen van deze brief kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat de navorderingsaanslag 2008 naar het juiste adres is gestuurd.
4.4.
De stelling van de inspecteur dat de navorderingsaanslag 2008 door betekening aan het parket van het Openbaar Ministerie rechtsgeldig is bekendgemaakt volgt de rechtbank niet. De inspecteur verwijst in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad van 29 februari 2008. In dat arrest gaat de Hoge Raad in op de waarborg van het arrest van de Hoge Raad van 6 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4173. De inspecteur miskent daarbij echter de werking van de later door de Hoge Raad geformuleerde rechtsregel in het arrest van 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 5 in verbinding met artikel 11, lid 3 van de AWR de datum van bekendmaking in de plaats komt van de dagtekening van het aanslagbiljet indien die aanslag pas na de dagtekening op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Aangezien de inspecteur in dit geval beschikte over het juiste adres van belanghebbende, is er geen aanleiding om op grond van artikel 3:41, tweede lid van de Awb te concluderen dat bekendmaking op andere geschikte wijze kon plaatsvinden. Met de betekening aan het Openbaar Ministerie is verder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de strekking van de bekendmakingsvereisten, omdat niet is gesteld of gebleken dat daarmee belanghebbende of zijn gemachtigde een afschrift van het aanslagbiljet heeft ontvangen.
4.5.
De rechtbank concludeert dat de navorderingsaanslag 2008 pas aan belanghebbende is bekendgemaakt op het moment dat de navorderingsaanslag per e-mail aan belanghebbende is toegestuurd. De navorderingsaanslag 2008 is dus bekendgemaakt op 20 oktober 2022. Dit betekent dat het bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2008 binnen zes weken na de dag van de bekendmaking en dus tijdig is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2008 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Is de navorderingsaanslag 2008 tijdig opgelegd?
4.6.
Het moment waarop de navorderingsaanslag is vastgesteld is in beginsel de dagtekening van het aanslagbiljet.
4.7.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2014 volgt echter dat een navorderingsaanslag niet is vastgesteld binnen de daarvoor geldende termijn, indien het aanslagbiljet weliswaar voor het verstrijken van de termijn is gedagtekend, maar de navorderingsaanslag niet binnen de termijn op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
4.8.
Zoals hiervoor overwogen (4.5) is de navorderingsaanslag 2008 bekendgemaakt op 20 oktober 2022. De termijn waarbinnen de navorderingsaanslag moest worden opgelegd is aangevangen op 31 december 2008. Dat betekent dat de navorderingsaanslag 2008, ook indien rekening wordt gehouden met de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar en het volgens de inspecteur verleende uitstel van dertien maanden, niet binnen de voorgeschreven termijn is opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank was de inspecteur niet bevoegd om de navorderingsaanslag 2008 op te leggen. De navorderingsaanslag 2008 dient daarom te worden vernietigd.
Is de navorderingsaanslag 2009 tijdig opgelegd?
4.9.
De navorderingsaanslag 2009 is opgelegd op 31 december 2022. Belanghebbende heeft de stelling van de inspecteur dat kenbaar uitstel is verleend voor de duur van dertien maanden voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2009 gemotiveerd betwist. De inspecteur heeft ter onderbouwing van de stelling dat kenbaar uitstel is verleend een schermprint uit het systeem van de Belastingdienst overgelegd. Uit deze schermprint volgt niet dat de verlening van het becon-uitstel aan de toenmalige gemachtigde is teruggekoppeld. Uit de door de inspecteur overgelegde interne e-mails volgt dat een terugkoppeling aan de toenmalige gemachtigde in het systeem van de Belastingdienst niet (meer) is in te zien. Na navraag van de inspecteur bij de toenmalige gemachtigde heeft de toenmalige gemachtigde verklaard dat zij geen bevestiging van het verleende uitstel heeft kunnen vinden. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de toenmalige gemachtigde op de hoogte is gesteld van het verleende becon-uitstel. Dat betekent dat de termijn waarbinnen de navorderingsaanslag 2009 moest worden opgelegd niet wordt verlengd met het volgens de inspecteur verleende uitstel van dertien maanden.
4.10.
Het voorgaande brengt mee dat, ook indien veronderstellenderwijs ervan uit wordt gegaan dat de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaren van toepassing is en de navorderingstermijn dus eindigde op 31 december 2021, de navorderingsaanslag 2009 niet binnen de voorgeschreven termijn is opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank was de inspecteur niet bevoegd om de navorderingsaanslag 2009 op te leggen. De navorderingsaanslag 2009 dient daarom te worden vernietigd.
De heffingsrente
4.11.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Nu de met de heffingsrentebeschikkingen samenhangende navorderingsaanslagen zullen worden vernietigd, zal de rechtbank ook de bijbehorende heffingsrentebeschikkingen vernietigen.
De vergrijpboete over 2008
4.12.
Nu de navorderingsaanslag 2008 wordt vernietigd, dient ook de bijbehorende boetebeschikking te worden vernietigd.
Undue delay
4.13.
De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot de vergrijpboete opgelegd bij de navorderingsaanslag 2008 de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van een zaak in eerste feitelijke instantie is overschreden. Aangezien de boete wordt vernietigd kan compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn niet worden verleend door vermindering van die boete. Belanghebbende heeft niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, zodat de rechtbank volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar over 2008, de navorderingsaanslag 2008, de heffingsrentebeschikking 2008 en de boetebeschikking 2008. De rechtbank vernietigt ook de uitspraak op bezwaar over 2009 inzake de navorderingsaanslag 2009 en de heffingsrentebeschikking 2009 en vernietigt tevens deze navorderingsaanslag en heffingsrentebeschikking.
5.1.
Aangezien de beroepen gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
Belanghebbende heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding reeds omdat belanghebbende de omvang van deze kosten niet heeft gesteld. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200. Een reeds betaald bedrag in verband met de voor de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding dient hierop in mindering te worden gebracht.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag 2008, de heffingsrentebeschikking 2008 en de boetebeschikking 2008;
- vernietigt de navorderingsaanslag 2008, de heffingsrentebeschikking 2008 en de boetebeschikking 2008;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar over 2009 inzake de navorderingsaanslag 2009 en de heffingsrentebeschikking 2009;
- vernietigt de navorderingsaanslag 2009 en de heffingsrentebeschikking 2009;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en prof. dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
voorzitter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
Hoge Raad 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:45.
Hoge Raad 29 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5346.
Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930.
Artikel 5 van de AWR.
Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930.
Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337.